Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:1937

2026-05-26 Civiel recht 200.347.907/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-05-26
Publicatiedatum
2026-07-16
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.347.907/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement (artikel 2:248 BW) en op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Doorstart van modeketens uit eerder faillissement, waarbij activa van passiva gescheiden worden gehouden. Opvolgend faillissement van personeelsvennootschappen. Schending van administratieverplichting. Wettelijk vermoeden onbehoorlijk bestuur als oorzaak van faillissement. Ook overigens kennelijk onbehoorlijk bestuur: niet tijdig middelen, nodig voor betaling van crediteuren, geïnd. Causaal verband: niet alleen lockdown wegens COVID 19-pandemie oorzaak van faillissementen. Op grond van artikel 2:11 BW zijn alle indirecte bestuurders medeaansprakelijk voor boedeltekort inclusief een Zwitserse bestuurdersvennootschap, maar niet de bestuurder/natuurlijk persoon daarvan. Deze is ook niet aansprakelijk op grond van feitelijk beleidsbepalerschap (artikel 2:248 lid 7 BW), maar wel voor schade op grond van onrechtmatige daad. Concernaansprakelijkheid. Persoonlijk ernstig verwijt aan bestuurder van (Zwitserse) moedermaatschappij ten aanzien van niet-nakoming door deze van bijzondere zorgplicht als bedoeld in Comsys-arrest.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.868 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM


afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)



zaaknummer gerechtshof : 200.347.907/01



zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/725424/HA ZA 22-955





arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 mei 2026




in de zaak van





1 [appellant] ,
wonend in [plaats 1] (Zwitserland),
2. FLV GROUP HOLDING AG,
gevestigd te Zug (Zwitserland),
3. NXT MISS ETAM B.V.,
gevestigd te Diemen,
4. NXT NEW BRANDS B.V.,
gevestigd te Diemen,
5. NXT SSC HOLDING B.V.,
gevestigd te Diemen,

6. NXT FASHION HOLDING B.V.,
gevestigd te Diemen, en

7. FLV MANAGEMENT B.V. in liquidatie,

gevestigd te Utrecht,
appellanten,
advocaat: mr. Z. Jurdik-Kliment te Groningen



tegen:





[geïntimeerde] ,

te [plaats 2] ,
handelend in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van:

1. ME TEAM B.V.,
2. NB TEAM B.V.,
3. NXT SSC B.V., en
4. NXT LOG B.V.,

geïntimeerde,
advocaat: mr. M.A.L.M. Willems te Amsterdam.






1Het geding in hoger beroep


Partijen worden hierna [appellanten] en de curator genoemd.



Het hof heeft in deze zaak op 14 april 2026 een arrest uitgesproken. Bij brief van 24 april 2026 heeft mr. [naam] te Amsterdam zich namens de curator op het standpunt gesteld dat het hof heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde en het hof verzocht tot aanvulling van het arrest over te gaan. Bij brief van 5 mei 2026 heeft mr. Jurdik-Kliment voornoemd zich namens partij [appellanten] verzet tegen toewijzing van dit verzoek.






2Beoordeling


2.1.
De curator stelt zich op het standpunt dat het hof heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde als bedoeld in artikel 32 Rv, te weten het onderdeel dat gevorderd is de veroordelingen ten gunste van de curator uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. [appellanten] bestrijden dat sprake is van een dergelijk verzuim.



2.2.
Het bestreden vonnis is op vordering van de curator uitvoerbaar-bij-voorraad verklaard. Daarnaast heeft de curator aan het slot van zijn memorie van antwoord wel degelijk geconcludeerd dat het hof het te wijzen arrest voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren. Dit heeft het hof ook onder 5.2 van het arrest van 14 april 2026 tot uitdrukking gebracht.



2.3.
Vooropstellende dat geen grief was gericht tegen het onderdeel van het bestreden vonnis dat de zgn. reserveringsvoorwaarde – waarover partijen het ook eens waren – inhield, en evenmin tegen r.o. 2.6. van het herstelvonnis en aanvullend vonnis van de rechtbank van 25 september 2024, zodat het bestreden vonnis in zoverre voor bekrachtiging in aanmerking kwam – hetgeen het hof in r.o. 6.29, eerste volzin, van het arrest van 14 april 2026 tot uitdrukking heeft gebracht -, moet inderdaad, met de curator, worden geconcludeerd dat abusievelijk, bij de herformulering van het dictum, de uitvoerbaarheid bij voorraad niet is vermeld. Tegen de gevorderde uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring heeft [appellanten] overigens in eerste aanleg noch in hoger beroep verweer gevoerd.



2.4.

Het hof zal tot de verzochte aanvulling overgaan de gevorderde uitvoerbaar-bij-
voorraadverklaring toewijzen op de wijze als in het dictum bepaald.






3Beslissing


Het hof:



bepaalt dat onderdelen 7.5 en 7.6 van het op 14 april 2026 in deze zaak uitgesproken arrest worden vervangen door de volgende bepalingen:




“7.5. veroordeelt [appellant] in de proceskosten van de curator en stelt deze tot op heden vast op nihil;




7.6.

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;




7.7.


wijst het meer of anders gevorderde af.”

.
bepaalt dat deze aanvulling onder vermelding van de datum 26 mei 2026 wordt vermeld op de minuut van het arrest van 14 april 2026;



gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen
grosse dan wel het ontvangen afschrift van het arrest van 14 april 2026 na ontvangst van dit arrest aan de griffie van het hof te retourneren.




Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.H. Molin, O.J. van Leeuwen en J.G. Sijmons en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.