Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2021:3509

2021-07-14 Strafrecht 23-002002-19
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2021-07-14
Publicatiedatum
2021-11-15
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
23-002002-19
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

ADM-terrein. OM-appel. Te late indiening appelschriftuur OM. Hoewel sprake is van een geringe termijnoverschrijding, stelt het hof het belang van het ingestelde hoger beroep in dit geval niet boven het belang van de sanctionering van dit verzuim.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.839 tekens)
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002002-19
datum uitspraak: 14 juli 2021



TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)



Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-058696-19 tegen




[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
adres: [adres].


Onderzoek ter terechtzitting


Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
14 juli 2021.



Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.



Het hof heeft kennisgenomen van de standpunten van de verdediging en van de advocaat-generaal.





Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep


De raadsman van de verdachte heeft zich – preliminair – op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep wegens het te laat indienen van een schriftuur in de zin van artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).



De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie, ondanks de termijnoverschrijding, wel ontvankelijk is in het hoger beroep.



Het hof overweegt als volgt.



Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de officier van justitie op
27 mei 2019 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van
13 mei 2019. De officier van justitie heeft haar schriftuur houdende grieven eerst op 12 juni 2019, derhalve twee dagen buiten de in artikel 410, eerste lid, Sv, genoemde termijn van veertien dagen ingediend.
Ofschoon sprake is van een geringe termijnoverschrijding, stelt het hof het belang van het ingestelde hoger beroep in dit geval niet boven het belang van de sanctionering van dit verzuim. De door de advocaat-generaal opgegeven reden – in de kern inhoudende dat in eerste instantie was uitgegaan van een te beperkte lezing van het ten laste gelegde en het vonnis – biedt naar het oordeel van het hof onvoldoende rechtvaardiging voor de te late indiening. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat het schriftelijke vonnis reeds op 13 mei 2019 beschikbaar was.
De door de advocaat-generaal gegeven onderbouwing van het belang van voortzetting van het appel heeft het hof niet overtuigd. Ten aanzien van de door de advocaat-generaal in dat kader geformuleerde rechtsvragen omtrent (de reikwijdte van) artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, verwijst het hof naar de jurisprudentie van de Hoge Raad in dit verband, meer in het bijzonder naar het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3880.



Resumerend is het hof van oordeel dat het door de verdediging gevoerde preliminaire verweer gegrond is en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.





BESLISSING


Het hof:



Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.




Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Senden, mr. R.D. van Heffen en mr. M.K. Durdu-Agema, in tegenwoordigheid van
mr. B.K.M. Pouw, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
14 juli 2021.







mr. R.D. van Heffen en mr. M.K. Durdu-Agema zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.