Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:995

2026-07-22 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/1477 WIA
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-07-22
Publicatiedatum
2026-07-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/1477 WIA
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag WIA-uitkering. Laattijdige aanvraag. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 1 november 2005 doorlopend arbeidsongeschikt is geweest en hij heeft de wachttijd van 104 weken arbeidsongeschiktheid niet volgemaakt. Daarnaast was appellant op 27 juli 2011 niet verzekerd voor de WIA. Voldoende medische onderbouwing.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.502 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 juni 2025, 24/5973 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 22 juli 2026


SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de aanvraag om een WIA-uitkering van appellant terecht heeft afgewezen omdat hij vanaf 1 november 2005 niet doorlopend arbeidsongeschikt was waardoor de wachttijd van 104 weken doorlopende arbeidsongeschiktheid voor de Wet WIA niet is vervuld. Daarnaast gaat het over de vraag of het Uwv terecht heeft geoordeeld dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij op 27 juli 2011 niet verzekerd was. De Raad komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.





PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M. Berkel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 juni 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. V.C.D. Klaasen, kantoorgenoot van mr. Berkel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeier.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1.1.
Appellant was tot 1 juni 2007 werkzaam als huiskamerbegeleider. Vanaf 1 juni 2007 tot 1 mei 2009 ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. In 2022 heeft hij gewerkt als pakketbezorger.



1.2.
De aanvragen van appellant van 14 oktober 2015 en 19 november 2015 om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat hij op 30 november 2011 en 10 april 2005 niet kon werken door ziekte heeft het Uwv afgewezen omdat appellant op 30 november 2011 en 10 april 2005 niet verzekerd was voor de WIA.



1.3.
Op 14 november 2022 heeft appellant wederom een WIA-uitkering aangevraagd omdat hij vanaf 1 november 2005 niet kon werken door ziekte. Bij besluit van 5 januari 2023 heeft het Uwv die aanvraag afgewezen omdat appellant op 1 november 2005 niet verzekerd was voor de WIA.



1.4.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 januari 2023 heeft het Uwv bij besluit van 17 augustus 2023 gegrond verklaard omdat appellant op 1 november 2005 wél verzekerd was voor de WIA. Het Uwv heeft daarbij vermeld dat de WIA-aanvraag van 14 november 2022 alsnog in behandeling wordt genomen en een medisch en arbeidskundige beoordeling zal plaatsvinden.



1.5.
Vervolgens heeft een verzekeringsarts appellant op spreekuur gezien. In zijn rapport van 2 november 2023 heeft deze arts vastgesteld dat sprake is van schizofrenie (paranoïde type), lumbago met ischialgie links en diabetes mellitus type 2. Volgens de verzekeringsarts heeft appellant sinds 2005 (fysieke) gezondheidsproblemen maar was hij niet doorlopend arbeidsongeschikt. Appellant was namelijk steeds kortdurend ziek en is daarna weer gaan werken. Volgens de verzekeringsarts kampt appellant sinds 27 juli 2011 met (nieuwe) ernstige psychische klachten.



1.6.
Bij twee afzonderlijke besluiten van 3 november 2023 heeft het Uwv de WIAaanvraag van appellant afgewezen omdat weliswaar sprake is van een ziekte of gebrek, maar sinds 2005 geen sprake is van doorlopende arbeidsongeschiktheid en omdat appellant op 27 juli 2011 niet verzekerd was voor de WIA.



1.7.
Bij besluit van 11 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 3 november 2023 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 juni 2024, waarin is geconcludeerd dat appellant vanaf 2005 niet doorlopend arbeidsongeschikt is geweest en – voor zover aan de orde – de arbeidsongeschiktheid die in juli 2011 is ontstaan ook op grond van de Amber-regeling niet tot toekenning van een WIA-uitkering kan leiden.




Uitspraak van de rechtbank




2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.




2.1.
Omdat sprake is van een laattijdige aanvraag, ligt het op de weg van appellant om met medisch objectiveerbare stukken aannemelijk te maken dat hij de wachttijd van 104 weken doorlopende arbeidsongeschiktheid heeft doorlopen. Voor zover onvoldoende gegevens beschikbaar zijn over de gezondheidstoestand van appellant op de van belang zijnde datum en het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen, komen deze omstandigheden voor risico van appellant.



2.2.
Volgens de rechtbank hebben de verzekeringsartsen terecht geconcludeerd dat appellant vanaf 2005 niet doorlopend arbeidsongeschikt is geweest. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd dat de in juli 2011 gestelde ernstige psychiatrische diagnose niet al eerder (in 2005) aanwezig was. In de informatie van de huisarts staat namelijk meerdere malen vermeld dat bij appellant voordat hij zich in 2011 meldde met psychische klachten, sprake was van een blanco psychiatrische voorgeschiedenis. Dit is vermeld in de informatie van de behandelend psychiater en de sociaal psychiatrisch verpleegkundige van 14 september 2011 en in de informatie van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige van 18 februari 2015. Dat appellant op jeugdige leeftijd ‘vreemde gevoelens’ had, een ‘soort achterdocht’, levert geen bewijs op dat er in 2005 sprake was van ernstige psychische klachten. Dit geldt ook voor de stelling van appellant dat hij in de jaren ‘90 een burn-out heeft gehad. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep was er geen enkele blijk van (langdurige) arbeidsongeschiktheid als gevolg van die klachten. Medisch objectiveerbare stukken waaruit het tegendeel blijkt heeft appellant in beroep niet overgelegd. Verder bevat de in beroep overgelegde medische informatie volgens de rechtbank geen concrete gegevens over de psychiatrische gezondheidstoestand van appellant in 2005.



2.3.
Ter zitting van de rechtbank heeft appellant de door hem sinds 2004 ervaren aanvallen geduid als psychogene niet-epileptische aanvallen (PNEA), maar deze diagnose komt volgens de rechtbank in de beschikbare medische informatie niet naar voren. Er is ook geen medisch objectiveerbaar bewijs dat deze aanvallen kunnen worden beschouwd als een uiting van de paranoïde schizofrenie waarvan bij appellant sinds 2011 sprake is. Appellant heeft er in beroep op gewezen dat de aanvallen verdwenen nadat hij in 2011 antipsychotica is gaan gebruiken. Volgens de rechtbank is ook dit standpunt niet onderbouwd met medische bewijsstukken. Uit de in beroep overgelegde brief van de neuroloog van 19 maart 2012 lijkt juist te volgen dat appellant ondanks het gebruik van antipsychotica nog steeds last had van de aanvallen.



2.4.
De verzekeringsartsen hebben op begrijpelijke wijze gemotiveerd dat op grond van de lichamelijke klachten vanaf 1 november 2005 geen doorlopende arbeidsongeschiktheid kan worden aangenomen omdat appellant steeds kortdurend ziek is geweest.



2.5.
Tussen partijen is ter zitting voorts besproken dat tussen 2005 en 2007 meerdere ziekmeldingen en hersteld meldingen hebben plaatsgevonden. Niet in geschil is dat het Uwv in 2007 aan appellant een brief heeft gestuurd waarin is vermeld dat hij een WIA-aanvraag kon indienen. Het Uwv heeft toegelicht dat het gaat om een zogenoemde annoteringsbrief die het Uwv na 77 weken aan een betrokkene zendt om hem te wijzen op de mogelijkheid om een WIA-uitkering aan te vragen. Een dergelijke aanvraag heeft appellant in 2007 echter niet ingediend, zodat hierin geen reden gelegen is om het oordeel van de verzekeringsartsen in deze zaak niet te volgen.



2.6.
Omdat niet aannemelijk is gemaakt dat appellant vanaf 1 november 2005 de wachttijd van 104 weken (doorlopende) arbeidsongeschiktheid heeft volgemaakt, kan appellant geen aanspraak maken op een WIA-uitkering bij einde wachttijd, noch daarna (vanaf 2011) op basis van artikel 55 van de Wet WIA (Amber). Het Uwv heeft dus terecht geen WIA-uitkering aan appellant toegekend.



Het standpunt van appellant





3.1.
In hoger beroep heeft appellant (deels) herhaald wat hij in beroep heeft aangevoerd. Daarbij heeft appellant benadrukt dat uit het door het Uwv aan appellant verstrekte formulier ‘Aanvraag WIA-uitkering‘ van 5 november 2007 wel degelijk blijkt dat hij in 2006/2007 verzekeringsplichtig was en dat zijn uitval in 2011 valt binnen vijf jaar na 2007, zodat sprake is van een zogenaamde Amber-situatie. Ter onderbouwing heeft hij een overzicht van zijn ziektedagen over de periode 2 februari 2004 tot 2 januari 2007 ingestuurd.



3.2.
Verder heeft appellant aangevoerd dat de vanaf 1997 terugkerende aanvallen (van vóór 2011) zijn te kwalificeren als PNEA. Dit komt frequent voor bij onderliggende psychiatrische problematiek en kan een vroege uiting zijn van psychotische kwetsbaarheid. Dat die na de start van antipsychotica in 2011 zijn verdwenen, ondersteunt deze psychiatrische etiologie. Er is volgens appellant een causaal verband tussen de pre2011klachten en de in 2011 manifest geworden (paranoïde) stoornis. Nu vóór 2011 sprake was van beperkingen die in 2011 flink zijn toegenomen, is sprake van een doorlopende ziekte.



Het standpunt van het Uwv





3.3.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Volgens het Uwv kan uit de door appellant ingestuurde stukken niet worden geconcludeerd dat appellant in 2007 een periode van 104 weken van volledige arbeidsongeschiktheid heeft doorgemaakt. Een aanvraag van 12 november 2007 is bij het Uwv niet bekend. Een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is niet opgestart en is niet gebleken dat appellant daartegen actie heeft ondernomen. Het is aan appellant om in het kader van een (nieuwe) laattijdige WIA-aanvraag in 2022 de benodigde medische gegevens te overleggen.



3.4.
Volgens het Uwv heeft appellant de genoemde PNEA als schakel naar 2011 niet met medische informatie onderbouwd en is die term ook niet eerder – in bezwaar en beroep – genoemd.



3.5.
Volgens het Uwv heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 10 juni 2024 afdoende gemotiveerd dat in 2011 een nieuwe diagnose is gesteld voor nieuwe ernstige psychische klachten. Daarom kan om medische inhoudelijke redenen in 2011 geen beroep worden gedaan op de Amber-regeling.




Het oordeel van de Raad


4. In geschil is of het Uwv de aanvraag om een WIA-uitkering van appellant terecht heeft afgewezen omdat hij vanaf 1 november 2005 niet doorlopend arbeidsongeschikt was waardoor de wachttijd van 104 weken voor de Wet WIA niet is vervuld en of het Uwv terecht heeft geoordeeld dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij op 27 juli 2011 niet verzekerd was voor de WIA.



4.1.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Niet is gebleken – ook niet uit de door appellant in hoger beroep ingestuurde stukken – dat appellant vanaf 1 november 2005 104 weken doorlopend arbeidsongeschikt is geweest en dat hij op 27 juli 2011 was verzekerd voor de Wet WIA. Wat betreft de brief van het Uwv van 5 november 2007 wordt overwogen dat daarin enkel staat dat appellant ‘mogelijk een WIA-uitkering kan krijgen’. Anders dan appellant heeft aangevoerd, kan daaruit niet worden geconcludeerd dat appellant recht heeft op een WIA-uitkering.





Conclusie en gevolgen


4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.


5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van B. Ucurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026.





(getekend) S. Wijna





(getekend) B. Ucurum





Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1678.