Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2024:706
2024-03-19
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.320.557/01 en 200.320.560/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tijdelijke zorgregeling. Onderzoek raad. Verzoek partneralimentatie aangehouden tot nadere zitting, omdat de vrouw zich onvoldoende op de vermeerdering van het verzoek heeft kunnen voorbereiden. Verzoeken ten aanzien van kinderalimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden eveneens aangehouden. Tussenuitspraak ECLI:NL:GHAMS:2025:2164 ECLI:NL:GHAMS:2025:1240 ECLI:NL:GHAMS:2024:2795 Eiduitspraak ECLI:NL:GHAMS:2026:1851
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.001 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Zaaknummers: 200.320.557/01 en 200.320.560/01
Zaaknummers rechtbank: C/13/705046 / FA RK 21-4571 en C/13/715942 / FA RK 22-2081
Beschikking van de meervoudige kamer van 19 maart 2024 inzake
[de man] ,
wonende te [plaas A] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. A. Krim te Haarlem,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaas A] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.D. Leuftink te Amsterdam.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt na te noemen minderjarigen:
- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );
- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] );
- [minderjarige 3] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ).
In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna te noemen: de raad.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 20 september 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
2.1
De man is op 19 december 2022 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van voornoemde beschikking van 20 september 2022.
2.2
De vrouw heeft op 22 februari 2023 een verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De man heeft op 3 april 2023 een verweerschrift op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een vermeerdering van het verzoek in hoger beroep van de man van 4 januari 2024, met bijlagen;
- een bericht van de vrouw van 18 januari 2024;
- een bericht van de man van 23 januari 2024;
- een bericht van de vrouw van 2 februari 2024, met bijlagen.
2.5
De oudste raadsheer heeft voorafgaand aan de zitting met de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen) gesproken. De oudste raadsheer heeft op de zitting in hoger beroep de inhoud van deze gesprekken kort en zakelijk samengevat.
2.6
De mondelinge behandeling heeft op 15 februari 2024 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.
2.7
De man heeft op 4 januari 2024 zijn verzoek vermeerderd en verzocht de partneralimentatie te beëindigen, daartoe stellende dat de vrouw met haar partner samenwoont als waren zij gehuwd op grond van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering van het verzoek van de man, gelet op de twee-conclusieregel en omdat hij dit eerst in hoger beroep aan de orde heeft gesteld, waardoor de vrouw een feitelijke instantie mist.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling is aan de advocaten meegedeeld dat tijdens de mondelinge behandeling zal worden beslist over de toelaatbaarheid van de vermeerdering van het verzoek.
Het hof heeft ter zitting in hoger beroep - nadat partijen hun standpunten hieromtrent nader toegelicht hebben - beslist dat de vermeerdering van het verzoek van de man, te weten het beroep op artikel 1:160 BW, toelaatbaar is, daartoe overwegende dat op de twee-conclusieregel een uitzondering kan gelden wegens de bijzondere aard van een procedure, zoals de hier aan de orde zijnde alimentatieprocedure. Verder heeft het hof overwogen dat het Nederlands recht niet de regel kent dat een partij, in een geval als het onderhavige, recht heeft op een beoordeling in twee feitelijke instanties.
Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de vrouw zich onvoldoende op deze vermeerdering van het verzoek heeft kunnen voorbereiden, mede gelet op het grote aantal overgelegde producties (34). Om die reden heeft het hof het verzoek van de man ten aanzien van de partneralimentatie, waarop zijn grieven 3 tot en met 8 zien, alsmede de vermeerdering van zijn verzoek, aangehouden en bepaald dat deze op een aparte zitting zullen worden behandeld. Deze zitting is inmiddels bepaald op vrijdag 24 mei 2024 om 14.00 uur.
2.8
De man heeft daarnaast op 5 februari 2024 een brief met bijlagen 83 tot en met 160 met daarbij een toelichting op deze producties ingediend.
Tegen indiening van deze brief heeft de vrouw bezwaar gemaakt vanwege strijd met de goede procesorde, daartoe stellende dat zij onvoldoende tijd heeft gehad zich hierop voor te bereiden en bovendien geen mogelijkheid meer heeft gehad om schriftelijk te reageren. Gelet op de grote hoeveelheid zijn de producties niet eenvoudig te doorgronden. Deze stukken hadden bovendien volgens de vrouw eerder kunnen worden ingediend dan eerst op de elfde dag voor de mondelinge behandeling. De vrouw leest in het productieoverzicht daarnaast stellingen en gevolgtrekkingen, wat feitelijk niet een korte toelichting betreft op de overgelegde producties maar in strijd komt met de twee-conclusieregel.
Het hof heeft partijen voorafgaand aan de mondelinge behandeling bericht dat de brief van 5 februari 2024 met de producties 83 tot en met 160 en de toelichting op deze producties vooralsnog buiten beschouwing zal worden gelaten, gelet op de omvang van de stukken en het tijdstip van indiening.
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten. De advocaat van de man heeft ter zitting aangevoerd dat de stukken tijdig zijn ingediend, overeenkomstig het procesreglement alsmede dat zij deze stukken niet eerder heeft kunnen indienen, omdat zij deze stukken niet eerder in haar bezit had. De datering van de stukken betekent bovendien niet dat de man deze stukken ook al die tijd in zijn bezit heeft gehad. Veel stukken heeft hij moeten opvragen of zoeken. Het betreffen bovendien geen ingewikkelde stukken en het zijn veel foto’s van de woonark van de vrouw. De man is van mening dat dit geen strijd oplevert met de goede procesorde en dat de vrouw zich voldoende heeft kunnen voorbereiden. Als het hof de stukken niet toestaat, dan wordt de man in zijn procesbelang geschaad.
Het hof heeft vervolgens ter zitting in hoger beroep beslist dat de brief, met producties 83 tot en met 160, alsmede de toelichting op de producties als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing wordt gelaten, omdat deze producties omvangrijk en niet eenvoudig te doorgronden zijn en bovendien zonder noodzaak op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn ingekomen ter griffie van het hof. Voor zover deze producties echter betrekking hebben op de vermeerdering van het verzoek ex artikel 1:160 BW kunnen deze alsnog (tijdig) door de man worden ingediend, omdat daarvoor, zoals hiervoor is overwogen, een nieuwe zitting is bepaald.
3De feiten
3.1
Partijen zijn [in] 2006 onder het opstellen van huwelijkse voorwaarden gehuwd. Het huwelijk is op 4 januari 2023 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de in zoverre niet bestreden beschikking waarvan beroep, waarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken.
3.2
De man en de vrouw zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2008;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2011;
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2013.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. Bij de in zoverre niet bestreden beschikking waarvan beroep is de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepaald.
3.3
De man heeft de Ierse nationaliteit en de vrouw de Nederlandse nationaliteit.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus bepaald, dat met ingang van 20 september 2022 [minderjarige 1] de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man verblijft en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van woensdag uit school (dan wel 12:00 uur als er geen school is) in week 1 tot vrijdag naar school in de daaropvolgende week 2 (dan wel 12:00 uur als er geen school is) bij de vrouw verblijven en van vrijdag na school (dan wel 12:00 uur als er geen school is) in week 2 tot woensdagochtend naar school (dan wel 12:00 uur als er geen school is) in week 1 bij de man verblijven. Daarnaast is een concrete verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte vastgesteld. Deze beslissing is gegeven op verzoek van de man een co-ouderschap vast te stellen, in die zin dat de kinderen de ene week bij de ene ouder verblijven en de andere week bij de andere ouder. De vrouw heeft verzocht een zorgregeling te bepalen, waarbij de kinderen het merendeel van de tijd bij haar zullen verblijven.
Voorts is, overeenkomstig het verzoek van partijen, bepaald dat de man € 135,- per maand per kind dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna te noemen: kinderalimentatie), met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Daarnaast verstaat de rechtbank, overeenkomstig het verzoek van partijen, dat de man en de vrouw, ieder voor de helft, zullen bijdragen in de kosten van school, sport en muziekles voor de kinderen.
Tevens is bepaald dat de man € 970,- per maand als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (hierna te noemen: partneralimentatie), met ingang van de datum van inschrijving van deze echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw dient te voldoen. Deze beslissing is gegeven op verzoek van de vrouw een door de man te betalen partneralimentatie te bepalen van € 2.500,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De man had verzocht dit verzoek van de vrouw af te wijzen.
Ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat de vrouw met betrekking tot de woonark € 124.591,- aan de man moet voldoen. Verder is bepaald op welke wijze (de saldi op) de (gezamenlijke) bankrekening(en) van partijen moet(en) worden verdeeld. Over de auto’s, motoren, camper, boten en horloges is bepaald dat de man een bedrag van € 100.000,- aan de vrouw moet voldoen. Ten aanzien van de inboedel is bepaald dat partijen om en om een inboedelgoed zullen kiezen, waarbij de vrouw de eerste keuze heeft, zonder nadere verrekening.
In principaal hoger beroep
4.2
De man verzoekt, met gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre en opnieuw rechtdoende:
I. een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen de ene week van maandag uit school tot maandag naar school bij de man zullen verblijven;
II. te bepalen dat de man niet gehouden is de helft van de kosten van school, sport en muziek aan de vrouw te voldoen;
III. (na vermeerdering van zijn verzoek) primair: te bepalen dat de verplichting tot betaling van een partneralimentatie wordt beëindigd met ingang van 4 januari 2024, waarbij de vrouw de reeds ontvangen betalingen dient terug te betalen aan de man;
subsidiair het verzoek van de vrouw om een partneralimentatie vast te stellen, alsnog af te wijzen;
IV. de huwelijkse voorwaarden van 29 mei 2006 te vernietigen, althans artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden te vernietigen, althans te bepalen dat op artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid door de vrouw geen beroep kan worden gedaan, althans te bepalen dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid met elkaar dient te worden afgerekend alsof men in gemeenschap van goederen is getrouwd of althans zoals het hof juist acht;
V. de wijze van verdeling dan wel het te verrekenen vermogen vast te stellen zoals onder de randnummers 42 tot en met 57 (hof: van het beroepschrift) door de man is verzocht, althans zoals het hof juist acht;
VI. te bepalen dat de vrouw binnen één week op eerste verzoek van de man haar medewerking dient te geven aan het laten uitvoeren van een taxatie van de woonark door een door de man ingeschakelde taxateur op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor elke dag dat zij weigert haar medewerking hieraan te verlenen;
VII. bij instandhouding van de huwelijkse voorwaarden:
de verrekening van het vermogen van partijen vast te stellen, zoals onder randnummers 59 tot en met 76 (hof: van het beroepschrift) door de man is verzocht of althans zoals het hof juist acht;
VIII. te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag dient te voldoen van € 2.500,- in het kader van een lening door de man aan de vrouw verstrekt;
IX. te bepalen dat de vrouw binnen drie maanden na het afgeven van de beschikking haar medewerking dient te verlenen aan het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man met betrekking tot de hypothecaire geldlening verbonden aan de woonark.
4.3
De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
4.4
Voor het geval het hof de door de man aan de vrouw verschuldigde verrekenvordering van € 100.000,- (gedeeltelijk) zal vernietigen, verzoekt de vrouw voorwaardelijk de bestreden beschikking partieel te vernietigen en te bepalen dat:
- de man gehouden zal zijn om de helft van de waarborgsom, die door hem is betaald voor de aankoop van de bouwkavel op [plaats] , aan de vrouw te voldoen, ofwel een bedrag van € 3.679,50;
- de man jaarverslagen van zijn eenmanszaak over de jaren 2020, 2021 en 2022 dient te overleggen, waarna het hof de verrekening zal vaststellen. Voor het geval dat niet mogelijk is, verzoekt de vrouw de verrekenvordering aangaande de ondernemingsactiviteiten van de man forfaitair vast te stellen op € 100.000,- op grond waarvan aan de vrouw een bedrag van € 50.000,- toekomt;
- een waardeverrekening dient plaats te vinden met betrekking tot de bij de man in eigendom zijnde elektrische fietsen, althans dat de man gehouden zal zijn om een elektrische fiets aan de vrouw beschikbaar te stellen;
- de wettelijke rente verschuldigd is over de verrekenvordering.
Bij vermeerdering van de verzoeken in hoger beroep verzoekt de vrouw te bepalen dat de man zijn goederen, respectievelijk de goederen van zijn onderneming, binnen 14 dagen na de beschikking dient op te halen uit de schuur van de vrouw gelegen bij de woonark, waarbij hij de schuur ontruimd dient achter te laten, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,-.
4.5
De man heeft verzocht de voorwaardelijke verzoeken van de vrouw in incidenteel hoger beroep af te wijzen, behalve het verzoek ten aanzien van de elektrische fietsen. De man is akkoord met toewijzing van het verzoek om één elektrische fiets aan de vrouw beschikbaar te stellen.
5De motivering van de beslissing
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van de verzochte echtscheiding en de nevenvoorzieningen. Verder is tussen partijen niet in geschil dat Nederlands recht van toepassing is op de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
5.2
Nu de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-bis Verordening rechtsmacht heeft met betrekking tot de in eerste aanleg verzochte en uitgesproken echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen zoals bepaald in artikel 5, lid 1 van de Verordening huwelijksvermogensstelsels.
Op het huwelijksvermogensregime van partijen is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: het Verdrag) van toepassing. Partijen hebben beiden gewezen op de rechtskeuze die zij hebben opgenomen in de akte huwelijkse voorwaarden. Nu partijen in de huwelijkse voorwaarden een rechtskeuze hebben gemaakt voor het Nederlands recht, is Nederlands recht van toepassing op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen.
Zorgregeling
5.3
Bij de bestreden beschikking is een zorgregeling bepaald, waarbij [minderjarige 1] de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man verblijft. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat voor [minderjarige 1] geldt dat zij zelf in overleg met haar ouders zal kunnen afwijken van deze regeling wanneer dat zo uitkomt. Inmiddels is [minderjarige 1] de afgelopen drie maanden niet meer bij de man verbleven, zoals is bepaald in de zorgregeling. In het gesprek met de oudste raadsheer heeft ze aangegeven wel weer naar de man te willen gaan, maar dan via een zorgregeling, waarbij zij twee weken bij de man verblijft en vervolgens twee weken bij de vrouw, en waarbij zij zelf de vrijheid heeft om hiervan af te wijken in overleg met haar ouders.
Bij de bestreden beschikking is ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een zorgregeling bepaald, waarbij zij negen dagen bij de vrouw verblijven en vijf dagen bij de man. [minderjarige 2] verblijft sinds kort de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw.
5.4
De man heeft in grief 1 aangevoerd dat het belang van alle kinderen er om vraagt dat zij een week bij hun vader en een week bij hun moeder verblijven met op maandag na school het overdrachtsmoment. Hij vindt het ook belangrijk dat de kinderen tegelijkertijd bij dezelfde ouder verblijven, zodat zij als gezin samen kunnen opgroeien.
5.5
Volgens de vrouw gaat het niet goed met de kinderen en hebben zij veel last van de echtscheiding. Via Veilig Thuis is inmiddels het Ouder en Kind Team (OKT) betrokken. De vrouw wil vooral een zorgregeling die de kinderen zelf prettig vinden. Ook zij vindt het belangrijk dat de kinderen met elkaar opgroeien. Zij wil vooral rust en regelmaat voor de kinderen.
5.6
Ter zitting in hoger beroep heeft de raad geconstateerd dat beide ouders de kinderen veel te bieden hebben en dat het positief is dat de kinderen beide ouders nog willen zien. Toch zitten de kinderen klem tussen de ouders en hebben zij veel last van de situatie. Op zichzelf is het geen probleem als kinderen in twee (verschillende) werelden en opvoedsituaties leven bij hun ouders, zolang de ouders de kinderen helpen dat te overbruggen. De raad acht het van belang dat de ouders een gezamenlijk ouderschapstraject gaan volgen, dan wel zullen toewerken naar solo parallel ouderschap. Na overleg tussen de raad en de ouders heeft de raad een raadsonderzoek geadviseerd, welk onderzoek zo nodig zal worden uitgebreid naar een beschermingsonderzoek. Ten aanzien van de tijdelijke zorgregeling heeft de raad geadviseerd zoveel mogelijk aan te sluiten bij de huidige situatie, omdat partijen het toch niet eens lijken te zijn over een week-op-week-afregeling voor alle drie de kinderen.
5.7
Beide partijen hebben ter zitting ingestemd met een raadsonderzoek. Het hof heeft partijen daarop voorgehouden dat ook het hof aanleiding ziet de raad te verzoeken een onderzoek te verrichten naar de zorgregeling.
Het hof zal hieronder de raad dan ook verzoeken een onderzoek in te stellen en vervolgens advies uit te brengen over de vraag welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen is.
De raad wordt verzocht het hof omtrent de resultaten van het onderzoek schriftelijk te rapporteren en te adviseren. In afwachting van het raadsonderzoek zal de behandeling van de zaak pro forma worden aangehouden tot zondag 1 september 2024. Het hof zal iedere verdere beslissing omtrent de zorgregeling aanhouden.
5.8
Ter zitting is vervolgens gesproken over een tijdelijke zorgregeling gedurende het raadsonderzoek. De man heeft voorgesteld om, in afwachting van een raadsonderzoek, alle kinderen de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw te laten verblijven. Wanneer deze regeling niet geschikt blijkt te zijn voor [minderjarige 3] , kan in onderling overleg de oude regeling weer gaan gelden.
De vrouw heeft verzocht zoveel mogelijk aan te sluiten bij de huidige situatie.
5.9
De voorzitter heeft ter zitting als beslissing van het hof meegedeeld dat, in afwachting van het raadsrapport, de huidige (feitelijk uitgevoerde) zorgregeling zal blijven gelden, omdat het hof dit het meest in het belang van alle kinderen acht. Dit betekent dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de ene week bij de man verblijven en de andere week bij de vrouw, waarbij voor [minderjarige 1] geldt dat zij, gelet op haar leeftijd, zelf in overleg met haar ouders zal kunnen afwijken van deze regeling wanneer dat zo uitkomt. [minderjarige 3] verblijft negen dagen bij de vrouw en vijf dagen bij de man. Mocht blijken dat [minderjarige 3] ook haar broer en zus wil volgen, dan staat het de ouders vrij daarnaar te handelen. Omdat de huidige zorgregeling van [minderjarige 2] niet overeenkomt met de in de bestreden beschikking bepaalde zorgregeling, zal het hof de bestreden beschikking op dat punt vernietigen.
5.10
Met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is afgesproken dat beide ouders deze tijdelijke zorgregeling met hen zullen bespreken. [minderjarige 1] krijgt hierover een brief van het hof, omdat zij heeft aangegeven liever direct van het hof te willen horen wat de (tijdelijke) zorgregeling zal zijn.
Kinderalimentatie en afwikkeling huwelijkse voorwaarden
5.11
De beslissing op de verzoeken ten aanzien van de kinderalimentatie (200.320.557/01) en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (200.320.560/01) worden eveneens aangehouden. Ter zitting in hoger beroep is de uitspraak ten aanzien van deze verzoeken bepaald op 30 april 2024.
6Beslissing
Het hof:
zaaknummer 200.320.557/01:
ten aanzien van de zorgregeling:
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Amsterdam, een onderzoek te verrichten ter beantwoording van de vraag welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen is;
houdt de behandeling van de zaak pro forma aan tot zondag 1 september 2024 en verzoekt de raad omtrent de resultaten van het onderzoek zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee weken vóór deze datum een schriftelijk rapport met advies uit te brengen en aan het hof te doen toekomen;
bepaalt dat de behandeling van de zaak door de meervoudige kamer zal worden voortgezet op een na ontvangst van het rapport van de raad te bepalen datum, waarvoor partijen, hun advocaten en de raad zullen worden opgeroepen;
vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij een zorgregeling voor [minderjarige 2] is bepaald en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt de tijdelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat met
ingang van heden:
- [minderjarige 2] de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man verblijft;
verklaart de bovenstaande tijdelijke zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing aan;
ten aanzien van de kinderalimentatie:
houdt iedere verdere beslissing aan;
ten aanzien van de partneralimentatie:
houdt aan de beslissing over de partneralimentatie en bepaalt de voortzetting van de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting op vrijdag 24 mei 2024 om 14:00 uur;
zaaknummer 200.320.560/01:
ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden:
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. H.A. van den Berg, en mr. M.C. Schenkeveld, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 19 maart 2024 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Zaaknummers: 200.320.557/01 en 200.320.560/01
Zaaknummers rechtbank: C/13/705046 / FA RK 21-4571 en C/13/715942 / FA RK 22-2081
Beschikking van de meervoudige kamer van 19 maart 2024 inzake
[de man] ,
wonende te [plaas A] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. A. Krim te Haarlem,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaas A] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.D. Leuftink te Amsterdam.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt na te noemen minderjarigen:
- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );
- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] );
- [minderjarige 3] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ).
In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna te noemen: de raad.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 20 september 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2Het geding in hoger beroep
2.1
De man is op 19 december 2022 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van voornoemde beschikking van 20 september 2022.
2.2
De vrouw heeft op 22 februari 2023 een verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De man heeft op 3 april 2023 een verweerschrift op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een vermeerdering van het verzoek in hoger beroep van de man van 4 januari 2024, met bijlagen;
- een bericht van de vrouw van 18 januari 2024;
- een bericht van de man van 23 januari 2024;
- een bericht van de vrouw van 2 februari 2024, met bijlagen.
2.5
De oudste raadsheer heeft voorafgaand aan de zitting met de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen) gesproken. De oudste raadsheer heeft op de zitting in hoger beroep de inhoud van deze gesprekken kort en zakelijk samengevat.
2.6
De mondelinge behandeling heeft op 15 februari 2024 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.
2.7
De man heeft op 4 januari 2024 zijn verzoek vermeerderd en verzocht de partneralimentatie te beëindigen, daartoe stellende dat de vrouw met haar partner samenwoont als waren zij gehuwd op grond van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering van het verzoek van de man, gelet op de twee-conclusieregel en omdat hij dit eerst in hoger beroep aan de orde heeft gesteld, waardoor de vrouw een feitelijke instantie mist.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling is aan de advocaten meegedeeld dat tijdens de mondelinge behandeling zal worden beslist over de toelaatbaarheid van de vermeerdering van het verzoek.
Het hof heeft ter zitting in hoger beroep - nadat partijen hun standpunten hieromtrent nader toegelicht hebben - beslist dat de vermeerdering van het verzoek van de man, te weten het beroep op artikel 1:160 BW, toelaatbaar is, daartoe overwegende dat op de twee-conclusieregel een uitzondering kan gelden wegens de bijzondere aard van een procedure, zoals de hier aan de orde zijnde alimentatieprocedure. Verder heeft het hof overwogen dat het Nederlands recht niet de regel kent dat een partij, in een geval als het onderhavige, recht heeft op een beoordeling in twee feitelijke instanties.
Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de vrouw zich onvoldoende op deze vermeerdering van het verzoek heeft kunnen voorbereiden, mede gelet op het grote aantal overgelegde producties (34). Om die reden heeft het hof het verzoek van de man ten aanzien van de partneralimentatie, waarop zijn grieven 3 tot en met 8 zien, alsmede de vermeerdering van zijn verzoek, aangehouden en bepaald dat deze op een aparte zitting zullen worden behandeld. Deze zitting is inmiddels bepaald op vrijdag 24 mei 2024 om 14.00 uur.
2.8
De man heeft daarnaast op 5 februari 2024 een brief met bijlagen 83 tot en met 160 met daarbij een toelichting op deze producties ingediend.
Tegen indiening van deze brief heeft de vrouw bezwaar gemaakt vanwege strijd met de goede procesorde, daartoe stellende dat zij onvoldoende tijd heeft gehad zich hierop voor te bereiden en bovendien geen mogelijkheid meer heeft gehad om schriftelijk te reageren. Gelet op de grote hoeveelheid zijn de producties niet eenvoudig te doorgronden. Deze stukken hadden bovendien volgens de vrouw eerder kunnen worden ingediend dan eerst op de elfde dag voor de mondelinge behandeling. De vrouw leest in het productieoverzicht daarnaast stellingen en gevolgtrekkingen, wat feitelijk niet een korte toelichting betreft op de overgelegde producties maar in strijd komt met de twee-conclusieregel.
Het hof heeft partijen voorafgaand aan de mondelinge behandeling bericht dat de brief van 5 februari 2024 met de producties 83 tot en met 160 en de toelichting op deze producties vooralsnog buiten beschouwing zal worden gelaten, gelet op de omvang van de stukken en het tijdstip van indiening.
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten. De advocaat van de man heeft ter zitting aangevoerd dat de stukken tijdig zijn ingediend, overeenkomstig het procesreglement alsmede dat zij deze stukken niet eerder heeft kunnen indienen, omdat zij deze stukken niet eerder in haar bezit had. De datering van de stukken betekent bovendien niet dat de man deze stukken ook al die tijd in zijn bezit heeft gehad. Veel stukken heeft hij moeten opvragen of zoeken. Het betreffen bovendien geen ingewikkelde stukken en het zijn veel foto’s van de woonark van de vrouw. De man is van mening dat dit geen strijd oplevert met de goede procesorde en dat de vrouw zich voldoende heeft kunnen voorbereiden. Als het hof de stukken niet toestaat, dan wordt de man in zijn procesbelang geschaad.
Het hof heeft vervolgens ter zitting in hoger beroep beslist dat de brief, met producties 83 tot en met 160, alsmede de toelichting op de producties als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing wordt gelaten, omdat deze producties omvangrijk en niet eenvoudig te doorgronden zijn en bovendien zonder noodzaak op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn ingekomen ter griffie van het hof. Voor zover deze producties echter betrekking hebben op de vermeerdering van het verzoek ex artikel 1:160 BW kunnen deze alsnog (tijdig) door de man worden ingediend, omdat daarvoor, zoals hiervoor is overwogen, een nieuwe zitting is bepaald.
3De feiten
3.1
Partijen zijn [in] 2006 onder het opstellen van huwelijkse voorwaarden gehuwd. Het huwelijk is op 4 januari 2023 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de in zoverre niet bestreden beschikking waarvan beroep, waarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken.
3.2
De man en de vrouw zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2008;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2011;
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2013.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. Bij de in zoverre niet bestreden beschikking waarvan beroep is de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepaald.
3.3
De man heeft de Ierse nationaliteit en de vrouw de Nederlandse nationaliteit.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus bepaald, dat met ingang van 20 september 2022 [minderjarige 1] de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man verblijft en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van woensdag uit school (dan wel 12:00 uur als er geen school is) in week 1 tot vrijdag naar school in de daaropvolgende week 2 (dan wel 12:00 uur als er geen school is) bij de vrouw verblijven en van vrijdag na school (dan wel 12:00 uur als er geen school is) in week 2 tot woensdagochtend naar school (dan wel 12:00 uur als er geen school is) in week 1 bij de man verblijven. Daarnaast is een concrete verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte vastgesteld. Deze beslissing is gegeven op verzoek van de man een co-ouderschap vast te stellen, in die zin dat de kinderen de ene week bij de ene ouder verblijven en de andere week bij de andere ouder. De vrouw heeft verzocht een zorgregeling te bepalen, waarbij de kinderen het merendeel van de tijd bij haar zullen verblijven.
Voorts is, overeenkomstig het verzoek van partijen, bepaald dat de man € 135,- per maand per kind dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna te noemen: kinderalimentatie), met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Daarnaast verstaat de rechtbank, overeenkomstig het verzoek van partijen, dat de man en de vrouw, ieder voor de helft, zullen bijdragen in de kosten van school, sport en muziekles voor de kinderen.
Tevens is bepaald dat de man € 970,- per maand als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (hierna te noemen: partneralimentatie), met ingang van de datum van inschrijving van deze echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw dient te voldoen. Deze beslissing is gegeven op verzoek van de vrouw een door de man te betalen partneralimentatie te bepalen van € 2.500,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De man had verzocht dit verzoek van de vrouw af te wijzen.
Ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat de vrouw met betrekking tot de woonark € 124.591,- aan de man moet voldoen. Verder is bepaald op welke wijze (de saldi op) de (gezamenlijke) bankrekening(en) van partijen moet(en) worden verdeeld. Over de auto’s, motoren, camper, boten en horloges is bepaald dat de man een bedrag van € 100.000,- aan de vrouw moet voldoen. Ten aanzien van de inboedel is bepaald dat partijen om en om een inboedelgoed zullen kiezen, waarbij de vrouw de eerste keuze heeft, zonder nadere verrekening.
In principaal hoger beroep
4.2
De man verzoekt, met gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre en opnieuw rechtdoende:
I. een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen de ene week van maandag uit school tot maandag naar school bij de man zullen verblijven;
II. te bepalen dat de man niet gehouden is de helft van de kosten van school, sport en muziek aan de vrouw te voldoen;
III. (na vermeerdering van zijn verzoek) primair: te bepalen dat de verplichting tot betaling van een partneralimentatie wordt beëindigd met ingang van 4 januari 2024, waarbij de vrouw de reeds ontvangen betalingen dient terug te betalen aan de man;
subsidiair het verzoek van de vrouw om een partneralimentatie vast te stellen, alsnog af te wijzen;
IV. de huwelijkse voorwaarden van 29 mei 2006 te vernietigen, althans artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden te vernietigen, althans te bepalen dat op artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid door de vrouw geen beroep kan worden gedaan, althans te bepalen dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid met elkaar dient te worden afgerekend alsof men in gemeenschap van goederen is getrouwd of althans zoals het hof juist acht;
V. de wijze van verdeling dan wel het te verrekenen vermogen vast te stellen zoals onder de randnummers 42 tot en met 57 (hof: van het beroepschrift) door de man is verzocht, althans zoals het hof juist acht;
VI. te bepalen dat de vrouw binnen één week op eerste verzoek van de man haar medewerking dient te geven aan het laten uitvoeren van een taxatie van de woonark door een door de man ingeschakelde taxateur op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor elke dag dat zij weigert haar medewerking hieraan te verlenen;
VII. bij instandhouding van de huwelijkse voorwaarden:
de verrekening van het vermogen van partijen vast te stellen, zoals onder randnummers 59 tot en met 76 (hof: van het beroepschrift) door de man is verzocht of althans zoals het hof juist acht;
VIII. te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag dient te voldoen van € 2.500,- in het kader van een lening door de man aan de vrouw verstrekt;
IX. te bepalen dat de vrouw binnen drie maanden na het afgeven van de beschikking haar medewerking dient te verlenen aan het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man met betrekking tot de hypothecaire geldlening verbonden aan de woonark.
4.3
De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
4.4
Voor het geval het hof de door de man aan de vrouw verschuldigde verrekenvordering van € 100.000,- (gedeeltelijk) zal vernietigen, verzoekt de vrouw voorwaardelijk de bestreden beschikking partieel te vernietigen en te bepalen dat:
- de man gehouden zal zijn om de helft van de waarborgsom, die door hem is betaald voor de aankoop van de bouwkavel op [plaats] , aan de vrouw te voldoen, ofwel een bedrag van € 3.679,50;
- de man jaarverslagen van zijn eenmanszaak over de jaren 2020, 2021 en 2022 dient te overleggen, waarna het hof de verrekening zal vaststellen. Voor het geval dat niet mogelijk is, verzoekt de vrouw de verrekenvordering aangaande de ondernemingsactiviteiten van de man forfaitair vast te stellen op € 100.000,- op grond waarvan aan de vrouw een bedrag van € 50.000,- toekomt;
- een waardeverrekening dient plaats te vinden met betrekking tot de bij de man in eigendom zijnde elektrische fietsen, althans dat de man gehouden zal zijn om een elektrische fiets aan de vrouw beschikbaar te stellen;
- de wettelijke rente verschuldigd is over de verrekenvordering.
Bij vermeerdering van de verzoeken in hoger beroep verzoekt de vrouw te bepalen dat de man zijn goederen, respectievelijk de goederen van zijn onderneming, binnen 14 dagen na de beschikking dient op te halen uit de schuur van de vrouw gelegen bij de woonark, waarbij hij de schuur ontruimd dient achter te laten, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,-.
4.5
De man heeft verzocht de voorwaardelijke verzoeken van de vrouw in incidenteel hoger beroep af te wijzen, behalve het verzoek ten aanzien van de elektrische fietsen. De man is akkoord met toewijzing van het verzoek om één elektrische fiets aan de vrouw beschikbaar te stellen.
5De motivering van de beslissing
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van de verzochte echtscheiding en de nevenvoorzieningen. Verder is tussen partijen niet in geschil dat Nederlands recht van toepassing is op de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
5.2
Nu de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-bis Verordening rechtsmacht heeft met betrekking tot de in eerste aanleg verzochte en uitgesproken echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen zoals bepaald in artikel 5, lid 1 van de Verordening huwelijksvermogensstelsels.
Op het huwelijksvermogensregime van partijen is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: het Verdrag) van toepassing. Partijen hebben beiden gewezen op de rechtskeuze die zij hebben opgenomen in de akte huwelijkse voorwaarden. Nu partijen in de huwelijkse voorwaarden een rechtskeuze hebben gemaakt voor het Nederlands recht, is Nederlands recht van toepassing op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen.
Zorgregeling
5.3
Bij de bestreden beschikking is een zorgregeling bepaald, waarbij [minderjarige 1] de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man verblijft. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat voor [minderjarige 1] geldt dat zij zelf in overleg met haar ouders zal kunnen afwijken van deze regeling wanneer dat zo uitkomt. Inmiddels is [minderjarige 1] de afgelopen drie maanden niet meer bij de man verbleven, zoals is bepaald in de zorgregeling. In het gesprek met de oudste raadsheer heeft ze aangegeven wel weer naar de man te willen gaan, maar dan via een zorgregeling, waarbij zij twee weken bij de man verblijft en vervolgens twee weken bij de vrouw, en waarbij zij zelf de vrijheid heeft om hiervan af te wijken in overleg met haar ouders.
Bij de bestreden beschikking is ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een zorgregeling bepaald, waarbij zij negen dagen bij de vrouw verblijven en vijf dagen bij de man. [minderjarige 2] verblijft sinds kort de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw.
5.4
De man heeft in grief 1 aangevoerd dat het belang van alle kinderen er om vraagt dat zij een week bij hun vader en een week bij hun moeder verblijven met op maandag na school het overdrachtsmoment. Hij vindt het ook belangrijk dat de kinderen tegelijkertijd bij dezelfde ouder verblijven, zodat zij als gezin samen kunnen opgroeien.
5.5
Volgens de vrouw gaat het niet goed met de kinderen en hebben zij veel last van de echtscheiding. Via Veilig Thuis is inmiddels het Ouder en Kind Team (OKT) betrokken. De vrouw wil vooral een zorgregeling die de kinderen zelf prettig vinden. Ook zij vindt het belangrijk dat de kinderen met elkaar opgroeien. Zij wil vooral rust en regelmaat voor de kinderen.
5.6
Ter zitting in hoger beroep heeft de raad geconstateerd dat beide ouders de kinderen veel te bieden hebben en dat het positief is dat de kinderen beide ouders nog willen zien. Toch zitten de kinderen klem tussen de ouders en hebben zij veel last van de situatie. Op zichzelf is het geen probleem als kinderen in twee (verschillende) werelden en opvoedsituaties leven bij hun ouders, zolang de ouders de kinderen helpen dat te overbruggen. De raad acht het van belang dat de ouders een gezamenlijk ouderschapstraject gaan volgen, dan wel zullen toewerken naar solo parallel ouderschap. Na overleg tussen de raad en de ouders heeft de raad een raadsonderzoek geadviseerd, welk onderzoek zo nodig zal worden uitgebreid naar een beschermingsonderzoek. Ten aanzien van de tijdelijke zorgregeling heeft de raad geadviseerd zoveel mogelijk aan te sluiten bij de huidige situatie, omdat partijen het toch niet eens lijken te zijn over een week-op-week-afregeling voor alle drie de kinderen.
5.7
Beide partijen hebben ter zitting ingestemd met een raadsonderzoek. Het hof heeft partijen daarop voorgehouden dat ook het hof aanleiding ziet de raad te verzoeken een onderzoek te verrichten naar de zorgregeling.
Het hof zal hieronder de raad dan ook verzoeken een onderzoek in te stellen en vervolgens advies uit te brengen over de vraag welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen is.
De raad wordt verzocht het hof omtrent de resultaten van het onderzoek schriftelijk te rapporteren en te adviseren. In afwachting van het raadsonderzoek zal de behandeling van de zaak pro forma worden aangehouden tot zondag 1 september 2024. Het hof zal iedere verdere beslissing omtrent de zorgregeling aanhouden.
5.8
Ter zitting is vervolgens gesproken over een tijdelijke zorgregeling gedurende het raadsonderzoek. De man heeft voorgesteld om, in afwachting van een raadsonderzoek, alle kinderen de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw te laten verblijven. Wanneer deze regeling niet geschikt blijkt te zijn voor [minderjarige 3] , kan in onderling overleg de oude regeling weer gaan gelden.
De vrouw heeft verzocht zoveel mogelijk aan te sluiten bij de huidige situatie.
5.9
De voorzitter heeft ter zitting als beslissing van het hof meegedeeld dat, in afwachting van het raadsrapport, de huidige (feitelijk uitgevoerde) zorgregeling zal blijven gelden, omdat het hof dit het meest in het belang van alle kinderen acht. Dit betekent dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de ene week bij de man verblijven en de andere week bij de vrouw, waarbij voor [minderjarige 1] geldt dat zij, gelet op haar leeftijd, zelf in overleg met haar ouders zal kunnen afwijken van deze regeling wanneer dat zo uitkomt. [minderjarige 3] verblijft negen dagen bij de vrouw en vijf dagen bij de man. Mocht blijken dat [minderjarige 3] ook haar broer en zus wil volgen, dan staat het de ouders vrij daarnaar te handelen. Omdat de huidige zorgregeling van [minderjarige 2] niet overeenkomt met de in de bestreden beschikking bepaalde zorgregeling, zal het hof de bestreden beschikking op dat punt vernietigen.
5.10
Met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is afgesproken dat beide ouders deze tijdelijke zorgregeling met hen zullen bespreken. [minderjarige 1] krijgt hierover een brief van het hof, omdat zij heeft aangegeven liever direct van het hof te willen horen wat de (tijdelijke) zorgregeling zal zijn.
Kinderalimentatie en afwikkeling huwelijkse voorwaarden
5.11
De beslissing op de verzoeken ten aanzien van de kinderalimentatie (200.320.557/01) en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (200.320.560/01) worden eveneens aangehouden. Ter zitting in hoger beroep is de uitspraak ten aanzien van deze verzoeken bepaald op 30 april 2024.
6Beslissing
Het hof:
zaaknummer 200.320.557/01:
ten aanzien van de zorgregeling:
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Amsterdam, een onderzoek te verrichten ter beantwoording van de vraag welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen is;
houdt de behandeling van de zaak pro forma aan tot zondag 1 september 2024 en verzoekt de raad omtrent de resultaten van het onderzoek zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee weken vóór deze datum een schriftelijk rapport met advies uit te brengen en aan het hof te doen toekomen;
bepaalt dat de behandeling van de zaak door de meervoudige kamer zal worden voortgezet op een na ontvangst van het rapport van de raad te bepalen datum, waarvoor partijen, hun advocaten en de raad zullen worden opgeroepen;
vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij een zorgregeling voor [minderjarige 2] is bepaald en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt de tijdelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat met
ingang van heden:
- [minderjarige 2] de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man verblijft;
verklaart de bovenstaande tijdelijke zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing aan;
ten aanzien van de kinderalimentatie:
houdt iedere verdere beslissing aan;
ten aanzien van de partneralimentatie:
houdt aan de beslissing over de partneralimentatie en bepaalt de voortzetting van de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting op vrijdag 24 mei 2024 om 14:00 uur;
zaaknummer 200.320.560/01:
ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden:
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. H.A. van den Berg, en mr. M.C. Schenkeveld, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 19 maart 2024 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.