Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:844

2026-06-24 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/1328 WIA
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-06-24
Publicatiedatum
2026-07-01
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/1328 WIA
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

WIA-uitkering terecht niet toegekend omdat geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar als waarmee de wachttijd is doorlopen. Geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Geen aanleiding om terug te komen van het besluit waarbij aan appellant een WIA-uitkering is geweigerd.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.787 tekens)
25/1328 WIA



Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2025, 24/4762 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 24 juni 2026


SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat bij appellant geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 22 december 2015 in de zin van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen als gevolg van zijn epilepsie, dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend. Ook heeft de Raad geen aanleiding gezien om terug te komen van het besluit waarbij aan appellant een WIA-uitkering is geweigerd.





PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. S. Toughza, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S.F. Remmers, kantoorgenoot van mr. Toughza. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaker van bussen voor 34,9 uur per week. Op 24 december 2013 heeft hij zich ziekgemeld met nekklachten na een verkeersongeval. Bij besluit van 10 november 2015 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 22 december 2015 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Dit besluit is na beroep en hoger beroep in rechte komen vast te staan.



1.2.
Appellant heeft zich op 11 juni 2018 en 13 juli 2018 gemeld met toegenomen klachten. Bij besluit van 31 oktober 2018 heeft het Uwv geweigerd aan appellant per augustus 2016 een WIA-uitkering toe te kennen omdat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Ook dit besluit is na beroep en hoger beroep in rechte komen vast te staan.



1.3.
Op 6 oktober 2023 heeft appellant zich opnieuw bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten en tevens een verzoek ingediend om terug te komen van de besluiten van 10 november 2015 en 31 oktober 2018. Bij besluit van 20 oktober 2023 heeft het Uwv aangegeven niet af te wijken van het besluit van 31 oktober 2018, omdat appellant geen nieuwe medische informatie heeft meegestuurd waaruit zou blijken dat zijn gezondheid achteruit is gegaan. Ook heeft appellant niet kenbaar gemaakt vanaf welke datum de verergering van zijn medische situatie is ingetreden.



1.4.
Bij besluit van 1 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.




Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant ter zitting van de rechtbank heeft toegelicht dat de melding die hij bij het Uwv heeft gedaan, zowel moet worden opgevat als een melding van toegenomen beperkingen, als bedoeld in artikel 55 van de Wet WIA, als een verzoek om terug te komen van eerdere in rechte vaststaande besluiten. De rechtbank heeft overwogen dat in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 3 februari 2022, al een oordeel is gegeven over de vraag of sprake is van toegenomen beperkingen in de periode van augustus 2016 tot 13 juli 2018. Uit die uitspraak volgt dat appellant ook toen de duizeligheidsklachten heeft genoemd maar de Raad heeft geoordeeld dat geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak als bedoeld in artikel 55 van de Wet WIA. Over de beroepsgrond van appellant dat de diagnose epilepsie moet worden gezien als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad het enkele feit dat er een diagnose is gesteld, onvoldoende is. Van belang is ook of er bij de eerdere beoordeling al beperkingen voor de betreffende klachten zijn aangenomen door de verzekeringsarts. Het stellen van een diagnose als oorzaak van al aangenomen beperkingen wordt niet gezien als een nieuw relevant feit. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 2 december 2024 over de diagnose epilepsie heeft geschreven dat in de beoordeling die ten grondslag ligt aan het besluit van 10 november 2015, al beperkingen zijn aangenomen voor verhoogd persoonlijk risico. Voor zover sprake is van epilepsie, is hier volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep destijds dus al rekening mee gehouden. De rechtbank heeft daarnaast overwogen dat de belastbaarheid van appellant niet alleen op basis van een diagnose wordt gegeven. Het feit dat het klachtenpatroon en de belastbaarheid van appellant die hebben geleid tot het aannemen van deze beperkingen, nu een andere oorzaak – namelijk epilepsie – hebben, vormt geen reden om de belastbaarheid per november 2015 onjuist te achten. De rechtbank heeft daarnaast het niet terugkomen van de eerdere besluiten uit 2015 en 2018 niet evident onredelijk geacht.



Het standpunt van appellant



3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft aangevoerd dat zijn medische situatie is verslechterd en dat er sprake is van een toename van beperkingen binnen vijf jaar na 22 december 2015. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb nu bekend is geworden dat hij lijdt aan epilepsie. Daar vloeien zwaardere beperkingen uit voort dan zijn aangenomen. Zo leidt de epilepsie volgens appellant tot leer- en gedragsstoornissen zoals geheugenstoornissen, aandachtstoornissen en tempostoornissen. Appellant heeft verder aangevoerd dat de depressieve en angstklachten zijn verergerd door de angst voor een epilepsieaanval. De aanvallen veroorzaken volgens appellant bovendien vermoeidheid, spierpijn en verwardheid. Er hadden meer beperkingen moeten worden aangenomen gelet op de dagelijkse belastbaarheid, veiligheid op de werkvloer en het sociaal functioneren. Volgens appellant is de aangenomen beperking voor verhoogd persoonlijk risico niet concreet en specifiek genoeg.

Het standpunt van het Uwv


4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.




Het oordeel van de Raad


5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over het niet alsnog toekennen van een WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



5.1.
Op grond van artikel 55, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA ontstaat het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de in artikel 54, tweede lid, bedoelde dag en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.



5.2.
Op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, is de aanvrager gehouden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.



5.3.
Het verzoek van appellant van 6 oktober 2023 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van de besluiten van 10 november 2015 en 31 oktober 2018. Deze besluiten zijn in rechte komen vast te staan. Het Uwv heeft op het verzoek beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.



5.4.
Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.



5.5.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.



Medische beoordeling





5.6.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 3 februari 2022 al een oordeel is gegeven over de vraag of sprake is van toegenomen beperkingen in de periode van augustus 2016 tot 13 juli 2018 en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De beroepsgrond dat er sprake is van een toename van beperkingen binnen vijf jaar na 22 december 2015 uit dezelfde oorzaak als waarmee de wachttijd is doorlopen, slaagt niet.



5.7.
Wat over de medische beoordeling door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen, wordt onderschreven. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd. Wat appellant in hoger beroep onder verwijzing naar de in beroep overgelegde medische stukken heeft aangevoerd, tast het oordeel van de rechtbank niet aan. Het Uwv heeft met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 december 2024 deugdelijk gemotiveerd dat de epilepsie pas in het najaar van 2021 is ontstaan dus buiten de termijn van vijf jaar na 22 december 2015. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daar aan toegevoegd dat indien er al voorafgaande aan het najaar van 2021 sprake van epilepsie zou zijn, hier al voldoende rekening mee is gehouden. Hij heeft afdoende toegelicht dat in dat geval een beperking voor persoonlijk risico aan de orde zou zijn en dat deze al is aangenomen in de FML van oktober 2015.



Verzoek terug te komen van de weigering van een WIA-uitkering





5.8.
Appellant heeft aangevoerd dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden nu bekend is geworden dat hij lijdt aan epilepsie. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat op een later moment de diagnose epilepsie is vastgesteld levert volgens vaste rechtspraak, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, niet een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb op. Een diagnose is immers niet doorslaggevend bij de vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid omdat het gaat om te objectiveren beperkingen voor het verrichten van arbeid. De rechtbank heeft ook met juistheid geoordeeld dat geen sprake is van evidente onredelijkheid door niet terug te komen van de besluiten uit 2015 en 2018.





Conclusie en gevolgen


5.9.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.


6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door G.C. Boot, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.





(getekend) G.C. Boot




(getekend) S. Ploum






CRvB 3 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:302.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en
van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 14 november 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB8509.