Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:936
2026-07-16
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/312 ANW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag ANW-uitkering. Terecht geoordeeld dat de overleden echtgenoot van appellante op de datum van overlijden niet verplicht of vrijwillig verzekerd was voor de ANW. Ook was hij niet verzekerd op grond van de Marokkaanse wettelijke regelingen.
Citeert (8)
- ECLI:NL:RVS:2023:772 Raad van State 01-03-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:772 Raad van State 01-03-2023
- ECLI:NL:CRVB:2025:802 Centrale Raad van Beroep 22-05-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:802 Centrale Raad van Beroep 22-05-2025
- ECLI:NL:CRVB:2010:BM6338 Centrale Raad van Beroep 26-05-2010
- ECLI:NL:CRVB:2024:2100 Centrale Raad van Beroep 31-10-2024
- ECLI:NL:CRVB:2021:2750 Centrale Raad van Beroep 28-10-2021
- ECLI:NL:CRVB:2025:403 Centrale Raad van Beroep 24-02-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.710 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/312 ANW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2025, 23/5475 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats], Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 16 juli 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 juni 2026. Voor appellante is mr. Küçükünal verschenen. Ook is verschenen de heer [naam], neef van appellante. De Svb is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. De echtgenoot van appellante, geboren in 1944, is overleden op [datum] 2022. Op 2 december 2022 heeft appellante, geboren in 1963, een nabestaandenuitkering op grond van de ANW aangevraagd. De Svb heeft de aanvraag afgewezen met een besluit van 7 juni 2023. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, maar de Svb is met een besluit van 11 augustus 2023 (bestreden besluit) gebleven bij de afwijzing van de aanvraag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb de aanvraag om ANW-uitkering terecht afgewezen, omdat de echtgenoot van appellante op de dag van overlijden niet verzekerd was voor de ANW. Volgens de rechtbank was de echtgenoot op die dag geen ingezetene van Nederland en kan hij ook niet als verzekerd worden aangemerkt op grond van het NMV, omdat de echtgenoot toen niet verzekerd was voor de Marokkaanse socialezekerheidswetgeving. De rechtbank heeft geconcludeerd dat geen sprake is bijzondere omstandigheden die niet (ten volle) zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Het wegvallen van het AOW-pensioen van de echtgenoot als bron van inkomsten van appellante is volgens de rechtbank namelijk een te verwachten gevolg van het overlijden van iemand (als haar echtgenoot) die niet verzekerd is voor de ANW.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat appellante tegen die uitspraak heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het standpunt van de Svb
4. De Svb heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om ANW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.2.
De Raad concludeert net als de rechtbank dat de aanvraag van appellante voor een nabestaandenuitkering terecht is afgewezen. Appellante voldoet namelijk niet aan het vereiste dat de echtgenoot van appellante op de datum van zijn overlijden verzekerd was voor de ANW.
5.3.
De echtgenoot was op de datum van overlijden niet verplicht verzekerd op grond van de ANW. De Raad volgt appellante niet in het betoog dat haar echtgenoot op de datum van overlijden ingezetene van Nederland was. De Raad is het eens met de rechtbank dat niet is gebleken dat de echtgenoot toen een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat de echtgenoot al sinds 1998 niet meer woonachtig is in Nederland en hij in Nederland geen woning, vaste verblijfplaats of werk had. Onvoldoende is dat de echtgenoot familie of bekenden kwam bezoeken en dat hij in Marokko zorg ontving voor rekening van Nederland en daarvoor een buitenlandbijdrage verschuldigd was. Net als de rechtbank ziet de Raad steun voor zijn oordeel in het feit dat de echtgenoot een remigratie-uitkering heeft aangevraagd en in Marokko zorg moest afnemen. De juistheid van die gegevens heeft appellante niet betwist.
5.3.1.
De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat de rechtbank een groter gewicht zou hebben toegekend aan de omstandigheid dat de echtgenoot in 1998 is geremigreerd en dat hij een remigratie-uitkering heeft aangevraagd en jarenlang heeft ontvangen dan aan de overige omstandigheden van het geval. In de aangevallen uitspraak ziet de Raad daarvoor geen aanwijzingen. De stelling van appellante dat zij alsnog in de gelegenheid moet worden gesteld nadere gegevens of bewijsstukken over te leggen volgt de Raad niet. Appellante heeft namelijk op geen enkele manier inzichtelijk gemaakt welke gegevens nog zouden kunnen worden overgelegd en op welke manier die tot een andere uitkomst van de beoordeling van het ingezetenschap zou kunnen leiden.
5.3.2.
Niet in geschil is dat de echtgenoot op de datum van overlijden niet werkte in Nederland en ook niet vrijwillig verzekerd was voor de ANW.
5.3.3.
Appellante kan ook geen recht op een ANW-uitkering ontlenen aan het NMV. Appellante voldoet namelijk niet aan het vereiste van artikel 22 van het NMV dat een nabestaande aanspraak kan maken op een ANW-uitkering in Nederland als de echtgenoot bij overlijden voor datzelfde risico was verzekerd in Marokko. De echtgenoot van appellante was immers niet verzekerd op grond van de Marokkaanse wettelijke regelingen. Dit is bij navraag van de Svb uitdrukkelijk bevestigd door het CNSS in Marokko. De overige bepalingen van het NMV waarop appellante een beroep heeft gedaan kunnen niet tot een andere uitkomst leiden.
5.3.4.
Appellante heeft gesteld dat de ingezetenschapseis van artikel 6 van de AOW in strijd is met het NMV. Ook heeft appellante met een beroep op het evenredigheidsbeginsel gesteld dat zij niet verstoken van inkomen mag blijven. Die stellingen slagen niet. Het is de bedoeling van de wetgever geweest om Marokkaanse weduwen zoals appellante, van wie de echtgenoot niet verzekerd was voor de ANW, uit te sluiten van het recht op ANWuitkering. Hoewel de Raad begrip heeft voor de moeilijke situatie waarin appellante verkeert, kan de financiële situatie van appellante op zichzelf niet leiden tot het toekennen van een ANW-uitkering.
5.3.5.
Van een schending van artikel 1 van het EP of het rechtszekerheidsbeginsel kan niet worden gesproken. Appellante voldoet niet aan de voorwaarden voor een nabestaandenuitkering op grond van de ANW. Zij kon niet de gerechtvaardigde verwachting koesteren dat zij aanspraak kon maken op een nabestaandenuitkering en er is dan ook geen sprake van ontneming of regulering van eigendom of schending van een gerechtvaardigde verwachting.
5.3.6.
Tot slot biedt, anders dan appellante stelt, de hardheidsclausule van artikel 24 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekering 1999 (Besluit) niet de ruimte om appellante alsnog rechten toe te kennen op grond van de ANW. De hardheidsclausule in het Besluit is namelijk niet van toepassing op de situatie van appellante, daargelaten of sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in deze bepaling. De hardheidsclausule ziet alleen op situaties waarbij de verzekeringsplicht of de uitsluiting daarvan voortvloeit uit dit Besluit. De uitsluiting van de verzekering volgt hier niet uit het Besluit, maar uit de wet.
Conclusie en gevolgen
6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om een nabestaandenuitkering in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van C.C.M. van ’t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) C.C.M. van ’t Hol
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen verzekerde en ingezetene.
DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale)
Statue:
Confirme la décision attaquée.
Par conséquent, décidée par E.E.V. Lenos en présence de C.C.M. van ‘t Hol en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 16 Juillet 2026.
(signé) E.E.V. Lenos
(signé) C.C.M. van ’t Hol
Les parties disposent d’un délai de six semaines á compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas: Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL2500 EH ‘s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assuré
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene nabestaandenwet
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…).
nabestaande: de echtgenoot van degene, die op de dag van overlijden verzekerd is op grond van deze wet; (…).
Artikel 13, eerste lid
Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die ingezetene is; geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
Artikel 14, eerste lid
Recht op nabestaandenuitkering heeft de nabestaande die:
- een ongehuwd kind heeft, dat jonger is dan 18 jaar en niet tot het huishouden van een ander behoort; of
- arbeidsongeschikt is (…).
Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko
Artikel 22, eerste lid
Wanneer een werknemer op wie dit Verdrag van toepassing is, op het tijdstip van zijn overlijden verzekerd is krachtens de Marokkaanse wettelijke regelingen, en tijdvakken van verzekering volgens de Nederlandse wettelijke regelingen inzake uitkeringen aan nagelaten betrekkingen heeft vervuld, kan zijn weduwe op een pensioen krachtens laatstgenoemde wettelijke regelingen aanspraak maken.
Algemene nabestaandenwet.
Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko, Trb. 1972, 34.
Algemene Ouderdomswet.
Caisse Nationale de Sécurité Sociale.
Zie de uitspraak van 1 maart 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2023:772 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2023:772) en de uitspraken van de Raad van 22 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:802 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:CRVB:2025:802) en 26 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM6338.
Zie de uitspraak van 31 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2100.
Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Zie de uitspraak van 28 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2750.
Artikel 13 ANW en zie de uitspraak van 24 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:403.
Enkelvoudige kamer
25/312 ANW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2025, 23/5475 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats], Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 16 juli 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 juni 2026. Voor appellante is mr. Küçükünal verschenen. Ook is verschenen de heer [naam], neef van appellante. De Svb is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. De echtgenoot van appellante, geboren in 1944, is overleden op [datum] 2022. Op 2 december 2022 heeft appellante, geboren in 1963, een nabestaandenuitkering op grond van de ANW aangevraagd. De Svb heeft de aanvraag afgewezen met een besluit van 7 juni 2023. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, maar de Svb is met een besluit van 11 augustus 2023 (bestreden besluit) gebleven bij de afwijzing van de aanvraag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb de aanvraag om ANW-uitkering terecht afgewezen, omdat de echtgenoot van appellante op de dag van overlijden niet verzekerd was voor de ANW. Volgens de rechtbank was de echtgenoot op die dag geen ingezetene van Nederland en kan hij ook niet als verzekerd worden aangemerkt op grond van het NMV, omdat de echtgenoot toen niet verzekerd was voor de Marokkaanse socialezekerheidswetgeving. De rechtbank heeft geconcludeerd dat geen sprake is bijzondere omstandigheden die niet (ten volle) zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Het wegvallen van het AOW-pensioen van de echtgenoot als bron van inkomsten van appellante is volgens de rechtbank namelijk een te verwachten gevolg van het overlijden van iemand (als haar echtgenoot) die niet verzekerd is voor de ANW.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat appellante tegen die uitspraak heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het standpunt van de Svb
4. De Svb heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om ANW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.2.
De Raad concludeert net als de rechtbank dat de aanvraag van appellante voor een nabestaandenuitkering terecht is afgewezen. Appellante voldoet namelijk niet aan het vereiste dat de echtgenoot van appellante op de datum van zijn overlijden verzekerd was voor de ANW.
5.3.
De echtgenoot was op de datum van overlijden niet verplicht verzekerd op grond van de ANW. De Raad volgt appellante niet in het betoog dat haar echtgenoot op de datum van overlijden ingezetene van Nederland was. De Raad is het eens met de rechtbank dat niet is gebleken dat de echtgenoot toen een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat de echtgenoot al sinds 1998 niet meer woonachtig is in Nederland en hij in Nederland geen woning, vaste verblijfplaats of werk had. Onvoldoende is dat de echtgenoot familie of bekenden kwam bezoeken en dat hij in Marokko zorg ontving voor rekening van Nederland en daarvoor een buitenlandbijdrage verschuldigd was. Net als de rechtbank ziet de Raad steun voor zijn oordeel in het feit dat de echtgenoot een remigratie-uitkering heeft aangevraagd en in Marokko zorg moest afnemen. De juistheid van die gegevens heeft appellante niet betwist.
5.3.1.
De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat de rechtbank een groter gewicht zou hebben toegekend aan de omstandigheid dat de echtgenoot in 1998 is geremigreerd en dat hij een remigratie-uitkering heeft aangevraagd en jarenlang heeft ontvangen dan aan de overige omstandigheden van het geval. In de aangevallen uitspraak ziet de Raad daarvoor geen aanwijzingen. De stelling van appellante dat zij alsnog in de gelegenheid moet worden gesteld nadere gegevens of bewijsstukken over te leggen volgt de Raad niet. Appellante heeft namelijk op geen enkele manier inzichtelijk gemaakt welke gegevens nog zouden kunnen worden overgelegd en op welke manier die tot een andere uitkomst van de beoordeling van het ingezetenschap zou kunnen leiden.
5.3.2.
Niet in geschil is dat de echtgenoot op de datum van overlijden niet werkte in Nederland en ook niet vrijwillig verzekerd was voor de ANW.
5.3.3.
Appellante kan ook geen recht op een ANW-uitkering ontlenen aan het NMV. Appellante voldoet namelijk niet aan het vereiste van artikel 22 van het NMV dat een nabestaande aanspraak kan maken op een ANW-uitkering in Nederland als de echtgenoot bij overlijden voor datzelfde risico was verzekerd in Marokko. De echtgenoot van appellante was immers niet verzekerd op grond van de Marokkaanse wettelijke regelingen. Dit is bij navraag van de Svb uitdrukkelijk bevestigd door het CNSS in Marokko. De overige bepalingen van het NMV waarop appellante een beroep heeft gedaan kunnen niet tot een andere uitkomst leiden.
5.3.4.
Appellante heeft gesteld dat de ingezetenschapseis van artikel 6 van de AOW in strijd is met het NMV. Ook heeft appellante met een beroep op het evenredigheidsbeginsel gesteld dat zij niet verstoken van inkomen mag blijven. Die stellingen slagen niet. Het is de bedoeling van de wetgever geweest om Marokkaanse weduwen zoals appellante, van wie de echtgenoot niet verzekerd was voor de ANW, uit te sluiten van het recht op ANWuitkering. Hoewel de Raad begrip heeft voor de moeilijke situatie waarin appellante verkeert, kan de financiële situatie van appellante op zichzelf niet leiden tot het toekennen van een ANW-uitkering.
5.3.5.
Van een schending van artikel 1 van het EP of het rechtszekerheidsbeginsel kan niet worden gesproken. Appellante voldoet niet aan de voorwaarden voor een nabestaandenuitkering op grond van de ANW. Zij kon niet de gerechtvaardigde verwachting koesteren dat zij aanspraak kon maken op een nabestaandenuitkering en er is dan ook geen sprake van ontneming of regulering van eigendom of schending van een gerechtvaardigde verwachting.
5.3.6.
Tot slot biedt, anders dan appellante stelt, de hardheidsclausule van artikel 24 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekering 1999 (Besluit) niet de ruimte om appellante alsnog rechten toe te kennen op grond van de ANW. De hardheidsclausule in het Besluit is namelijk niet van toepassing op de situatie van appellante, daargelaten of sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in deze bepaling. De hardheidsclausule ziet alleen op situaties waarbij de verzekeringsplicht of de uitsluiting daarvan voortvloeit uit dit Besluit. De uitsluiting van de verzekering volgt hier niet uit het Besluit, maar uit de wet.
Conclusie en gevolgen
6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om een nabestaandenuitkering in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van C.C.M. van ’t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) C.C.M. van ’t Hol
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen verzekerde en ingezetene.
DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale)
Statue:
Confirme la décision attaquée.
Par conséquent, décidée par E.E.V. Lenos en présence de C.C.M. van ‘t Hol en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 16 Juillet 2026.
(signé) E.E.V. Lenos
(signé) C.C.M. van ’t Hol
Les parties disposent d’un délai de six semaines á compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas: Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL2500 EH ‘s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assuré
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene nabestaandenwet
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…).
nabestaande: de echtgenoot van degene, die op de dag van overlijden verzekerd is op grond van deze wet; (…).
Artikel 13, eerste lid
Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die ingezetene is; geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
Artikel 14, eerste lid
Recht op nabestaandenuitkering heeft de nabestaande die:
- een ongehuwd kind heeft, dat jonger is dan 18 jaar en niet tot het huishouden van een ander behoort; of
- arbeidsongeschikt is (…).
Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko
Artikel 22, eerste lid
Wanneer een werknemer op wie dit Verdrag van toepassing is, op het tijdstip van zijn overlijden verzekerd is krachtens de Marokkaanse wettelijke regelingen, en tijdvakken van verzekering volgens de Nederlandse wettelijke regelingen inzake uitkeringen aan nagelaten betrekkingen heeft vervuld, kan zijn weduwe op een pensioen krachtens laatstgenoemde wettelijke regelingen aanspraak maken.
Algemene nabestaandenwet.
Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko, Trb. 1972, 34.
Algemene Ouderdomswet.
Caisse Nationale de Sécurité Sociale.
Zie de uitspraak van 1 maart 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2023:772 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2023:772) en de uitspraken van de Raad van 22 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:802 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:CRVB:2025:802) en 26 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM6338.
Zie de uitspraak van 31 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2100.
Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Zie de uitspraak van 28 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2750.
Artikel 13 ANW en zie de uitspraak van 24 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:403.