Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:917
2026-07-14
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/148 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Ontvangst boodschappen. Giftenbeleid. Herhaling beroepsgronden. Wat appellante aanvoert is een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hieraan nog toe dat appellante niet heeft gemotiveerd waarom en geconcretiseerd op grond van welk ten tijde van belang geldende beleid het college de besparingen destijds als giften had moeten vrijlaten.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2021:1918 Centrale Raad van Beroep 23-08-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.903 tekens)
25/148 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 10 december 2024, 24/1035 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)
Datum uitspraak: 14 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om een herziening en terugvordering van bijstand omdat appellante niet heeft gemeld dat zij boodschappen ontving van haar ex-partner. Appellante heeft daartegen aangevoerd dat zij geen structurele betalingen voor boodschappen heeft ontvangen en dat het college ten onrechte het giftenbeleid niet heeft toegepast. Net als de rechtbank geeft de Raad appellante geen gelijk.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Raaijmakers, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft met een regiebrief van 25 maart 2026 (regiebrief) aan partijen voorgehouden hoe de Raad het geschil tussen partijen voorshands ziet, dat hij daarover geen vragen heeft en hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontvangt vanaf 28 maart 2008 bijstand laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Het college heeft vanwege het feit dat de zoon van appellante per [datum] 2022 achttien jaar was geworden en in verband met het opnieuw vaststellen van haar vermogen onderzoek verricht. In dat kader heeft appellante onder andere bankafschriften van haar bankrekeningen overgelegd over de periode van 1 januari 2022 tot en met 13 april 2022. Bij bestudering van de bankafschriften heeft een medewerker van het Team Inkomen van de gemeente Haarlemmermeer vastgesteld dat er geen of zeer weinig pinbetalingen voor boodschappen en geen kasopnames hebben plaatsgevonden. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 25 mei 2022.
1.3.
Naar aanleiding van de geconstateerde lage uitgaven voor levensonderhoud heeft een specialist handhaving en tevens toezichthouder werkzaam bij het cluster Sociale Dienstverlening van de gemeente Haarlemmermeer een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft appellante bankafschriften overgelegd over de jaren 2020 en 2021. Op 9 november 2022 is appellante verschenen op een gesprek. Appellante heeft verklaard dat haar ex-partner, de vader van haar zoon, van juni 2020 tot en met november 2022 nagenoeg alle boodschappen, alle kosten van levensonderhoud voor appellante en haar zoon heeft betaald. Dit hadden ze samen zo afgesproken omdat appellante de studiekosten van haar zoon betaalde en daardoor te weinig geld voor de kosten van levensonderhoud overhield. Haar ex-partner heeft de boodschappen van appellante echter nog steeds betaald nadat haar zoon zijn opleiding had afgerond. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 januari 2023.
1.4.
Met een besluit van 29 augustus 2023 heeft het college de bijstand over de maanden juni tot en met oktober 2020 (met uitzondering van augustus), februari en december 2021 en januari tot en met november 2022 (met uitzondering van april en september 2022) herzien en de teveel gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.365,40 van appellante teruggevorderd.
1.5.
Met een besluit van 2 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 augustus 2023 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat sprake is van bijna volledige en structurele voorziening in de kosten van boodschappen die behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van appellante. Doordat appellante deze kosten niet meer zelf hoefde te voldoen uit de bijstandsnorm, leverde dat haar een substantiële besparing op. Dit is van belang voor haar recht op bijstand. Daarom had appellante dit moeten melden. Nu zij dit niet heeft gedaan, heeft zij de inlichtingenverplichting geschonden. Gelet op de structurele kostenbesparing moet haar recht op bijstand naar beneden worden afgestemd. Doordat appellante de hoogte (van de besparing) niet precies heeft aangetoond, heeft het college de terugvordering berekend aan de hand van de Nibudnormen. Daarbij heeft het college rekening gehouden met de opleidingskosten die appellante voor haar zoon heeft betaald en ook met de uitgaven voor levensonderhoud die zij zelf heeft gedaan. Het college heeft de maandelijkse herziening en terugvordering namelijk berekend door de toepasselijke Nibudnorm te verminderen met de door appellante in de betreffende maand zelf betaalde boodschappen en schoolgeld voor haar zoon. Alleen in de maanden dat er een positief verschil daartussen was is de bijstand ter hoogte van dat verschil herzien. Het college heeft geen dringende redenen gezien om van terugvordering af te zien.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 23 augustus 2021, overwogen dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij structureel en substantieel boodschappen ontving van haar ex-partner, wat een substantiële besparing voor haar opleverde. Het college heeft de bijstand van appellante terecht herzien en bij de herziening voldoende rekening gehouden met de situatie van appellante, door enkel de Nibudbedragen voor boodschappen die uitkomen boven de bedragen die appellante zelf heeft betaald aan boodschappen en schoolgeld in mindering te brengen op de bijstand. Verder heeft de rechtbank met verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak overwogen dat boodschappen geen middelen zijn in de zin van artikel 31 van de PW en dus ook niet aangemerkt kunnen worden als giften die gedeeltelijk kunnen worden vrijgesteld. Daarbij heeft de rechtbank vermeld dat het college ter zitting heeft gemotiveerd dat boodschappen in het toen geldende beleid van het college nooit worden aangemerkt als giften.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak, net als in beroep, aangevoerd dat zij niet structureel betalingen voor boodschappen heeft ontvangen. Volgens appellante heeft het college ten onrechte het giftenbeleid niet toegepast. Appellante en haar ex-partner hadden afgesproken dat appellante de studiekosten van hun zoon zou betalen, en dat haar ex-partner zou bijdragen door de boodschappen te betalen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Wat appellante aanvoert is een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom die gronden niet slagen. Appellante heeft in hoger beroep niet gemotiveerd waarom die uitleg onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hieraan nog toe dat appellante, hoewel daartoe in de regiebrief uitdrukkelijk te zijn uitgenodigd, niet heeft gemotiveerd waarom en geconcretiseerd op grond van welk ten tijde van belang geldende beleid het college de besparingen destijds als giften had moeten vrijlaten.
Conclusie en gevolgen
4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening en terugvordering in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal in tegenwoordigheid van A.H. HagendoornHuls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
(getekend) E.C.E. Marechal
(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet
Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
Artikel 54, derde lid, van de Participatiewet
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW.
ECLI:NL:CRVB:2021:1918.
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 10 december 2024, 24/1035 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)
Datum uitspraak: 14 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om een herziening en terugvordering van bijstand omdat appellante niet heeft gemeld dat zij boodschappen ontving van haar ex-partner. Appellante heeft daartegen aangevoerd dat zij geen structurele betalingen voor boodschappen heeft ontvangen en dat het college ten onrechte het giftenbeleid niet heeft toegepast. Net als de rechtbank geeft de Raad appellante geen gelijk.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Raaijmakers, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft met een regiebrief van 25 maart 2026 (regiebrief) aan partijen voorgehouden hoe de Raad het geschil tussen partijen voorshands ziet, dat hij daarover geen vragen heeft en hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontvangt vanaf 28 maart 2008 bijstand laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Het college heeft vanwege het feit dat de zoon van appellante per [datum] 2022 achttien jaar was geworden en in verband met het opnieuw vaststellen van haar vermogen onderzoek verricht. In dat kader heeft appellante onder andere bankafschriften van haar bankrekeningen overgelegd over de periode van 1 januari 2022 tot en met 13 april 2022. Bij bestudering van de bankafschriften heeft een medewerker van het Team Inkomen van de gemeente Haarlemmermeer vastgesteld dat er geen of zeer weinig pinbetalingen voor boodschappen en geen kasopnames hebben plaatsgevonden. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 25 mei 2022.
1.3.
Naar aanleiding van de geconstateerde lage uitgaven voor levensonderhoud heeft een specialist handhaving en tevens toezichthouder werkzaam bij het cluster Sociale Dienstverlening van de gemeente Haarlemmermeer een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft appellante bankafschriften overgelegd over de jaren 2020 en 2021. Op 9 november 2022 is appellante verschenen op een gesprek. Appellante heeft verklaard dat haar ex-partner, de vader van haar zoon, van juni 2020 tot en met november 2022 nagenoeg alle boodschappen, alle kosten van levensonderhoud voor appellante en haar zoon heeft betaald. Dit hadden ze samen zo afgesproken omdat appellante de studiekosten van haar zoon betaalde en daardoor te weinig geld voor de kosten van levensonderhoud overhield. Haar ex-partner heeft de boodschappen van appellante echter nog steeds betaald nadat haar zoon zijn opleiding had afgerond. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 januari 2023.
1.4.
Met een besluit van 29 augustus 2023 heeft het college de bijstand over de maanden juni tot en met oktober 2020 (met uitzondering van augustus), februari en december 2021 en januari tot en met november 2022 (met uitzondering van april en september 2022) herzien en de teveel gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.365,40 van appellante teruggevorderd.
1.5.
Met een besluit van 2 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 augustus 2023 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat sprake is van bijna volledige en structurele voorziening in de kosten van boodschappen die behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van appellante. Doordat appellante deze kosten niet meer zelf hoefde te voldoen uit de bijstandsnorm, leverde dat haar een substantiële besparing op. Dit is van belang voor haar recht op bijstand. Daarom had appellante dit moeten melden. Nu zij dit niet heeft gedaan, heeft zij de inlichtingenverplichting geschonden. Gelet op de structurele kostenbesparing moet haar recht op bijstand naar beneden worden afgestemd. Doordat appellante de hoogte (van de besparing) niet precies heeft aangetoond, heeft het college de terugvordering berekend aan de hand van de Nibudnormen. Daarbij heeft het college rekening gehouden met de opleidingskosten die appellante voor haar zoon heeft betaald en ook met de uitgaven voor levensonderhoud die zij zelf heeft gedaan. Het college heeft de maandelijkse herziening en terugvordering namelijk berekend door de toepasselijke Nibudnorm te verminderen met de door appellante in de betreffende maand zelf betaalde boodschappen en schoolgeld voor haar zoon. Alleen in de maanden dat er een positief verschil daartussen was is de bijstand ter hoogte van dat verschil herzien. Het college heeft geen dringende redenen gezien om van terugvordering af te zien.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 23 augustus 2021, overwogen dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij structureel en substantieel boodschappen ontving van haar ex-partner, wat een substantiële besparing voor haar opleverde. Het college heeft de bijstand van appellante terecht herzien en bij de herziening voldoende rekening gehouden met de situatie van appellante, door enkel de Nibudbedragen voor boodschappen die uitkomen boven de bedragen die appellante zelf heeft betaald aan boodschappen en schoolgeld in mindering te brengen op de bijstand. Verder heeft de rechtbank met verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak overwogen dat boodschappen geen middelen zijn in de zin van artikel 31 van de PW en dus ook niet aangemerkt kunnen worden als giften die gedeeltelijk kunnen worden vrijgesteld. Daarbij heeft de rechtbank vermeld dat het college ter zitting heeft gemotiveerd dat boodschappen in het toen geldende beleid van het college nooit worden aangemerkt als giften.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak, net als in beroep, aangevoerd dat zij niet structureel betalingen voor boodschappen heeft ontvangen. Volgens appellante heeft het college ten onrechte het giftenbeleid niet toegepast. Appellante en haar ex-partner hadden afgesproken dat appellante de studiekosten van hun zoon zou betalen, en dat haar ex-partner zou bijdragen door de boodschappen te betalen.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Wat appellante aanvoert is een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom die gronden niet slagen. Appellante heeft in hoger beroep niet gemotiveerd waarom die uitleg onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hieraan nog toe dat appellante, hoewel daartoe in de regiebrief uitdrukkelijk te zijn uitgenodigd, niet heeft gemotiveerd waarom en geconcretiseerd op grond van welk ten tijde van belang geldende beleid het college de besparingen destijds als giften had moeten vrijlaten.
Conclusie en gevolgen
4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening en terugvordering in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal in tegenwoordigheid van A.H. HagendoornHuls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
(getekend) E.C.E. Marechal
(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet
Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
Artikel 54, derde lid, van de Participatiewet
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW.
ECLI:NL:CRVB:2021:1918.