Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:1966

2026-06-30 Civiel recht 200.367.155/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-06-30
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.367.155/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv; afwijzing.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.678 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM




afdeling civiel recht en belastingrecht, team I



zaaknummer : 200.367.155/01



zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/766103 / HA ZA 25-842




arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 juni 2026




inzake




AMCS B.V.,
gevestigd te Diemen,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. M. Goorts te Eindhoven,



tegen




L’ORTYE TRANSPORTBEDRIJF B.V.,
gevestigd te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. H.H.T. Beukers te Eindhoven.






1Het geding in hoger beroep


Partijen worden hierna AMCS en L’Ortye genoemd.



AMCS is bij dagvaarding van 30 maart 2026 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 februari 2026 dat onder bovenstaand zaak- en rolnummer is gewezen tussen L’Ortye als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, en AMCS als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.



Bij de dagvaarding in hoger beroep, met producties, heeft AMCS een incidentele vordering ex artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingesteld. AMCS heeft incidenteel gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis zal schorsen totdat in hoger beroep onherroepelijk is beslist, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van L’Ortye in de kosten van het incident.



Op de eerstdienende dag heeft AMCS conform voormeld exploot geconcludeerd en genoemde producties in het geding gebracht.



L’Ortye heeft daarop bij conclusie geantwoord en geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van AMCS in de kosten van het incident, met rente.



Ten slotte is arrest in het incident gevraagd.

2. Beoordeling





in het incident




2.1.

Kort gezegd en voor zover voor de beoordeling van de incidentele vordering van belang, gaat het in deze zaak om het volgende. Partijen hebben in april 2018 een overeenkomst gesloten tot het leveren en implementeren van nieuwe softwaresystemen door AMCS bij L’Ortye (hierna: de overeenkomst).
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank voor recht verklaard (6.1) dat AMCS is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door:

i. i) het niet (op)leveren van Route Planner en de koppeling voor Indaver en het niet volledig opleveren van Fleet Planner en Customer Portal,

ii) te adviseren tot een go-live op 25 maart 2019 in de vorm van een ‘big bang’ en
iii) de vertraging in de uitvoering vanaf 26 november 2019.
De rechtbank heeft AMCS veroordeeld tot:

- nakoming van de overeenkomst waarvan de voorwaarden staan beschreven in de ondertekende offerte van 28 maart 2018 en volledig te implementeren en op te leveren, binnen vier maanden na de betekening van het vonnis: Fleet Planner, Route Planner, de koppeling voor Indaver en Customer Portal (6.2);
Aan deze veroordeling heeft de rechtbank een dwangsom verbonden van € 5.000,- per dag(deel) dat na vier maanden na betekening van het vonnis niet aan de veroordeling wordt voldaan tot een maximum van € 50.000,- (6.3);


vergoeding van de door L’Ortye geleden schade van € 533.452,-, met rente (6.4);


vergoeding van de kosten van eigen personeel van L’Ortye ter zake van extra werkzaamheden door de premature go-live op 25 maart 2019 in de vorm van een ‘big bang’, alsmede de door L’Ortye als gevolg van de tekortkomingen gederfde efficiencyvoordelen, op te maken bij staat (6.5).



De vorderingen van AMCS zijn afgewezen. AMCS is veroordeeld in de buitengerechtelijke kosten, met rente (6.6), en de proces- en nakosten (6.7 en 6.12), met rente (6.8 en 6.13).
Het vonnis is wat betreft de (kosten)veroordelingen onder 6.2 tot en met 6.8, 6.12 en 6.13 uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad is niet gemotiveerd.




2.2.

Ter onderbouwing van haar incidentele vordering stelt AMCS, kort gezegd, het volgende. Het dictum van het vonnis biedt onvoldoende duidelijkheid over de concrete prestaties die AMCS nog moet verrichten om aan de veroordeling onder 6.2 te voldoen. Dit klemt temeer, omdat AMCS zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat zij de overeengekomen functionaliteiten reeds heeft gerealiseerd en dat het project feitelijk is afgerond. In essentie ziet het bestreden vonnis dus op verdere optimalisatie en doorontwikkeling van de software die reeds operationeel is en feitelijk wordt gebruikt door L’Ortye. Ook blijkt uit het vonnis niet in hoeverre de rechtbank het onder 3.9 van dat vonnis genoemde Projectplan in de beoordeling heeft betrokken, waardoor onduidelijk blijft op welke grondslag is aangenomen dat AMCS nog niet aan haar verplichtingen zou hebben voldaan. Daarmee berust het bestreden vonnis op kennelijke juridische en feitelijke misslagen. Uitvoering van het bestreden vonnis zal onder die omstandigheden leiden tot onzekerheid, executiegeschillen en dwangsomrisico’s.
Verder zal AMCS aanzienlijke kosten moeten maken, terwijl in hoger beroep kan blijken dat bepaalde functionaliteiten niet tot haar contractuele verplichtingen behoren. In dat geval zullen de verrichte werkzaamheden en gemaakte kosten niet of nauwelijks kunnen worden teruggedraaid.
Wat betreft de veroordeling onder 6.5 geldt volgens AMCS dat een schadestaatprocedure niet zinvol kan worden afgerond, zolang de aansprakelijkheid nog niet onherroepelijk vaststaat.
Dit alles maakt dat het belang van AMCS bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van L’Ortye, die geen spoedeisend belang heeft bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis.




2.3.
L’Ortye heeft verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.



2.4.
Bij de beoordeling van de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, waarin – zoals in dit geval – over de uitvoerbaarheid bij voorraad ongemotiveerd is beslist, stelt het hof het volgende voorop (zie HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.



2.5.
Uit de toelichting van AMCS op haar incidentele vordering maakt het hof op dat die vordering zich beperkt tot de in het dictum van het bestreden vonnis onder 6.2 (met het daaraan verbonden 6.3) en 6.5 opgenomen veroordelingen. Aan de overige uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordelingen heeft zij naar eigen zeggen ook al voldaan.



2.6.
Voor zover AMCS stelt dat zij de overeenkomst reeds volledig is nagekomen en dat de rechtbank haar met de veroordeling onder 6.2 van het dictum heeft veroordeeld tot het verrichten van niet tussen partijen overeengekomen werkzaamheden, baseert zij haar incidentele vordering op inhoudelijke bezwaren tegen het bestreden vonnis. Het hof gaat daarop in het kader van dit incident niet in. Op het oordeel in de hoofdzaak mag immers niet worden vooruitgelopen. De onder 2.2. weergegeven stellingen van AMCS leiden niet tot het oordeel dat het bestreden vonnis op een kennelijke misslag berust. Daarvoor is ten minste vereist dat dit ‘kennelijk’ het geval is, dat wil zeggen dat reeds op het eerste gezicht, dus zonder relevant nader feitelijk of juridisch onderzoek, zonder meer duidelijk is dat een feitelijk of juridisch oordeel in een bepaalde rechtsoverweging onjuist is. Dat dit in deze zaak het geval is, is niet gebleken. Voor een verdere beoordeling van de juistheid van de overwegingen van de rechtbank is in dit incident geen plaats.



2.7.
Het belang van L’Ortye bij tenuitvoerlegging van de veroordeling onder 6.2 (met het daaraan verbonden 6.3) is erin gelegen dat zij niet langer hoeft te wachten op de (volledige) implementatie en oplevering van de door de rechtbank genoemde softwaresystemen conform de tussen partijen in 2018 gesloten overeenkomst. Dat L’Ortye geen spoedeisend belang bij de tenuitvoerlegging zou hebben, zoals AMCS stelt, doet, wat hiervan ook zij, aan dit belang van L’Ortye niet af.



2.8.
De door AMCS gestelde onomkeerbare (financiële) gevolgen van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis zijn gebaseerd op niet concreet (met stukken) toegelichte stellingen die bovendien door L’Ortye zijn betwist en leggen reeds daarom onvoldoende gewicht in de schaal tegenover het belang van L’Ortye bij directe tenuitvoer- legging. Ook als de tenuitvoerlegging gevolgen kan hebben die later moeilijk of niet ongedaan kunnen worden gemaakt, staat dat in beginsel niet in de weg aan die tenuitvoerlegging. Wat betreft de vrees van AMCS voor onzekerheid, executiegeschillen en dwangsomrisico’s is het hof van oordeel dat die niet (voldoende) afdoen aan het belang van L’Ortye bij de tenuitvoerlegging van het vonnis, wat er verder ook zij van die gestelde vrees. De door AMCS als productie A.II overgelegde e-mailcorrespondentie over de koppeling voor Indaver leidt niet tot een ander oordeel. Daaruit blijkt dat Indaver heeft voorgesteld om het project in verband met de beschikbaarheid van IT-medewerkers uit te stellen tot het eind van 2026, maar dat doet niet af aan de contractuele verplichtingen van AMCS jegens L’Ortye en dus aan het belang van L’Ortye bij de tenuitvoerlegging van het vonnis.



2.9.
Op grond van al het voorgaande is de conclusie dat het hof de door AMCS gestelde omstandigheden, afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende acht om wat betreft de veroordeling onder 6.2 (met het daaraan verbonden 6.3) tot schorsing van het bestreden vonnis over te gaan. Wat betreft de veroordeling onder 6.5 komt het hof tot dezelfde conclusie. De enkele omstandigheid dat in hoger beroep opnieuw over de aansprakelijkheid moet worden geoordeeld, rechtvaardigt schorsing van die veroordeling niet. Bovendien heeft L’Ortye in haar antwoordconclusie kenbaar gemaakt tijdens het hoger beroep geen schadestaatprocedure te zullen starten. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging zal dan ook worden afgewezen.



2.10.
Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.



in de hoofdzaak





2.11.
In de hoofdzaak zal de zaak worden verwezen naar de rol voor memorie van grieven door AMCS.






3Beslissing


Het hof:




in het incident:



wijst de vordering af;



houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;




in de hoofdzaak:



verwijst de zaak naar de rol van 11 augustus 2026 voor memorie van grieven door AMCS;



houdt iedere verdere beslissing aan.




Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, J.W.M. Tromp en M.C. Bosch en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.