Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:984

2026-07-30 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/845 WIA
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-07-30
Publicatiedatum
2026-07-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/845 WIA
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 48,68%. Aanpassing FML. Pas in hoger beroep voorzien van een toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn geschikt voor appellante.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.611 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer



25/845 WIA












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 maart 2025, 24/1833 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 30 juli 2026


SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 4 juli 2023 en per 18 juli 2023 heeft vastgesteld op 48,68%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.





PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



Mr. F. Reith heeft zich daarna gesteld als gemachtigde van appellante en heeft nadere gronden ingediend. Het Uwv heeft daarop gereageerd.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 februari 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Reith. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.



Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend om aanvullende vragen te stellen aan het Uwv. Het Uwv heeft deze vragen beantwoord. Appellante heeft daarop gereageerd.



De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als adviseur werk, inkomen en zorg bij [naam B.V.] voor 32 uur per week. Op 6 juli 2021 heeft zij zich vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 juli 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 48,68%. Het Uwv heeft bij besluit van 3 augustus 2023 aan appellante met ingang van 4 juli 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Bij besluit van 4 augustus 2023 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 18 juli 2023 een WGA-vervolguitkering toegekend, eveneens gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 48,68%.



1.2.
Bij besluit van 12 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 3 augustus 2023 en 4 augustus 2023 ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.




Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek van het Uwv zorgvuldig geweest en is er geen reden om aan de daaruit getrokken conclusies van de verzekeringsartsen te twijfelen. Niet aannemelijk is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep relevante aspecten van de medische gesteldheid van appellante zou hebben gemist. Alle gezondheidsklachten zijn betrokken in het medisch onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht benadrukt dat bij een WIAbeoordeling moet worden uitgegaan van medisch objectiveerbare gegevens. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op een navolgbare wijze rekening gehouden met de beperkingen die bij appellante voortvloeien uit de vastgestelde PTSS en de aangenomen rugklachten. De arts heeft ook navolgbaar gemotiveerd waarom de overige lichamelijke klachten niet leiden tot meer beperkingen dan al in de FML zijn aangenomen. De door appellante ervaren klachten als gevolg van stralingsgevoeligheid zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet medisch objectiveerbaar, zodat daarmee geen rekening kon worden gehouden. Uitgaande van de juistheid van de FML, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante geschikt zijn.



Het standpunt van appellante



3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de uit haar lichamelijke en psychische klachten voortkomende beperkingen zijn onderschat. Volgens appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de in het rapport van Synaeda vermelde diagnose ernstige depressie niet bij de beoordeling betrokken. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet gemotiveerd waarom geen urenbeperking is aangenomen. Appellante heeft gesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie had moeten opvragen bij de POH-GGZ die appellante heeft verwezen naar het traumacentrum van de GGZ-Drenthe. Verder is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan de beroepsgronden over het elektromagnetische hypersensitiviteit syndroom (EHS). Appellante heeft daarnaast gesteld dat ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen voor haar handklachten, voor de woordvindstoornis en voor het syndroom van Raynaud. Appellante heeft de Raad verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen.



Het standpunt van het Uwv



4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.




Het oordeel van de Raad


5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 48,68% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.



5.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.



Medische beoordeling





5.2.
De beroepsgrond dat meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen in verband met de psychische klachten van appellante, slaagt niet. Mede op grond van het rapport van 22 juni 2023 van een psycholoog van Synaeda is de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgegaan van een PTSS, complex, met depressieve kenmerken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen reden gezien om aanvullende informatie op te vragen bij de POH-GGZ, omdat over de psychische problematiek voldoende informatie aanwezig was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft navolgbaar toegelicht waarom hij heeft geconcludeerd dat van een ernstige depressie op de datum in geding geen sprake was. Nu bovendien uit het dagverhaal naar voren komt dat appellante gedurende de gehele dag actief is en er geen sprake is van structurele rustmomenten, is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook geen medische indicatie voor een urenbeperking bij verder aangepast werk. Verder zijn er geen duidelijke aanwijzingen waarom appellante niet in een normale werkomgeving qua prikkels kan functioneren. Er zijn geen specifieke triggers vanuit de PTSS en appellante heeft geen aandoening waarbij sprake is van verhoogde afleidbaarheid. Er is geen aanknopingspunt voor twijfel aan deze conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante heeft ook geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat een behandelaar de diagnose ernstige depressie heeft gesteld. Deze diagnose is in het schrijven van 12 augustus 2023 van Synaeda naar aanleiding van een intake op 22 juni 2023 enkel vermeld in verband met antwoorden van appellante op vragen waarin de symptomen van depressie worden nagevraagd, niet als diagnostische classificatie.



5.3.
De beroepsgrond dat meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen in verband met de handklachten, slaagt ook niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft navolgbaar toegelicht dat er geen reden was om de handen gericht te onderzoeken en per datum in geding aanvullende beperkingen voor het gebruik van de handen te stellen nu appellante eerst op het spreekuur in bezwaar melding maakt van handklachten.



5.4.
Er is ook geen aanleiding om te concluderen dat ten onrechte geen beperking is aangenomen in verband met de elektromagnetische stralingsklachten. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt EHS bij de huidige stand van de medische wetenschap niet algemeen erkend als ziekte of gebrek. Appellante heeft geen stukken overgelegd waaruit volgt dat de stand van de wetenschap inmiddels is gewijzigd.



5.5.
Ook wordt appellante niet gevolgd in haar beroepsgrond dat ten onrechte geen beperking is aangenomen in verband met de woordvindstoornis. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd toegelicht dat deze stoornis bij het NPO in 2022 weliswaar objectief is vastgesteld, maar dat dit niet betekent dat hiervoor een beperking in de FML had moeten worden aangenomen. De verzekeringsartsen die appellante hebben gezien op hun spreekuur hebben namelijk geen aanwijzingen gevonden voor gevolgen van deze bevinding. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook in aanmerking genomen dat de neuroloog de woordvindstoornis in zijn brief van 6 oktober 2022 als minder typisch heeft geduid, maar mogelijk voortvloeiend uit het vertraagde tempo en concentratieproblematiek, en heeft geconcludeerd dat er bij appellante geen aanwijzingen zijn voor cognitieve problematiek en er geen neurologisch substraat is voor de klachten van appellante.



5.6.
Appellante heeft wel terecht aangevoerd dat in de FML ook een beperking had moeten worden aangenomen in verband met het door de reumatoloog gediagnosticeerde syndroom van Raynaud. In verband hiermee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in hoger beroep alsnog een beperking op koude aangenomen die is opgenomen in een nieuwe FML van 3 maart 2026.



5.7.
Omdat er voor het overige geen twijfel is aan de medische beoordeling, bestaat er geen aanleiding over te gaan tot benoeming van een deskundige.



Arbeidskundige beoordeling





5.8.
Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn. In het rapport van 20 januari 2026 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is vastgesteld dat geen van de geselecteerde functies een signalering op het aspect koude heeft. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in dat rapport verder navolgbaar toegelicht dat appellante, doordat zij over meerdere diploma’s in meerdere richtingen en van diverse niveaus beschikt, (zeker) voldoet aan de opleidingsvereisten voor de functie administratief medewerker afhandeling (SBC-code 515080). In het rapport van 4 maart 2023 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht dat in geen van de voor appellante geselecteerde functies sprake is van complexe materie en ook niet van het verwerken daarvan. De overige arbeidskundige beroepsgronden slagen niet, omdat die uitgaan van verdergaande beperkingen dan in de FML zijn aangenomen.





Conclusie en gevolgen


5.9.
Het bestreden besluit is, gelet op de aanpassing van de FML door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de nadere motivering door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, pas in hoger beroep voorzien van een toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraken – met verbetering – van gronden, moeten worden bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan appellante, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 48,68%, in stand blijft.


6. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze van 2 april 2026, met een waarde per punt van € 934,-) aan kosten van verleende rechtsbijstand. De reiskosten die appellante heeft gemaakt voor het bijwonen van de zittingen bij de rechtbank en bij Raad komen tot een bedrag van € 79,28 (openbaar vervoer 2e klas) voor vergoeding in aanmerking. In totaal gaat het om een bedrag van € 2.414,28 aan voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.




6.1.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 194,- te vergoeden.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep



- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.414,28;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 194,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.




(getekend) S. Wijna



(getekend) M.J.D. van Haren






Zie onder andere de uitspraak van de Raad van 15 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1108.