Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:872

2026-07-02 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 26/64 ZW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-07-02
Publicatiedatum
2026-07-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
26/64 ZW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering terecht. De bij de eerdere WIA-beoordeling geselecteerde functies zijn in medisch en arbeidskundig opzicht geschikt.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.914 tekens)
26/64 ZW


Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 december 2025, 25/1428 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 2 juli 2026


SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de ZW-uitkering van appellante terecht per 18 november 2024 heeft beëindigd. Appellante vindt dat zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat was de eerder, in het kader van de WIA-beoordeling, geselecteerde functies te verrichten. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.





PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. A.D.F.V. Hein, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellante was werkzaam als huishoudelijk medewerker voor 13,85 uur per week en heeft zich op 12 augustus 2019 ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 9 augustus 2021 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar laatste werk als huishoudelijk medewerker, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend.



1.2.
Naar aanleiding van ziekmeldingen door appellante per 10 januari 2022 en 25 november 2022 heeft het Uwv geweigerd een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen omdat appellante geschikt werd geacht voor de functies die in het kader van de eerdere WIA-beoordeling voor haar zijn geselecteerd.



1.3.
Appellante heeft zich op 3 april 2023 opnieuw ziekgemeld met pijnklachten, vooral in onderrug, bekken en heupen, en aan haar is per die datum een ZW-uitkering toegekend. In verband hiermee heeft zij op 27 juni 2023 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. De primaire arts heeft informatie ingewonnen bij de behandelaars van appellante, de psycholoog, pijnspecialist, bekkentherapeut, vaatchirurg en de huisarts. De verzekeringsarts heeft in een rapport van 17 november 2024 appellante per 17 november 2024 geschikt geacht voor de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies van administratief medewerker (document scannen) (SBC-code 315133), inpakker (handmatig) (SBC-code 111190), machinebediende inpak-, verpakkingsmachine (SBC-code 271093), lader, losser (SBC-code 111220) en assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (SBC-code 267071). Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 18 november 2024 de ZWuitkering van appellante per 17 november 2024 beëindigd.



1.4.
Bij besluit van 14 februari 2025 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, waarbij de datum van de beëindiging is gewijzigd in 18 november 2024. Hieraan ligt een rapport van 13 februari 2025 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossierstudie verricht, kennis genomen van de informatie van de behandelend sector en appellante onderzocht tijdens een spreekuur op 12 februari 2025.




Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeken van de artsen van het Uwv voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Dat de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) informatie over de gezondheidssituatie van appellante per 18 november 2024 hebben gemist, is niet gesteld of gebleken. Appellante heeft erkend dat de diagnoses osteopathie en osteopenie al in 2022 zijn gesteld en in beroep ook geen medische informatie overgelegd, waaruit volgt dat de verzekeringsartsen haar gezondheidssituatie per 18 november 2024 verkeerd hebben ingeschat. Dat appellante vanaf 25 maart 2025 wel arbeidsongeschikt is geacht voor haar arbeid, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat uit het overgelegde rapport van de verzekeringsarts, die appellante na haar ziekmelding op 25 maart 2025 heeft beoordeeld, volgt dat de verzekeringsarts van oordeel is dat vanwege nieuwe gezondheidsklachten die sinds twee of drie maanden bestaan, appellante arbeidsongeschikt is voor de geduide functies. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat dit dezelfde verzekeringsarts is, die de eerdere beoordeling heeft gedaan en die voor zijn beoordeling van de in 2021 geduide functies is uitgegaan. Hieruit volgt niet dat de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) zaken hebben gemist of ten onrechte geen aanvullende beperking of ongeschiktheid voor haar arbeid hebben aangenomen als het gaat om de gezondheidssituatie van appellante per 18 november 2024. Ook de klachtenbeleving van appellante maakt dat, naar het oordeel van de rechtbank, niet anders. De beleving van klachten is niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen bij appellante zijn vast te stellen. Alleen de medisch te objectiveren beperkingen zijn daarbij van belang. De rechtbank heeft daarbij gewezen op vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld een uitspraak van 15 september 2017). De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar standpunt dat de geduide functies op medische gronden niet passend zijn. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) op deugdelijke wijze vastgesteld dat en waarom de beperkingen die appellante ervaart niet leiden tot een wijziging van de belastbaarheid voor het verrichten van arbeid per 18 november 2024.



Het standpunt van appellante



3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald, dat zij op datum in geding niet in staat is (geweest) om meer dan 65% van het maatgevende inkomen te verdienen op grond van haar medische situatie. Appellante acht zich niet opnieuw arbeidsgeschikt voor de geduide functies. Haar beroep is in de bestreden uitspraak onterecht ongegrond verklaard.

Het standpunt van het Uwv


4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.




Het oordeel van de Raad


5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de hersteldverklaring van de ZW-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



5.1.
Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.



5.2.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIAbeoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022. Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een hersteldverklaring van een ZW-uitkering niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Bij de toepassing van artikel 19 van de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:

1. van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de betrokkene geschikt gebleven, én

2) op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de WIA-beoordeling vertegenwoordigen, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.



5.3.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een beëindiging van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de WIA-beoordeling op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.



5.4.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven.



5.5.
Omdat de medische beperkingen van appellante op 18 november 2024 ten opzichte van de WIA-beoordeling niet zijn toegenomen, is daarmee gegeven dat de bij deze eerdere WIA-beoordeling geselecteerde functies in medisch en arbeidskundig opzicht ook per 18 november 2024 voor appellante geschikt zijn. Deze vaststelling is voldoende om de beëindiging van de ZW-uitkering per 18 november 2024 te kunnen dragen.





Conclusie en gevolgen


5.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.


6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.





(getekend) F.M. Rijnbeek




(getekend) J.A. Achterberg






CRvB 15 september 2026, ECLI:NL:CRVB:2017:3214.


CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.