Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2026:1685

2026-06-23 Strafrecht 000053-26 (530 Sv)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-06-23
Publicatiedatum
2026-06-23
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
000053-26 (530 Sv)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

beschikking verzoekschrift 530 Sv, kosten rechtsbijstand, kilometervergoeding

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.130 tekens)
beschikking



















GERECHTSHOF AMSTERDAM






afdeling strafrecht
rekestnummer: 000053-26 (530 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 13/041424-25




Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 1 oktober 2025 met raadkamernummer 25/018857 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:





[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. R.I. Takens,
Achillesstraat 79, 1076 PX Amsterdam.






1Procesverloop


Het hoger beroep is op 22 oktober 2025 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).



De advocaat-generaal heeft vooraf aan de raadkamer schriftelijk haar standpunt kenbaar gemaakt.



Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 20 mei 2026 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen.






2Inhoud van het verzoek


Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:



kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 3.818,28;


kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 680,00.




In hoger beroep is het verzoek aangevuld met het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:

kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,00.





3Beoordeling


Het hoger beroep is tijdig ingesteld.



Het inleidende verzoek is tijdig ingediend.



De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.



Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.



Ten aanzien van het onder a verzochte heeft de rechtbank als volgt overwogen:




“De rechtbank is bevoegd en het verzoek is tijdig ingediend.





De opgegeven kosten worden onderbouwd door de overgelegde urenspecificatie(s) en declaratie(s). Zij komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking als de kosten die door verzoeker gemaakt zijn ten behoeve van rechtsbijstand. De in rekening gebrachte kosten komen de rechtbank in hun geheel ook niet als in het oog springend bovenmatig voor.





Voor wat betreft de blijkens de overgelegde urenspecificatie(s) en declaratie(s) door de raadsman aan verzoeker in rekening gebrachte kosten voor reizen, overweegt de rechtbank met het oog op de beschikkingen met rekestnummers 000250-25 en 000252-25 van het gerechtshof Amsterdam van 23 september 2025 als volgt.





De lijn van het gerechtshof Amsterdam ten aanzien van de hier te vergoeden kosten is duidelijk en bevestigt het standpunt van de raadsman. Met de raadsman is op zitting al besproken dat binnen deze rechtbank eerder intern overleg heeft plaatsgevonden over deze lijn van het gerechtshof en dat daar toen uit is gekomen dat deze rechtbank desalniettemin wenst vast te houden aan wat landelijk (het meest) gebruikelijk is in vergelijkbare gevallen, te weten dat een vergoeding voor reiskosten wordt toegekend die is gemaximeerd op € 0,30 per kilometer. Navraag intern leert dat de beschikkingen van 23 september 2025, hoe duidelijk en consistent ook. daar nog steeds geen verandering in brengen. Het verzoek zal daarom ook in deze zaak worden toegewezen op grond van de gemaximeerde vergoeding en niet op grond van de daadwerkelijk in rekening gebrachte kosten.”




De rechtbank heeft het verzoek onder a vervolgens toegewezen tot een bedrag van € 3.805,76.



Het hof overweegt als volgt.



Door appellant wordt verzocht om toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand. Grondslag voor dit verzoek is artikel 530, tweede lid, Sv. Ten aanzien van die kosten van rechtsbijstand heeft het hof eerder overwogen dat wat betreft de hoogte van de toe te kennen vergoeding de rechter niet gebonden is aan de door de raadslieden opgestelde declaraties, ook niet indien deze zijn voorzien van een gedetailleerde urenspecificatie. De in de jurisprudentie daarvoor gebezigde formulering dat dergelijke declaraties niet meer zijn dan een uitgangspunt, brengt tot uitdrukking dat de rechter de ruimte heeft daarvan – in matigende zin – af te wijken indien en voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. De schadevergoedingsrechter dient, gezien het recht op vrije advocatenkeuze, terughoudend te zijn bij de toetsing van tussen de cliënt en de raadslieden gemaakte afspraken. Een en ander heeft tot een min of meer bestendige lijn in de jurisprudentie van de gerechtshoven geleid, die erop neer komt dat van de declaraties van de betrokken rechtsbijstandverleners kan worden afgeweken indien deze, bijvoorbeeld wat betreft het aantal ingeschakelde rechtsbijstandverleners, de hoeveelheid in rekening gebrachte uren of de gehanteerde uurtarieven, alle omstandigheden en belangen in aanmerking genomen, ‘in het oog springend bovenmatig’ zijn (gerechtshof Leeuwarden 3 februari 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010: BL8539; gerechtshof Amsterdam 28 mei 2014, ECLI:NLGHAMS:2014:2466).



Blijkens de declaratie die appellant van zijn raadsman heeft ontvangen is vanwege reiskosten 22 km à
€ 0,77 ex btw in rekening gebracht. Blijkens de toelichting van de advocaat is dit een standaard gehanteerde kilometervergoeding die het kantoor thans hanteert, welk standaardbedrag gebaseerd is op de werkelijke autokosten en met welke standaard reiskostenvergoeding appellant vooraf heeft ingestemd.



Het hof is van oordeel dat de verzochte reiskostenvergoeding – gegeven voornoemde toelichting - niet in het oog springend bovenmatig is, zodat ook dit deel van de gevraagde vergoeding voor toewijzing gereed ligt.



Dit is ook in overeenstemming met de binnen het Landelijk overleg vakinhoud strafrecht (LOVS) gemaakte afspraken, te weten dat de declaraties van advocaten ten aanzien van reiskosten, reistijd en wachttijd gemaakt in het kader van de behandeling van strafzaken, die zonder oplegging van straf of maatregel zijn geëindigd – tenzij deze onredelijk hoog voorkomen – integraal worden vergoed.



Het hof zal de beschikking waarvan beroep daarom vernietigen en opnieuw recht doen.



Met de advocaat-generaal acht het hof gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor:



de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 3.818,28;


de kosten van rechtsbijstand in deze verzoekschriftprocedure met voornoemd rekestnummer in eerste aanleg tot een bedrag van € 680,00;


de kosten van rechtsbijstand in deze verzoekschriftprocedure met voornoemd rekestnummer in hoger beroep tot een bedrag van € 340,00.






Verrekening




Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde in raadkamer is gebleken dat de onderstaande geldsommen die appellante verschuldigd is aan de Staat vatbaar is voor verrekening overeenkomstig artikel 534, lid 3 Sv. Het hof zal deze aan de Staat verschuldigde geldsommen daarom verrekenen met het thans toegewezen bedrag onder a.




[nummer 1] (strafzaak 16/307881-24, onherroepelijk18 juni 2025) € 327,20;

[nummer 2] (strafzaak 96/115958-22, onherroepelijk 28 maart 2023) € 463,80.







4Beslissing


Het hof:



Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.



Wijst het verzochte toe.



Kent aan appellant een vergoeding toe van € 4.838,28 (vierduizend achthonderdachtendertig euro en achtentwintig cent).



Bepaalt de verrekening als hiervoor weergegeven.



Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.




Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.W.T. Klappe, D. Radder en E.J. Hofstee in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is bij afwezigheid van de griffier alleen ondertekend door de voorzitter en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 23 juni 2026.










De voorzitter beveelt:



de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van:

- € 327,20 ( driehonderdzevenentwintig euro en twintig cent) op bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] CJIB o.v.v. [nummer 1] ;
- € 463,80 ( vierhonderddrieënzestig euro en tachtig cent) op bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] CJIB o.v.v. [nummer 2] ;
- € 4.047,28 ( vierduizend zevenenveertig euro en achtentwintig cent) op bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] Stichting Derdengelden Takens Admiraal Advocaten o.v.v. [nummer 3] .


Amsterdam, 23 juni 2026,







mr. A.W.T. Klappe, voorzitter.