Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:1888

2026-07-14 Civiel recht 200.347.705/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-07-14
Publicatiedatum
2026-07-14
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.347.705/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aanneemovereenkomst. De opdrachtgever heeft de aanneemovereenkomst deels ontbonden. De op de ontbinding gebaseerde vorderingen worden afgewezen, omdat de aannemer niet in verzuim was en de overeenkomst daarom niet rechtsgeldig kon worden ontbonden. De opdrachtgever heeft ook een deel van de vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding (6:87 BW). De aannemer is ten aanzien van dit deel van de overeenkomst tekortgeschoten en in verzuim. Het beroep van de aannemer op artikel 7:760 lid 2 BW slaagt niet. Het hof stelt de schadevergoeding schattenderwijs vast.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (43.590 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM




afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)



zaaknummer : 200.347.705/01



zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/345443 / HA ZA 23-602




arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 juli 2026




in de zaak van





[appellant] ,

wonend in [plaats] ,
appellante,
advocaat: mr. F.A.J.H. de Lugt te Amsterdam,



tegen




BOUWBEDRIJF CASMOND B.V.,

gevestigd in Castricum,
geïntimeerde,
advocaat: mr. W. Schellart te Haarlem.




Partijen worden hierna [appellant] en Casmond genoemd.






1De zaak in het kort


Partijen hebben een aanneemovereenkomst gesloten en verschillen van mening over de vraag of de aannemer is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Partijen strijden ook over wie nog wat aan wie verschuldigd is. De opdrachtgever heeft, wat betreft de werkzaamheden aan de badkamer, haar vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. Zij heeft de aanneemovereenkomst verder deels ontbonden, namelijk wat betreft de overige werkzaamheden waarvan zij vindt dat die niet (deugdelijk) zijn uitgevoerd. Het hof oordeelt dat de opdrachtgever de overeenkomst niet heeft kunnen ontbinden, omdat de aannemer niet in verzuim was. De op de ontbinding gebaseerde vorderingen worden afgewezen. Met betrekking tot de badkamer oordeelt het hof dat de aannemer is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen en in verzuim was. Het hof stelt de op grond daarvan verschuldigde schadevergoeding schattenderwijs vast. Het door de rechtbank in reconventie aan de aannemer toegewezen bedrag wordt verlaagd, omdat ter zitting van het hof is gebleken dat daarop nog een bedrag in mindering moet worden gebracht.






2Het geding in hoger beroep



[appellant] is bij dagvaarding van 10 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 17 juli 2024 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en Casmond als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.



Bij tussenarrest van 19 november 2024 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op 11 februari 2025 heeft plaatsgevonden. Een minnelijke regeling is toen niet tot stand gekomen. Het proces-verbaal van die zitting bevindt zich bij de stukken.



Partijen hebben hierna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met producties.


Op 21 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [appellant] is verschenen, bijgestaan door mr. Ph.A.J. Raaijmakers, advocaat te Amsterdam. Voor Casmond is verschenen haar bestuurder T.A. Glim, bijgestaan door mr. Schellart voornoemd. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die aan het hof zijn overgelegd. [appellant] heeft nog producties in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd.






3De feiten


De rechtbank heeft in 2.1 tot en met 2.14 van het bestreden vonnis de feiten opgesomd die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Voor zover in hoger beroep van belang en waar nodig aangevuld met andere onomstreden feiten komen de feiten neer op het volgende.



3.1


[appellant] is sinds 2021 eigenaresse van de woning aan [straat] 51 te

[plaats] (hierna: de woning). Casmond is een aannemingsbedrijf.




3.2

Op 23 maart 2021 hebben partijen een aannemingsovereenkomst gesloten voor het
verbouwen van de woning, tegen betaling van een bedrag door [appellant] van € 25.446,13
(inclusief btw). Casmond is hierna aan het werk gegaan in de woning. [appellant] heeft
een deel van de verbouwing van haar woning opgedragen aan anderen dan Casmond.




3.3
Bij brief van 21 juni 2021 heeft Casmond een meerwerkofferte van in totaal € 2.161,00 (exclusief btw) uitgebracht. [appellant] heeft deze offerte geaccepteerd.



3.4
Bij brief van 21 april 2022 schreef de advocaat van [appellant] onder meer aan Casmond:



Zo zijn er niet alleen een reeks aan werkzaamheden ondeugdelijk verricht, zodat zij dan ook hersteld dienen te worden, maar dienen een aantal werkzaamheden in zijn geheel nog uitgevoerd te worden


(…).


Namens cliënte sommeer ik u om mij binnen vijf dagen na dagtekening van deze brief te bevestigen dat u vóór of uiterlijk op 22 mei 2022 de met cliënte gesloten overeenkomst op deugdelijke wijze zult hebben nagekomen. Dit door volledig en op deugdelijke wijze uitvoering te geven aan de werkzaamheden (…) ten aanzien van de badkamer (…).(…) Deze werkzaamheden zien onder meer op het volgende, waarbij ik namens cliënte nadrukkelijk opmerk dat de nog door u uit hoofde van de met haar gesloten overeenkomst uit te voeren werkzaamheden niet enkel tot de volgende reeks beperkt zijn:


(…)





Werkzaamheden badkamer:



- Het deugdelijk uitvoeren en opleveren van het tegelwerk, waaronder dus begrepen het vervangen van alle tegels met schade en het leggen van de ontbrekende tegels;


- Het vervangen van de tegels rondom het bad, zodat de tegels over de gehele breedte van het bad op dezelfde afstand aansluiten ten opzichte van de badrand;




Het vervangen van de tegels bij de badhoek en het plaatsen van een tegelstrip;




Het zetten van tegels rondom het kozijn (…);




Het verrichten van voeg- en kitwerkzaamheden. (…)






3.5
In reactie hierop schreef Casmond in een e-mail van 30 april 2022:



Ten eerste wil ik stellen dat er geen fatale oplever datum is afgesproken met Mevr. [appellant] , niet mondeling en ook niet schriftelijk. Ten tweede zijn er door derden werkzaamheden verricht in de badkamer en ook het toilet beneden. (…)





De schade aan het plafond in de badkamer e.d. is niet veroorzaakt door ons maar door derden. (…) De tegels met beschadigingen, uitgezonderd de tegels met krimp scheuren, zijn niet door ons veroorzaakt. Echter zullen wij deze voor mevr. [appellant] vernieuwen.


(…)


Wat betreft voegwerk wit voor de wandtegels is akkoord (…).


(…)


Wat betreft de facturen tegels deze leveren wij niet aan. In de begroting hadden wij geen tegels opgenomen deze zou mevr. [appellant] rechtstreeks met Bakkum & Krook afhandelen.


(…)





3.6
Casmond heeft op enig moment een aantal (eerder door haar geplaatste) tegels in de badkamer van de woning vervangen.



3.7
Op 21 juli 2022 heeft [appellant] een deskundigenonderzoek door DEKRA Experts (hierna: DEKRA) laten verrichten in de badkamer van de woning. In het deskundigenrapport van 8 december 2022 heeft DEKRA – kort gezegd – geconcludeerd dat er op verschillende punten (herstel)werkzaamheden in de badkamer uitgevoerd moesten worden om te kunnen voldoen aan de aannemingsovereenkomst, onder andere aan het tegelwerk. DEKRA heeft berekend dat er een bedrag van € 12.434,52 (inclusief BTW) aan (herstel)werkzaamheden verricht moest worden.



3.8
In een e-mail van 12 december 2022 schreef de advocaat van [appellant] aan Casmond:



Bijgaand treft u het expertiserapport aan dat is opgesteld naar aanleiding van het door de deskundige verrichte onderzoek in de badkamer van cliënte. Namens cliënte verzoek ik u om mij binnen 8 dagen na heden schriftelijk te bevestigen dat u de herstelpunten uit het rapport binnen vier weken na heden afgerond zult hebben.





3.9
De correspondentie tussen partijen is hierna via hun advocaten/gemachtigden gevoerd. In reactie op de e-mail van 12 december 2022 schreef Casmond in een brief van 19 december 2022 aan [appellant] :



Nergens in het rapport van DEKRA staat wie de veroorzaker is van de vermeende gebreken.


DEKRA is er ook blijkbaar niet mee bekend dat er derden in de badkamer aan het werk zijn geweest die door uw cliënte zelf zijn ingeschakeld. (...) Verder is bekend dat uw cliënte al schoonmaakwerkzaamheden ging uitvoeren in de badkamer hetgeen niet de bedoeling was. Daarbij kunnen/zijn ook beschadigingen ontstaan. Mijn cliënte betwist schade te hebben veroorzaakt.


(…)


Zoals uw cliënte bekend, bleek naderhand dat het door een derde aangebrachte stucwerk niet goed waterpas/haaks is waardoor dit gevolgen had voorde aangebrachte tegels. Verder staat ook niet ter discussie dat het badkamerwerk nog niet gereed is, nog niet is opgeleverd en nog niet volledig is gefactureerd (…).


(...)


Het voorgaande neemt niet weg dat mijn cliënte bereid is en blijft het werk af te ronden en op te leveren maar alleen dus voor wat betreft de punten waar zij zichzelf verantwoordelijk voor acht.


(…)





3.10
Hierna hebben partijen gecorrespondeerd over de mogelijkheden van een minnelijke regeling. Een dergelijke regeling is niet tot stand gekomen.



3.11
In een e-mail van 22 februari 2023 schreef Casmond aan [appellant] met betrekking tot de badkamer:



Bekend is immers wat mijn cliënte nog wil uitvoeren (…):



- Aanpassen tegelwerk rondom het bad


- In overleg krasjes weg (laten) wegpoetsen in het bad (kosten hiervan dus in overleg). Cliënte blijft erbij dat uit niets blijkt dat specifiek een medewerker van haar dit veroorzaakt heeft.


- Inwassen tegels


- Kitwerk badkamer


- Afmonteren sanitair badkamer



(…)


Het bovengenoemde voorstel is tot 14 dagen na heden geldig, daarna vervalt het en gaat cliënte er vanuit dat geen mogelijkheid tot nakoming wordt gegeven.


(…)





3.12
In reactie hierop schreef [appellant] aan Casmond in een e-mail van 8 maart 2023:



(…)


Feit is in ieder geval dat uw cliënt op onterechte gronden blijft weigeren om de noodzakelijke herstelwerkzaamheden uit te voeren. Enkel biedt hij aan om een zeer gering gedeelte van de gebreken te herstellen, waarbij zelfs wordt aangegeven dat na het verstrijken van de termijn ervan wordt uitgegaan dat er geen mogelijkheid tot nakoming wordt gegeven. Uiteraard is dit juridisch niet houdbaar. Vast staat dat diverse herstelwerkzaamheden uitgevoerd dienen te worden en door structureel te blijven weigeren om al deze werkzaamheden uit te voeren, is uw cliënt in verzuim (…). (…)





3.13
Bij e-mail van 20 mei 2023 schreef [appellant] aan Casmond:



(…)


Voor het vervolg van deze e-mail (en de te voeren gerechtelijke procedure) dient een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de problematiek in de badkamer en anderzijds alle overige punten die niet c.q. niet deugdelijk zijn uitgevoerd. Ten aanzien van dit laatste geldt dat cliënte een eindafrekening heeft gemaakt die betrekking heeft op de gehele opdracht, op basis waarvan uw cliënt verplicht is geworden om een bedrag aan cliënte (terug) te betalen (...). (…)





Ook met betrekking tot de badkamer heeft te gelden dat uw cliënt in verzuim is komen te verkeren. Dit nu een grote reeks aan gebreken is vastgesteld (…), waarvan uw cliënt heeft aangegeven slechts een gering (…) gedeelte te willen herstellen. Inmiddels heeft cliënte er dan ook (al zeer geruime tijd) geen vertrouwen meer in dat uw cliënt de overeenkomst deugdelijk zal willen en kunnen nakomen. Cliënte wenst en behoeft zich daarmee niet te verenigen en zal de resterende werkzaamheden op dit punt dan ook door een derde laten uitvoeren. Door middel van onderhavige e-mail zet cliënte op grond van artikel 6:87 BW haar vordering tot nakoming op dit punt om in een vordering tot de betaling van een vervangende schadevergoeding. Deze schadevergoeding bestaat uit de kosten van deugdelijke uitvoering door een derde, welke kosten door de deskundige zijn vastgesteld op een bedrag van € 12.434,52 inclusief BTW. Hier komt bij dat met het opnieuw laten sauzen van de muren een bedrag ter hoogte van € 3.513,-- inclusief BTW gepaard gaat. Overige schadeposten betreffen mozaïektegels (€ 67,62 inclusief BTW en de buis van de kastenkamer en de aluminiumslang (2 x € 121,--).


(…)





3.14
Op 25 april 2025 schreef [appellant] aan Casmond:



(…)


Vaststaat dat uw cliënte een gedeelte van de aangenomen (meer)werkzaamheden ondanks


herhaaldelijk verzoek c.q. sommatie en ingebrekestellingen van en namens cliënte niet (deugdelijk) heeft verricht.


(…)


Cliënte ontbindt hierbij de (meer)overeenkomsten gedeeltelijk, te weten voor zover de resterende werkzaamheden die niet (deugdelijk) door uw cliënte zijn uitgevoerd.


(…)


Nu de ontbinding betrekking heeft op een deel van de werkzaamheden waar al voor is betaald, maakt cliënte aanspraak op terugbetaling van de aanneemsom voor dat deel. Met inachtneming van de eindafrekening komt dit neer op een bedrag ad € 7.783,10 (incl. BTW). Hetzelfde geldt voor de ontbinding van de meerwerkovereenkomst, hetgeen neerkomt op een bedrag ad € 374,78 (incl. BTW). Derhalve in totaal € 8.157,88 (incl. BTW) (…).


(…)








4De procedure bij de rechtbank


4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd dat de rechtbank Casmond - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeelt tot betaling van


I. een hoofdsom van € 32.101,49 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 31 mei 2023 tot de dag der algehele voldoening;
II. expertisekosten van € 2.620,65 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
III. de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.163,14 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
IV. de proceskosten en de gebruikelijke nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.




4.2
Casmond heeft verweer gevoerd en in reconventie gevorderd dat de rechtbank [appellant] - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeelt tot betaling van


I. een bedrag van € 11.904,82, exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van indiening van de eis in reconventie tot aan de dag van de algehele voldoening;
II. de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.




4.3
In conventie heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten met nakosten en rente. In reconventie heeft de rechtbank de vordering van Casmond tot een bedrag van € 4.410,75 toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten met nakosten en rente. Het vonnis is wat de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad verklaard.







5Vordering in hoger beroep


5.1

[appellant] heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis. Na wijziging van eis in hoger beroep vordert zij, samengevat, dat het hof - uitvoerbaar bij voorraad -


I. de in eerste aanleg ingestelde vorderingen van [appellant] toewijst;
II. voor recht verklaart dat de (meer)werkovereenkomst gedeeltelijk is ontbonden voor zover de aangenomen (meer)werkzaamheden niet door Casmond zijn uitgevoerd, althans subsidiair dat [appellant] onverschuldigd heeft betaald voor de niet verrichte (meer)werkzaamheden, althans dat Casmond zich voor de niet-uitgevoerde werkzaamheden betalingen ongerechtvaardigd heeft verrijkt;
III. Casmond veroordeelt tot (terug)betaling van al hetgeen zij onder het bestreden vonnis aan Casmond heeft betaald alsmede van een bedrag van € 9.391,41, inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente;
IV. Casmond veroordeelt in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente.




5.2
Casmond heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] - uitvoerbaar bij voorraad - in de proceskosten in hoger beroep, inclusief nakosten en met rente.






6De beoordeling


6.1

[appellant] komt met vier grieven op tegen de bestreden beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering.



Wegwijsplicht





6.2
Voordat het hof aan het bespreken van de grieven toekomt overweegt het als volgt. [appellant] heeft zowel bij haar memorie als voorafgaand aan de zitting van het hof een groot aantal (nieuwe) producties in het geding gebracht, waaronder vele pagina’s beslaande conversaties via e-mail en whatsapp en tientallen in close-up genomen foto’s. In haar betoog heeft zij overwegend slechts in algemene bewoordingen naar deze stukken verwezen. De rechtbank heeft [appellant] in het bestreden vonnis (rov. 4.2), met betrekking tot de in eerste aanleg overgelegde producties, al erop gewezen dat het niet de taak is van de rechter om in de overgelegde e-mails en producties zelfstandig op zoek te gaan naar eventuele aanknopingspunten voor de onderbouwing van de vordering van [appellant] . De eisen van een goede rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige manier moet doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren. Dat betekent dat als [appellant] van mening is dat bepaalde overgelegde stukken de juistheid van haar stellingen aantonen, zij daarnaar op concrete en niet voor misverstand vatbare manier moet verwijzen. De hof zal daarom geen rekening houden met de producties waarbij [appellant] dat heeft nagelaten.



Nakoming van de aanneemovereenkomst





6.3

Grief 1 richt zich tegen het afwijzen van de vordering van [appellant] inzake volgens [appellant] door Casmond niet of niet-deugdelijk uitgevoerde werkzaamheden. Het gaat daarbij om werkzaamheden uit hoofde van de aanneemovereenkomst van 23 maart 2021 en de meerwerkovereenkomst van 21 juni 2021 (hierna gezamenlijk: de aanneemovereenkomst), met uitzondering van de werkzaamheden aan de badkamer (die onderwerp zijn van grief 3).



6.4
In eerste aanleg zag deze vordering op terugbetaling van een gedeelte van de aanneemsom ter hoogte van een bedrag van € 2.614,35 (inclusief btw). De met dat bedrag corresponderende werkzaamheden, die Casmond volgens [appellant] niet (deugdelijk) had uitgevoerd, waren opgenomen in een door [appellant] zelf in 2023 opgestelde eindafrekening. Op 25 april 2025, na het bestreden vonnis, heeft [appellant] de aanneemovereenkomst gedeeltelijk ontbonden, voor zover de werkzaamheden volgens haar niet (deugdelijk) door Casmond zijn uitgevoerd. Op grond van deze ontbinding vordert [appellant] in hoger beroep (terug)betaling van een bedrag van € 8.157,88 (inclusief btw) inzake de volgende niet (deugdelijk) door Casmond uitgevoerde werkzaamheden: sloopwerk, deuren en hang- en sluitwerk, tegelwerk en afmontage van het sanitair in de toiletten op de begane grond en op de bovenverdieping, plinten en kozijnbetimmering, verwarmingsinstallaties en elektra. Daarnaast vordert [appellant] , bij wijze van vergoeding van de door de opzegging door haar geleden schade, ook een bedrag van € 3.822,62 (inclusief btw) inzake de kosten van het opnieuw sausen van muren, mozaïektegels, een buis kastenkamer en aluminiumslang.



6.5
Casmond heeft gemotiveerd betwist dat zij is tekortgeschoten.



Verzuim





6.6
Als meest verstrekkende verweer heeft Casmond aangevoerd dat zij niet schadeplichtig is, omdat zij met betrekking tot de nakoming van haar verplichtingen uit het ontbonden deel van de aanneemovereenkomst niet in verzuim is geraakt. Dit betoog slaagt, om de hierna te noemen redenen.



6.7

[appellant] heeft in de eerste plaats gesteld dat zij Casmond schriftelijk in gebreke heeft gesteld, waarbij zij heeft gewezen op specifieke aspecten waarin Casmond is tekortgeschoten en waarin zij aan Casmond een redelijke termijn heeft geboden om dit deel van de aanneemovereenkomst alsnog na te komen. Het dossier bevat een dergelijke ingebrekestelling echter niet. Weliswaar heeft [appellant] in algemene zin verwezen naar een groot aantal door haarzelf opgestelde (lange) gespreksverslagen en e-mails uit 2021 en 2022, maar zonder nadere toelichting van [appellant] , die zij niet heeft gegeven, kan daaruit hoogstens worden afgeleid dat partijen in deze periode regelmatig hebben gesproken en gecorrespondeerd over de (voortgang van de) werkzaamheden. Dat [appellant] daarover ook wel haar ongenoegen heeft geuit maakt niet dat in deze correspondentie een ingebrekestelling besloten ligt. Dat geldt ook voor de brieven die op 21 april 2022, 8 maart 2023 en 20 mei 2023 door de advocaat van [appellant] aan Casmond zijn verzonden (zie 3.4, 3.12 en 3.13). Voor zover daaruit al zou kunnen worden opgemaakt dat [appellant] vindt dat Casmond nog werkzaamheden moet verrichten (anders dan aan de badkamer, waar bij de bespreking van grief 3 nader op zal worden ingegaan), zijn deze brieven te algemeen en onvoldoende concreet om daaruit op te kunnen maken om welke werkzaamheden het gaat.



6.8

[appellant] heeft verder aangevoerd dat zij uit de gedragingen van Casmond heeft mogen afleiden dat deze in de nakoming van de overeenkomsten tekort zou schieten en dat verzuim daarom zonder ingebrekestelling is ingetreden (artikel 6:83 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Dat zou, aldus [appellant] , volgen uit de correspondentie en het feitelijk gedrag van Casmond, erin uitmondend dat Casmond na mei 2023 geen werkzaamheden meer heeft verricht. Dit betoog slaagt niet. Uit de e-mail van de advocaat van [appellant] van 20 mei 2023 aan Casmond (zie 3.13) volgt dat [appellant] niet langer aanspraak maakte op nakoming van de overeenkomsten. Dat Casmond vervolgens geen werkzaamheden meer heeft verricht kan haar daarom niet worden tegengeworpen. Voor de in algemene termen gestelde verwijzing naar de correspondentie geldt wat hiervoor onder 6.2 werd overwogen.



6.9
Aan de e-mail van 23 mei 2022 van Casmond waar [appellant] op wijst komt in dit verband geen betekenis toe. Casmond schrijft daarin weliswaar geen werkzaamheden meer te zullen verrichten, maar vast staat dat zij deze e-mail heeft geschreven als reactie op het verzoek van [appellant] om de werkzaamheden te staken totdat DEKRA de badkamer had opgenomen. Daarna heeft Casmond tot 20 mei 2023 weer werkzaamheden verricht.



6.10
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Casmond met betrekking tot de nakoming van haar verplichtingen uit de aanneemovereenkomst niet in verzuim is geraakt. Dat betekent dat [appellant] de aanneemovereenkomst niet rechtsgeldig heeft kunnen ontbinden. De op de ontbinding gebaseerde vorderingen zullen daarom worden afgewezen.



6.11
Het (subsidiaire) beroep van [appellant] op onverschuldigde betaling, dan wel ongerechtvaardigde verrijking wordt afgewezen omdat dit door [appellant] niet van een toereikende motivering is voorzien.



6.12
Het voorgaande betekent dat grief 1 faalt.



De betalingsverplichtingen op grond van de aanneemovereenkomst





6.13
Met Grief 2 komt [appellant] op tegen het (gedeeltelijk) toewijzen van de reconventionele vordering van Casmond en tegen het daaraan door de rechtbank ten grondslag gelegde oordeel over de betalingsverplichting van [appellant] op grond van de aanneemovereenkomst en het door haar al aan Casmond betaalde bedrag. Deze grief slaagt gedeeltelijk. Het hof licht dit als volgt toe.



6.14
Vast staat dat de oorspronkelijke aanneemsom € 25.446,13 (inclusief btw) bedraagt en het meerwerk € 2.614,81 (inclusief btw) (zie 3.2 en 3.3). In totaal is dat € 28.060,94. In de loop van de procedure in eerste aanleg zijn partijen het eens geworden dat hierop twee posten in mindering moeten worden gebracht: het afmonteren van het sanitair (een bedrag van € 852,70, inclusief btw) en de "verrekenbare post voor tegels/voegmateriaal" (€ 750,20, inclusief btw). Vast staat ook dat Casmond een bedrag van € 22.047,29 inzake de aanneemsom aan [appellant] heeft gefactureerd in drie facturen, die door [appellant] zijn betaald.



6.15
Op grond van het voorgaande heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] het na aftrek van deze bedragen resterende bedrag van (€ 28.060,94 - € 852,70 - € 750,20 - € 22.047,29 =) € 4.410,75 (inclusief btw) nog aan Casmond diende te betalen en de vordering in reconventie tot dit bedrag toegewezen.



6.16
Ter zitting van het hof zijn partijen het echter eens geworden dat de aanneemsom nog moet worden verminderd met een bedrag van € 921,83 (inclusief btw) voor door [appellant] zelf gekochte binnendeuren. Het in reconventie toegewezen bedrag van € 4.410,75 moet daarom met € 921,83 worden verminderd. In zoverre slaagt de grief.



6.17
In hoger beroep heeft [appellant] zich nog op het standpunt gesteld dat ook het bedrag van een vierde factuur die Casmond aan [appellant] heeft verstuurd in mindering had moeten worden gebracht op de (resterende) aanneemsom. Dit betoog slaagt niet. [appellant] doelt op de factuur “voor tegels en een wandcloset” van 11 mei 2021, die door Casmond is gecorrigeerd door middel van een op 7 juni 2021 verstuurde creditnota. De factuur bedroeg na correctie € 3.103,92 (inclusief btw). Hiervan is € 2.832,21 door [appellant] betaald. Anders dan [appellant] meent zijn de tegels waar deze factuur op ziet echter geen onderdeel van de aanneemsom en het door [appellant] betaalde bedrag van € 2.832,21 valt daar dan ook buiten. Weliswaar is in de aanneemovereenkomst een "verrekenbare post voor tegels/voegmateriaal" opgenomen (van in totaal € 750,20) maar, zoals hierboven (6.14) is overwogen, is de aanneemsom al met dit bedrag verminderd.



6.18

[appellant] heeft verder nog betoogd dat deze vierde factuur ook ziet op een toiletpot die wel binnen de aanneemsom valt. Dit argument is zodanig laat (ter zitting in hoger beroep) naar voren gebracht, dat daarover geen volwaardig debat heeft kunnen plaatsvinden. Het betoog is bovendien door [appellant] niet geadstrueerd. Niet is duidelijk geworden of de toiletpot in kwestie in de aanneemsom is begrepen of daarbuiten valt. Het hof gaat daarom aan dit standpunt voorbij.



6.19
Voor zover [appellant] tenslotte nog heeft willen betogen dat een door haar voor de aanschaf van badkamertegels rechtstreeks aan de tegelleverancier betaald bedrag van € 1.233,52 in mindering moet worden gebracht op de aanneemsom omdat zij dat bedrag ook aan Casmond heeft betaald, wordt zij daarin evenmin gevolgd. De dubbele betaling is door Casmond betwist en [appellant] heeft daarvan geen bewijs overgelegd of voldoende concreet aangeboden.



De badkamer





6.20

Grief 3 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] onvoldoende heeft aangevoerd voor haar stelling dat Casmond toerekenbaar tekort is geschoten bij het werk aan de badkamer. Ook is de grief gericht tegen het afwijzen door de rechtbank van de door [appellant] gevorderde vervangende schadevergoeding. De grief slaagt gedeeltelijk, om de volgende redenen.



6.21
Vast staat dat de badkamer niet is afgemaakt en niet is opgeleverd door Casmond. Casmond heeft betwist dat zij daarmee tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en daarvoor verschillende argumenten aangevoerd, die er in de kern op neerkomen dat de tekortkoming niet aan haar kan worden toegerekend, omdat het aan [appellant] en door haar ingeschakelde derden is te wijten dat de badkamer niet is opgeleverd (artikel 6:74 en 7:760 lid 2 BW). [appellant] heeft dit gemotiveerd betwist.



6.22
Artikel 6:74 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. Artikel 7:760 lid 2 BW bepaalt dat wanneer de ondeugdelijke uitvoering van het werk is te wijten is aan gebreken of ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever, de gevolgen daarvan voor rekening van de opdrachtgever komen. Voor een geslaagd beroep op artikel 7:760 lid 2 BW is vereist dat de aannemer niet zijn in artikel 7:754 BW bedoelde waarschuwingsplicht heeft geschonden of anderszins met betrekking tot de betreffende gebreken in deskundigheid of zorgvuldigheid tekort is geschoten. Op grond van artikel 7:754 BW moet de aannemer, als hij begrijpt of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat sprake is van een fout in de opdracht, dan wel van een gebrek of ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever, de opdrachtgever wijzen op de fout of het gebrek/de ongeschiktheid en hem waarschuwen voor mogelijke consequenties. Het is aan de aannemer om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de ondeugdelijke uitvoering is te wijten aan gebreken of ongeschiktheid van zaken die afkomstig zijn van de opdrachtgever en dat hij heeft voldaan aan de vereiste deskundigheid en zorgvuldigheid.



6.23
Casmond heeft in de eerste plaats gesteld dat de badkamer niet goed was voorbereid door de personen die [appellant] daarvoor had ingeschakeld. Deze derden hadden de muren niet goed gestuct en niet voor een haakse ruimte gezorgd, waardoor de door Casmond aangebrachte muurtegels niet op elkaar aansluiten en een aantal tegels is gebarsten.



6.24
Nu uit de stellingen van Casmond zelf volgt dat zij heeft geconstateerd dat de badkamer niet haaks was, waardoor het aangebrachte tegelwerk onvoldoende op elkaar aansloot, geldt naar het oordeel van het hof dat Casmond niet tot het betegelen van de badkamer had moeten overgaan en [appellant] had moeten waarschuwen dat de badkamerwand niet geschikt was om te worden betegeld. Casmond heeft weliswaar gesteld dit met [appellant] besproken te hebben, waarna [appellant] zou hebben geaccepteerd dat de tegels niet zouden aansluiten, maar dat standpunt, dat door [appellant] is betwist, is door Casmond niet onderbouwd met bijvoorbeeld een verwijzing naar correspondentie of gespreksverslagen. Zij heeft daarvan ook niet specifiek bewijs aangeboden. Dat leidt tot de conclusie dat Casmond met betrekking tot de ongeschiktheid van de badkamerwand niet aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan.



6.25
Casmond heeft ook gesteld dat het door derden in opdracht van [appellant] aangebrachte stucwerk in de badkamer gebrekkig was, waardoor daarop gezette tegels scheurden. [appellant] heeft dit betwist. Zelfs als Casmond zou worden gevolgd in haar standpunt, leidt dat niet tot de conclusie dat Casmond geen verwijt treft dat de badkamer niet is afgemaakt en opgeleverd. Vast staat immers dat Casmond de gescheurde tegels heeft vervangen.



6.26
In de derde plaats heeft Casmond betoogd dat [appellant] of anderen die in haar opdracht in de badkamer aanwezig waren, daar beschadigingen hebben veroorzaakt. Niet in geschil is dat [appellant] een aantal maanden nadat Casmond de tegels heeft aangebracht, deze op enig moment heeft schoongemaakt. Ook staat vast dat de klusjesman van [appellant] en anderen wel eens werkzaamheden hebben verricht in de badkamer. Dat zij daarbij beschadigingen hebben veroorzaakt, wat door [appellant] is betwist, is door Casmond echter niet bewezen of voldoende specifiek te bewijzen aangeboden. Casmond heeft weliswaar verwezen naar een verklaring van een van haar medewerkers, maar deze verklaart alleen dat hij met zijn baas heeft gesproken over de beschadigingen. Ook verklaart hij dat hij zelf heeft “opgemerkt” dat er meerdere personen in de badkamer aan het werk zijn geweest, maar niet dat hij heeft waargenomen dat daarbij door hen schade is veroorzaakt, laat staan schade van een zodanige omvang dat niet meer van Casmond kon worden gevergd de badkamer af te maken en op te leveren.



6.27
Ten slotte heeft Casmond gesteld dat zij al medio 2021 aan [appellant] heeft gevraagd door te geven wat de door haar gewenste kleur van de voegen van de wandtegels was, maar dat [appellant] dat pas op 21 april 2022 heeft gedaan waardoor Casmond geen verwijt treft dat er niet is gevoegd. Dit standpunt is echter niet te rijmen met de e-mail van Casmond van 30 april 2022 (zie 3.5), waarin zij aan [appellant] laat weten dat de kleur wit “akkoord” is. Niet valt in te zien waarom Casmond vervolgens in de maanden tussen deze e-mail en het einde van haar werkzaamheden meer dan een jaar later, in mei 2023, niet alsnog de door haar aangebrachte tegelwand heeft kunnen voegen.



6.28
Het hof komt op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat Casmond zich niet met succes kan beroepen op artikel 7:760 lid 2 BW. Andere feiten en omstandigheden op grond waarvan het niet afmaken van de badkamer niet aan Casmond zou kunnen worden toegerekend zijn door haar niet gesteld en evenmin is daarvan gebleken. Dat betekent dat Casmond wat betreft de badkamer is tekortgeschoten in de nakoming van de aanneemovereenkomst.



Casmond moet schade vergoeden





6.29
Of Casmond aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade hangt in de eerste plaats af van het antwoord op de vraag of zij in verzuim was. Dat was naar het oordeel van het hof hier wél het geval.



6.30
Bij de brief van 21 april 2022 (zie 3.4) en de e-mail van 12 december 2022, waarmee het DEKRA-rapport aan Casmond werd toegestuurd (zie 3.8), heeft de advocaat van [appellant] Casmond gewezen op de werkzaamheden aan de badkamer die volgens [appellant] niet of onvoldoende waren uitgevoerd en een termijn gesteld voor het alsnog uitvoeren van deze werkzaamheden. In reactie op de e-mail van 12 december 2022 heeft Casmond op 19 december 2022 (zie 3.9) en 22 februari 2023 (zie 3.11), bij monde van haar advocaat, aan [appellant] bericht dat zij, samengevat, enkel nog de werkzaamheden wilde afronden waarvoor zij zichzelf verantwoordelijk achtte. Niet in geschil is dat het daarbij ging om een (klein) deel van de werkzaamheden die volgens [appellant] nog moesten worden uitgevoerd.



6.31
Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] daarom uit de genoemde berichten van 19 december 2022 en 22 februari 2023 van Casmond kunnen afleiden dat deze met betrekking tot de badkamer in de nakoming van de aanneemovereenkomst zou tekortschieten. Dat betekent dat Casmond in ieder geval op 22 februari 2023 in verzuim is komen te verkeren. [appellant] heeft daarom bij brief van 20 mei 2023 (zie 3.13) haar vordering tot nakoming kunnen omzetten in een vordering tot vervangende schadevergoeding.



Berekening van de hoogte van de schade





6.32
Bij het vaststellen van de hoogte van de schade zal het hof de berekening van DEKRA als uitgangspunt nemen. Hoewel partijen van mening verschillen over de vraag voor wiens rekening de daarin opgenomen posten moeten komen, staat niet ter discussie dat dit rapport een overzicht geeft van de werkzaamheden die nog aan de badkamer uitgevoerd moesten worden. Ook neemt het hof als uitgangspunt dat, op grond van wat daarover hiervoor is overwogen, het herstel van de schade aan de betegeling van de badkamermuren voor rekening van Casmond moet komen. De badkamervloer is geen onderwerp van dit geschil en voor zover de berekeningen van DEKRA daarop betrekking hebben komen deze kosten niet voor vergoeding door Casmond in aanmerking. Tenslotte houdt het hof bij het schatten van de schade rekening met het feit dat stucwerk en afkitten geen onderdeel waren van de aanneemovereenkomst en dat er geen aanleiding is om de door DEKRA meegenomen kosten van (het installeren van) een nieuw bad of van niet in de oorspronkelijke aanneemovereenkomst opgenomen voorzieningen voor rekening van Casmond te laten komen.



6.33
Het hof zal met inachtneming van het voorgaande de schade inzake de herstelwerkzaamheden aan de badkamer schattenderwijs vaststellen op de helft van het door DEKRA berekende bedrag, wat neerkomt op € 6.217,26, inclusief btw. Deze verdeling maakt het hof ook voor de expertisekosten van DEKRA (€ 2.620,65), wat betekent dat het hof daarvan een bedrag van € 1.310,33 zal toewijzen.



6.34
De door [appellant] gevorderde wettelijke rente over de toegekende schadevergoeding is toewijsbaar met ingang van 22 februari 2023. Casmond was met ingang van deze datum in verzuim. Over het bedrag aan deskundigenkosten is de rente toewijsbaar vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, zoals gevorderd.



6.35
Voor zover [appellant] heeft willen betogen dat ook de kosten van het sausen van muren, (nieuwe) mozaïektegels en de buis van de kastenkamer en de aluminiumslang als schade tengevolge van het niet opleveren van de badkamer zou moeten worden vergoed, wordt zij daarin niet gevolgd omdat dit standpunt niet voldoende is gemotiveerd.



6.36

Grief 4 heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft dus geen bespreking.



Klachtplicht





6.37
Het beroep dat Casmond in eerste aanleg bij de rechtbank heeft gedaan op de klachtplicht slaagt niet. [appellant] heeft geklaagd voor de oplevering en voordat de overeenkomst van partijen tot een einde kwam. Naar het oordeel van het hof was zij daarom op tijd met haar klacht.



Buitengerechtelijke kosten





6.38
De door [appellant] gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Het is voldoende aannemelijk geworden dat deze kosten zijn gemaakt. Zij zullen worden berekend over het toe te wijzen bedrag en bedragen dan € 751,38.



Bewijslevering





6.39
Voor bewijslevering is geen plaats omdat niet voldoende specifiek bewijs is aangeboden van concrete feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden.



Slotsom





6.40
De slotsom is dat de grieven van [appellant] gedeeltelijk slagen. Het vonnis van de rechtbank zal om doelmatigheidsredenen in zijn geheel worden vernietigd en de vorderingen van partijen zullen als volgt worden toegewezen. De door [appellant] ingestelde vordering tot terugbetaling van het bedrag dat zij uit hoofde van het bestreden vonnis aan Casmond heeft betaald, is toewijsbaar voor zover [appellant] meer heeft betaald dan waarop Casmond op grond van dit arrest recht heeft.



Proceskosten





6.41
Omdat partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep tussen hen worden gecompenseerd.






7De beslissing


Het hof



vernietigt het vonnis waarvan beroep;



en opnieuw rechtdoende:



veroordeelt Casmond om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 6.217,26, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 22 februari 2023 tot aan de dag van voldoening;



veroordeelt Casmond om aan [appellant] te betalen bedragen van € 1.310,33 en € 751,38, beide vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van 17 oktober 2023 tot aan de dag van voldoening;



veroordeelt [appellant] om aan Casmond te betalen een bedrag van € 3.488,92, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 17 januari 2024 tot aan de dag van voldoening;



compenseert de proceskosten van het geding in beide instanties aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;



veroordeelt Casmond om aan [appellant] te terug te betalen hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan Casmond meer heeft betaald dan waarop deze op grond van dit arrest recht heeft, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betaling door [appellant] tot aan de dag van algehele terugbetaling;



verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



wijst af het meer of anders gevorderde.




Dit arrest is gewezen door mrs. G.J.W. Pulles, J.C.W. Rang en E.K. Veldhuijzen van Zanten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.