Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:924
2026-07-08
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/1506 TW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering uitkering Toeslagenwet. Appellant heeft niet tijdig melding gemaakt van zijn gewijzigde leefvorm. Hierdoor heeft hij te veel toeslag ontvangen. Op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW is het Uwv verplicht de onverschuldigd betaalde toeslag van appellant terug te vorderen. Geen sprake van dringende reden.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2024:726 Centrale Raad van Beroep 18-04-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2140 Centrale Raad van Beroep 21-11-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.694 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1506 TW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
3 juli 2025, 24/5821 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht een bedrag van € 26.637,77 aan over de periode van 1 mei 2018 tot en met 30 juni 2023 onverschuldigd betaald toeslag van appellant heeft teruggevorderd. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 mei 2026. Voor appellant is mr. T.S. Brinkman, advocaat en kantoorgenoot van mr. Velthorst, verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Op 22 maart 2014 heeft appellant in aanvulling daarop een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) aangevraagd, waarbij hij heeft vermeld dat hij gehuwd of daarmee gelijkgesteld is. Bij besluit van 9 april 2014 heeft het Uwv appellant vanaf 3 januari 2014 een toeslag van € 49,18 bruto per dag naar de norm van gehuwden toegekend. In dit besluit is vermeld dat het de plicht is van appellant om wijzigingen in zijn situatie aan het Uwv door te geven en als hij dat niet doet, hij tijdelijk minder of geen uitkering en/of een boete ontvangt en als hij te veel uitkering heeft ontvangen, hij dit bedrag moet terugbetalen.
1.2.
Op 16 juni 2023 heeft het Uwv een melding van adreswijziging van appellant gekregen vanuit de Basisregistratie Personen. Daarbij is het Uwv gebleken dat appellant vanaf 16 mei 2018 niet meer (gehuwd) samenwonend was, maar alleenstaand. Bij besluit van 22 juni 2023 heeft het Uwv de toeslag van appellant per 23 juni 2023 daarom verlaagd. Bij besluit van 22 september 2023 heeft het Uwv het recht op toeslag van appellant over de periode van 1 mei 2018 tot en met 30 juni 2023 herzien en van appellant een bedrag van bruto € 29.925,92 teruggevorderd.
1.3.
Bij besluit van 8 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 september 2023 gegrond verklaard, de toeslag over de periode 1 mei 2018 tot en met 11 december 2022 herzien en het terug te betalen bedrag verlaagd naar € 26.637,77.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv in de situatie van appellant zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende meegewogen. De beroepsgrond dat de terugvordering van de toeslag in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, heeft de rechtbank verworpen. Daarbij heeft de rechtbank allereerst van belang geacht dat het aan appellant is om (tijdig) van zijn gewijzigde leefvorm melding te maken bij het Uwv. Het Uwv heeft toegelicht dat er bij wijziging van de leefvorm geen (automatische) systeemmelding volgt. Verder is een echtscheiding geen omstandigheid die op grond van artikel 12, eerste lid, van de TW en artikel 4a, eerste lid van de Regeling uitzondering inlichtingenplicht (de Regeling) is uitgezonderd van de inlichtingenverplichting. Niet is gebleken dat appellant uit eigen beweging bij het Uwv melding heeft gemaakt van zijn echtscheiding. De enkele stelling dat hij dit wel heeft gedaan, is daartoe onvoldoende. Dat hij dit niet (meer) kan bewijzen ligt in zijn risicosfeer. Het Uwv is dus pas door de adreswijziging op 16 juni 2023 van de echtscheiding op de hoogte geraakt. Het Uwv heeft vervolgens voortvarend gehandeld door de toeslag per 23 juni 2023 te verlagen. Van het door toedoen van het Uwv onnodig hoog oplopen van de terugvordering is dan ook geen sprake. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het Uwv met het beperken van de terugvordering tot de toeslag die is betaald in de periode van 16 mei 2018 tot en met 11 december 2022 voldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van appellant, waaronder de omstandigheid dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Zonder nadere onderbouwing heeft de rechtbank de overige door appellant genoemde omstandigheden onvoldoende geacht voor het oordeel dat het Uwv de terugvordering nog verder had moeten matigen. Appellant is in staat gebleken te voldoen aan de getroffen betalingsregeling. Gelet hierop is er geen aanleiding om in dit geval de (financiële) gevolgen van het terugvorderingsbesluit voor appellant als onevenredig te beoordelen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank het terugvorderingsbedrag ten onrechte niet heeft gematigd. Appellant is van mening dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien, omdat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het Uwv had volgens appellant al eerder op de hoogte kunnen en moeten zijn van zijn echtscheiding, waardoor het besluit tot terugvordering eerder had kunnen worden genomen en het terugvorderingsbedrag niet zou zijn opgelopen. Verder heeft de rechtbank onvoldoende oog gehad voor de gevolgen van de terugvordering voor appellant.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de herzieningen de terugvordering van de toeslag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Niet in geschil is dat het Uwv de toeslag over de periode van 1 mei 2018 tot en met 11 december 2022 terecht heeft herzien. Over deze periode heeft appellant dus te veel toeslag ontvangen. Op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW is het Uwv verplicht de onverschuldigd betaalde toeslag van appellant terug te vorderen. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het Uwv op grond van het vijfde lid van dit artikel besluiten om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien.
5.2.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en/of terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
5.3.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv in de situatie van appellant alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden heeft meegewogen. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Het beroep ter zitting op een uitspraak van 21 november 2024 van de Raad in een zaak van een betrokkene tegen de Sociale Verzekeringsbank over de Algemene Ouderdomswet (AOW) slaagt niet, omdat in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Regeling expliciet is vermeld dat het sluiten van een huwelijk voor de AOW niet hoeft te worden gemeld. Voor de TW geldt een dergelijke uitzondering niet en het Uwv ontvangt ook geen systeemmelding over wijzigingen in de leefvorm.
Conclusie en gevolgen
5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening en de terugvordering in stand blijven.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en M.E. Fortuin en L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
(getekend) S. Wijna
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 11a van de Toeslagenwet
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van toeslag en terzake van weigering van toeslag, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag;
b. indien anderszins de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op toeslag bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 12, eerste lid, van de Toeslagenwet1. Degene die aanspraak maakt op toeslag, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 22 toeslag wordt uitbetaald, zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 20, eerste en vijfde lid, van de Toeslagenwet
1. De toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
(…)
5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
CRvB 21 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2140.
Meervoudige kamer
25/1506 TW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
3 juli 2025, 24/5821 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht een bedrag van € 26.637,77 aan over de periode van 1 mei 2018 tot en met 30 juni 2023 onverschuldigd betaald toeslag van appellant heeft teruggevorderd. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 mei 2026. Voor appellant is mr. T.S. Brinkman, advocaat en kantoorgenoot van mr. Velthorst, verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Op 22 maart 2014 heeft appellant in aanvulling daarop een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) aangevraagd, waarbij hij heeft vermeld dat hij gehuwd of daarmee gelijkgesteld is. Bij besluit van 9 april 2014 heeft het Uwv appellant vanaf 3 januari 2014 een toeslag van € 49,18 bruto per dag naar de norm van gehuwden toegekend. In dit besluit is vermeld dat het de plicht is van appellant om wijzigingen in zijn situatie aan het Uwv door te geven en als hij dat niet doet, hij tijdelijk minder of geen uitkering en/of een boete ontvangt en als hij te veel uitkering heeft ontvangen, hij dit bedrag moet terugbetalen.
1.2.
Op 16 juni 2023 heeft het Uwv een melding van adreswijziging van appellant gekregen vanuit de Basisregistratie Personen. Daarbij is het Uwv gebleken dat appellant vanaf 16 mei 2018 niet meer (gehuwd) samenwonend was, maar alleenstaand. Bij besluit van 22 juni 2023 heeft het Uwv de toeslag van appellant per 23 juni 2023 daarom verlaagd. Bij besluit van 22 september 2023 heeft het Uwv het recht op toeslag van appellant over de periode van 1 mei 2018 tot en met 30 juni 2023 herzien en van appellant een bedrag van bruto € 29.925,92 teruggevorderd.
1.3.
Bij besluit van 8 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 september 2023 gegrond verklaard, de toeslag over de periode 1 mei 2018 tot en met 11 december 2022 herzien en het terug te betalen bedrag verlaagd naar € 26.637,77.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv in de situatie van appellant zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende meegewogen. De beroepsgrond dat de terugvordering van de toeslag in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, heeft de rechtbank verworpen. Daarbij heeft de rechtbank allereerst van belang geacht dat het aan appellant is om (tijdig) van zijn gewijzigde leefvorm melding te maken bij het Uwv. Het Uwv heeft toegelicht dat er bij wijziging van de leefvorm geen (automatische) systeemmelding volgt. Verder is een echtscheiding geen omstandigheid die op grond van artikel 12, eerste lid, van de TW en artikel 4a, eerste lid van de Regeling uitzondering inlichtingenplicht (de Regeling) is uitgezonderd van de inlichtingenverplichting. Niet is gebleken dat appellant uit eigen beweging bij het Uwv melding heeft gemaakt van zijn echtscheiding. De enkele stelling dat hij dit wel heeft gedaan, is daartoe onvoldoende. Dat hij dit niet (meer) kan bewijzen ligt in zijn risicosfeer. Het Uwv is dus pas door de adreswijziging op 16 juni 2023 van de echtscheiding op de hoogte geraakt. Het Uwv heeft vervolgens voortvarend gehandeld door de toeslag per 23 juni 2023 te verlagen. Van het door toedoen van het Uwv onnodig hoog oplopen van de terugvordering is dan ook geen sprake. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het Uwv met het beperken van de terugvordering tot de toeslag die is betaald in de periode van 16 mei 2018 tot en met 11 december 2022 voldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van appellant, waaronder de omstandigheid dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Zonder nadere onderbouwing heeft de rechtbank de overige door appellant genoemde omstandigheden onvoldoende geacht voor het oordeel dat het Uwv de terugvordering nog verder had moeten matigen. Appellant is in staat gebleken te voldoen aan de getroffen betalingsregeling. Gelet hierop is er geen aanleiding om in dit geval de (financiële) gevolgen van het terugvorderingsbesluit voor appellant als onevenredig te beoordelen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank het terugvorderingsbedrag ten onrechte niet heeft gematigd. Appellant is van mening dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien, omdat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het Uwv had volgens appellant al eerder op de hoogte kunnen en moeten zijn van zijn echtscheiding, waardoor het besluit tot terugvordering eerder had kunnen worden genomen en het terugvorderingsbedrag niet zou zijn opgelopen. Verder heeft de rechtbank onvoldoende oog gehad voor de gevolgen van de terugvordering voor appellant.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de herzieningen de terugvordering van de toeslag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Niet in geschil is dat het Uwv de toeslag over de periode van 1 mei 2018 tot en met 11 december 2022 terecht heeft herzien. Over deze periode heeft appellant dus te veel toeslag ontvangen. Op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW is het Uwv verplicht de onverschuldigd betaalde toeslag van appellant terug te vorderen. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het Uwv op grond van het vijfde lid van dit artikel besluiten om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien.
5.2.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en/of terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
5.3.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv in de situatie van appellant alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden heeft meegewogen. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Het beroep ter zitting op een uitspraak van 21 november 2024 van de Raad in een zaak van een betrokkene tegen de Sociale Verzekeringsbank over de Algemene Ouderdomswet (AOW) slaagt niet, omdat in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Regeling expliciet is vermeld dat het sluiten van een huwelijk voor de AOW niet hoeft te worden gemeld. Voor de TW geldt een dergelijke uitzondering niet en het Uwv ontvangt ook geen systeemmelding over wijzigingen in de leefvorm.
Conclusie en gevolgen
5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening en de terugvordering in stand blijven.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en M.E. Fortuin en L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
(getekend) S. Wijna
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 11a van de Toeslagenwet
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van toeslag en terzake van weigering van toeslag, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag;
b. indien anderszins de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op toeslag bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 12, eerste lid, van de Toeslagenwet1. Degene die aanspraak maakt op toeslag, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 22 toeslag wordt uitbetaald, zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 20, eerste en vijfde lid, van de Toeslagenwet
1. De toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
(…)
5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
CRvB 21 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2140.