Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Amsterdam

ECLI:NL:GHAMS:2018:3009

2018-08-14 Bestuursrecht; Belastingrecht 17/00607
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Uitspraakdatum
2018-08-14
Publicatiedatum
2018-08-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
17/00607
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | V-N Vandaag 2018/1782 | V-N 2019/12.26.12 | NLF 2018/1877 | FutD 2018-2287 | Viditax (FutD) 2018082207

Inhoudsindicatie

Nu belanghebbende door het in behandeling nemen van zijn hoger beroep niet in een nadeliger positie kan komen te verkeren, is het Hof om proceseconomische redenen voorbij gegaan aan de stelling van de curator dat belanghebbende onbekwaam was om het onderhavige hoger beroep in te stellen. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden geoordeeld heeft dat belanghebbende niet ontvankelijk is in zijn bezwaar.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.431 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Kenmerk 17/00607


14 augustus 2018




uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer




op het hoger beroep van





[X] , wonende te [plaats] , belanghebbende,



tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk ALK 17/1372 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen



belanghebbende



en




de ambtenaar belast met de heffing en de invordering van het waterschap Hollands Noorderkwartier, de heffingsambtenaar.






1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Op 20 september 2016 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een aanmaning verstuurd met bevel tot betaling van de aanslag waterbelasting voor gebruikers 2016. Daarbij is € 7 als aanmaningskosten in rekening gebracht.



1.2.
Belanghebbende heeft daartegen een bezwaarschrift ingediend dat op 21 november 2016 door de rechtbank is ontvangen en vervolgens op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) naar de heffingsambtenaar is doorgezonden met het verzoek dit als een bezwaarschrift in behandeling te nemen. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak van op bezwaar van 30 januari 2017 het bezwaar van belanghebbende tegen de aanmaningskosten niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn van zes weken.



1.3.
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 17 november 2017 het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 21 december 2017. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2018. Van de zijde van belanghebbende is, met telefonisch bericht van 30 juli 2018 aan de griffie, niemand verschenen. Van de zijde van de heffingsambtenaar is eveneens, met bericht van verhindering van 11 juli 2018, niemand verschenen.






2Geschil in hoger beroep


2.1.
Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk in zijn bezwaar is verklaard.



2.2.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.






3Het oordeel van de rechtbank


De rechtbank heeft het volgende overwogen:



“1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voor zover hier van belang, aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.


2. De aanmaning is gedagtekend 20 september 2016. Gesteld noch gebleken is dat de dagtekening van de beschikking is gelegen vóór de dag van bekendmaking daarvan, zodat de bezwaartermijn is aangevangen op 21 september 2016 en geëindigd op 1 november 2016. Het door eiser ingediende bezwaarschrift dat is gedateerd op 16 november 2016 en op 21 november 2016 door deze rechtbank is ontvangen, is dus na afloop van de bezwaartermijn ontvangen.

3. Op grond van artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4. Nu niet gesteld noch gebleken is dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is, is eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

5. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Aan een inhoudelijke behandeling van de zaak komt de rechtbank dan niet toe.”





4Beoordeling van het geschil



Vooraf



4.1.
Op 15 januari 2018 is door het Hof een schrijven ontvangen van belanghebbendes curator [curator] waarin laatstgenoemde verzoekt “om de zaak nietig te verklaren” nu belanghebbende niet bevoegd was tot het instellen van hoger beroep.



4.2.
Kennelijk is de curator van mening dat belanghebbende onbekwaam is om in rechte te staan (als bedoeld in artikel 8:21 Awb) en acht - zo begrijpt het Hof - de curator het door belanghebbende ingestelde beroep om die reden nietig. Nu belanghebbende door het in behandeling nemen van zijn hoger beroep niet in een nadeliger positie kan komen te verkeren, zal het Hof om proceseconomische redenen voorbij gaan aan de vraag of belanghebbende onbekwaam was om het onderhavige hoger beroep in te stellen.




Ontvankelijkheid bezwaar




4.3.
De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende terecht niet ontvankelijk is in zijn bezwaar. Het Hof maakt deze beslissing dan ook tot de zijne. Hetgeen belanghebbende (overigens) in hoger beroep heeft aangevoerd, werpt geen nieuw of ander licht op de zaak.



Slotsom

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.







5Kosten


Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.






6Beslissing


Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.




De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, P.F. Goes en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.N. Oosterom als griffier. De beslissing is op 14 augustus 2018 in het openbaar uitgesproken.


















Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.