Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:943

2026-07-16 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 24/2723 AOW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-07-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/2723 AOW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van het besluit van 13 augustus 2004 tot toekenning van een AOW-pensioen met een korting van 92%. Appellant heeft de Svb gevraagd hem een hoger AOW-pensioen toe te kennen omdat hij in Nederland heeft gewoond. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Appellant heeft zijn verblijf in Nederland niet met bewijsstukken kunnen onderbouwen.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.355 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer



24/2723 AOW










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 oktober 2024, 23/5624 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (Thailand) (appellant)



de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)








Datum uitspraak: 16 juli 2026


SAMENVATTING


Appellant is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek om herziening van het aantal verzekerde jaren voor de AOW. De Raad is het met de rechtbank eens dat de Svb het verzoek om herziening mocht afwijzen omdat nieuwe feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn gemaakt.





PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 juni 2026. Partijen zijn niet verschenen.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Aan appellant is bij besluit van 13 augustus 2004 met ingang van augustus 2003 een AOW-pensioen toegekend. Op dit pensioen is een korting toegepast van 92% in verband met, afgerond, 46 niet verzekerde jaren. Daarbij is de Svb ervan uitgegaan dat appellant niet verzekerd is geweest gedurende de periode van 13 augustus 1960 tot en met 12 augustus 2003. Het besluit van 13 augustus 2004 staat in rechte vast.



1.2.
In mei 2023 heeft appellant de Svb gevraagd hem een hoger AOW-pensioen toe te kennen, omdat hij gedurende de periode van 1985 tot en met 1988 in Nederland heeft gewoond. Daarbij heeft appellant gesteld dat zijn echtgenote over die periode wel verzekerd is geacht en zij toen samen in Nederland woonden. De Svb heeft het verzoek van appellant aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 13 augustus 2004.



1.3.
Met een besluit van 3 juli 2023 heeft de Svb het verzoek om herziening afgewezen. Met een besluit van 4 september 2023 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Volgens de Svb heeft appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb en is het eerdere besluit evenmin onmiskenbaar onjuist.




Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank is geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die maken dat van het besluit van 13 augustus 2004 moet worden teruggekomen. Van een evident onredelijk besluit is ook niet gebleken. Appellant heeft zijn stelling dat hij, met uitzondering van een aantal kortere uitzendingen naar het buitenland, in de periode van 1985 tot en met 1987 in Nederland heeft gewoond, onvoldoende onderbouwd.



Het standpunt van appellant



3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft – samengevat – aangevoerd dat hij met betrekking tot de jaren van 1985 tot en met 1987 ten onrechte is gekort op zijn AOW-pensioen, omdat hij in die periode samen met zijn echtgenote in Nederland heeft gewoond. Aangezien zijn echtgenote over dat tijdvak wel verzekerd is geacht, meent appellant ook aanspraak te kunnen maken op een hoger AOW-pensioen in verband met deze jaren.




Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.



4.1.
Tussen partijen is in geschil of de Svb terecht heeft geweigerd terug te komen op het besluit van 13 augustus 2004. In het bijzonder is betwist dat appellant gedurende de periode van 1985 tot en met 1987 niet verzekerd is geweest voor de AOW op grond van ingezetenschap (periode in geding).



4.2.
Het besluit van 13 augustus 2004 staat in rechte vast. Het verzoek van appellant van mei 2023 is dan ook terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen van dat besluit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.



4.3.
De Svb heeft in het bestreden besluit voor de periode vanaf het herzieningsverzoek een minder terughoudende toets toegepast dan voor de periode voorafgaand aan het herzieningsverzoek. De Raad ziet aanleiding om ten eerste te bespreken of het besluit van de Svb voor de periode vanaf het herzieningsverzoek de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Als dat het geval is, kan het besluit ook de terughoudender rechterlijke toets doorstaan over de periode voorafgaand aan het herzieningsverzoek.



4.4.
Het geschil gaat nog over de vraag of appellant in de periode 1985 tot en met 1987 verzekerd was voor de AOW.



4.5.
In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AOW is ingezetene degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AOW naar de omstandigheden beoordeeld.



4.6.
Volgens vaste rechtspraak komt het er bij de beoordeling van de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. De Raad heeft geoordeeld dat het beschikken over een duurzaam ter beschikking staande woonruimte één van de omstandigheden is die van belang is bij de weging of sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de betrokkene en Nederland. Ook de duur van het verblijf in Nederland is een omstandigheid die van belang is bij die beoordeling. De intentie kan een rol spelen waar deze door objectieven feiten wordt ondersteund.



4.7.
Uit de gedingstukken komt naar voren dat appellant in de periode van 1968 tot en met 1991 voor verschillende deelorganisaties van de Verenigde Naties (VN) heeft gewerkt. Appellant heeft verklaard dat zijn echtgenote en hij in oktober 1985 [land 1] hebben verlaten om voor een korte periode voor een medische behandeling van zijn echtgenote in Nederland te verblijven. Zij waren op doorreis naar [land 2] , waar appellant weer zou gaan werken. In Nederland werd de medische behandeling echter onderbroken, omdat bij de echtgenote baarmoederhalskanker werd geconstateerd en zij direct werd opgenomen in het ziekenhuis in Groningen voor een operatie. In de periode hierna konden appellant en zijn echtgenote niet verder reizen, omdat de echtgenote eerst moest herstellen. Appellant heeft tijdens zijn verblijf in [plaats] van mei tot en met juli 1986 in [land 3] gewerkt en van februari tot en met april 1987 in [land 4] voor projecten van de VN. Daarnaast zou hij een bijstandsuitkering hebben ontvangen. Appellant beschikte niet over een duurzaam tot zijn beschikking staande woonruimte. In september 1987 hebben appellant en zijn echtgenote Nederland verlaten om voor de VN in [land 5] te gaan werken.



4.8.
De Raad is van oordeel dat appellant over de periode in geding niet als ingezetene kan worden aangemerkt. Daarvoor is allereerst van belang dat appellant zijn verblijf in Nederland niet met bewijsstukken heeft kunnen onderbouwen. Verder is uit navraag bij de gemeente Zwolle gebleken dat appellant daar niet bekend is. Voor zover al kan worden aangenomen dat appellant in Nederland heeft verbleven, is dit bovendien onvoldoende om ingezetenschap aan te nemen. Daarbij is meegewogen dat appellant niet naar Nederland is gekomen met de intentie om zich definitief hier te vestigen. Appellant kwam naar Nederland vanwege de medische behandeling van zijn echtgenote en was op doorreis naar [land 5] . Vanwege de ziekte en het herstel van zijn echtgenote moesten appellant en zijn echtgenote echter langer blijven. In de periode van geding heeft appellant Nederland ook enkele keren voor langere duur verlaten vanwege werk in het buitenland. Uiteindelijk zijn appellant en zijn echtgenote, zoals oorspronkelijk voorgenomen, in september 1988 naar [land 5] vertrokken. Voorts heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellant over de periode in geding geen zelfstandige eigen en duurzaam tot zijn beschikking staande woonruimte had. Hij had “geen vast onderkomen” doch “in vele verschillende locaties slechts een paar kamers bij vrienden.” Gelet op deze feiten en omstandigheden was er over de periode van 1985 tot en met 1987 geen sprake van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland.



4.9.
Dit betekent dat de Svb op goede gronden heeft geweigerd voor de periode vanaf het verzoek om herziening terug te komen van het besluit van 13 augustus 2004. Zoals opgemerkt in 4.3 volgt hieruit dat het besluit van de Svb betreffende de periode voorafgaand aan het verzoek om herziening ook de rechterlijke toetsing kan doorstaan.



4.10.
Tot slot heeft appellant gesteld dat zijn echtgenote over het tijdvak in geding wel verzekerd is geacht voor de AOW op grond van wonen. De Raad vat dit op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Dit betoog van appellant slaagt niet. Appellant heeft op dit punt geen stukken overgelegd zodat niet duidelijk is – ervan uitgaande dat de echtgenote inderdaad verzekerd is geacht – over welke jaren dat is geweest en wat de grondslag daarvan was. Als er al sprake zou zijn van op relevante punten vergelijkbare gevallen – wat niet waarschijnlijk is nu niet blijkt dat de echtgenote ten tijde in geding ook buiten Nederland heeft gewerkt – dan geldt dat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver strekt dat het bestuursorgaan gehouden is om een ten aanzien van een ander gemaakte onjuiste beoordeling te herhalen.





Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van het besluit van 13 augustus 2004 in stand blijft. De korting op het AOW-pensioen blijft ongewijzigd.

6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van C.C.M. van ’t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.






(getekend) E.E.V. Lenos




(getekend) C.C.M. van ’t Hol





Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.




Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels



Algemene wet bestuursrecht





Artikel 4:6



1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Algemene ouderdomswet




Algemene Ouderdomswet





Artikel 6



1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
(…)





Algemene Ouderdomswet.


Algemene wet bestuursrecht.


Zie de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466 en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285 en de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908.


Vgl. de uitspraak van 20 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2182.


Zie de uitspraak van de Raad van 23 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2960.