Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:937
2026-07-16
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/1847 AOW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek om herziening afgewezen. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Verzoekster heeft om herziening gevraagd omdat zij graag een gunstige beslissing wil ontvangen vanwege haar slechte financiële situatie.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2024:879 Centrale Raad van Beroep 26-04-2024
- ECLI:NL:CRVB:2020:828 Centrale Raad van Beroep 13-03-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.458 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1847 AOW
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 26 april 2024, 23/2111 ANW (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[verzoekster] te Marokko (verzoekster)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 16 juli 2026
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om een verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad van 26 april 2024. Wat verzoekster heeft aangevoerd is niet voldoende om het bijzondere rechtsmiddel van herziening toe te passen. De Raad wijst het verzoek daarom af.
PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 26 april 2024. De Svb heeft een schriftelijke reactie op het verzoek gegeven.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 4 juni 2026. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Voor de feiten en omstandigheden die in deze zaak van belang zijn, wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 april 2024.
Uitspraak van de Raad
2. De Raad heeft zich in de uitspraak van 26 april 2024 onbevoegd verklaard, omdat het herzieningsverzoek waarop de rechtbank Amsterdam op 22 juni 2022 heeft beslist, betrekking heeft op een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb kan daartegen geen hoger beroep worden ingesteld.
Standpunt van verzoekster
3. Verzoekster heeft in het verzoek aangevoerd dat zij financiële steun nodig heeft om haar kinderen te onderhouden. Verzoekster heeft gevraagd om een nieuw, gunstig, besluit te nemen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de uitspraak van 26 april 2024 moet worden herzien aan de hand van wat verzoekster heeft aangevoerd. De Raad wijst het herzieningsverzoek af. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
ij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en;
waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
4.2.
Verzoekster heeft om herziening gevraagd omdat zij graag een gunstige beslissing wil ontvangen vanwege haar slechte financiële situatie. Zij heeft geen nieuwe informatie ter onderbouwing van haar verzoek ingediend.
4.3.
Het verzoek om herziening komt erop neer dat verzoekster opnieuw de discussie probeert te voeren over de zaak waarover is beslist bij de uitspraak van de Raad van 26 april 2024. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen, terwijl geen sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen, nu niet is gebleken dat verzoekster enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, naar voren heeft gebracht.
Conclusie en gevolgen
4.4.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om herziening wordt afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 26 april 2024 in stand blijft.
5. Voor een vergoeding van de proceskosten is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van C.C.M. van ’t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) C.C.M. van ‘t Hol
DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d’Appel Centrale),
Statue:
Rejète la demande de révision
Par conséquent, décidée par E.E.V. Lenos en présence de C.C.M. van ’t Hol en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 16 Juillet 2026.
(signé) E.E.V. Lenos
(signé) C.C.M. van ‘t Hol
Zie de uitspraak van 26 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:879.
Algemene wet bestuursrecht.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:828.
Enkelvoudige kamer
25/1847 AOW
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 26 april 2024, 23/2111 ANW (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[verzoekster] te Marokko (verzoekster)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 16 juli 2026
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om een verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad van 26 april 2024. Wat verzoekster heeft aangevoerd is niet voldoende om het bijzondere rechtsmiddel van herziening toe te passen. De Raad wijst het verzoek daarom af.
PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 26 april 2024. De Svb heeft een schriftelijke reactie op het verzoek gegeven.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 4 juni 2026. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Voor de feiten en omstandigheden die in deze zaak van belang zijn, wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 april 2024.
Uitspraak van de Raad
2. De Raad heeft zich in de uitspraak van 26 april 2024 onbevoegd verklaard, omdat het herzieningsverzoek waarop de rechtbank Amsterdam op 22 juni 2022 heeft beslist, betrekking heeft op een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb kan daartegen geen hoger beroep worden ingesteld.
Standpunt van verzoekster
3. Verzoekster heeft in het verzoek aangevoerd dat zij financiële steun nodig heeft om haar kinderen te onderhouden. Verzoekster heeft gevraagd om een nieuw, gunstig, besluit te nemen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de uitspraak van 26 april 2024 moet worden herzien aan de hand van wat verzoekster heeft aangevoerd. De Raad wijst het herzieningsverzoek af. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
ij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en;
waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
4.2.
Verzoekster heeft om herziening gevraagd omdat zij graag een gunstige beslissing wil ontvangen vanwege haar slechte financiële situatie. Zij heeft geen nieuwe informatie ter onderbouwing van haar verzoek ingediend.
4.3.
Het verzoek om herziening komt erop neer dat verzoekster opnieuw de discussie probeert te voeren over de zaak waarover is beslist bij de uitspraak van de Raad van 26 april 2024. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen, terwijl geen sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen, nu niet is gebleken dat verzoekster enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, naar voren heeft gebracht.
Conclusie en gevolgen
4.4.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om herziening wordt afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 26 april 2024 in stand blijft.
5. Voor een vergoeding van de proceskosten is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van C.C.M. van ’t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) C.C.M. van ‘t Hol
DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d’Appel Centrale),
Statue:
Rejète la demande de révision
Par conséquent, décidée par E.E.V. Lenos en présence de C.C.M. van ’t Hol en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 16 Juillet 2026.
(signé) E.E.V. Lenos
(signé) C.C.M. van ‘t Hol
Zie de uitspraak van 26 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:879.
Algemene wet bestuursrecht.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:828.