Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:827

2026-06-16 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 24/1087 PW-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-06-16
Publicatiedatum
2026-06-30
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/1087 PW-PV
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvragen. Algemene bijstand. Bijzondere bijstand voor reiskosten. Op geld waardeerbare werkzaamheden. Herhaling beroepsgronden. Geen aanvullende schadevergoeding redelijke termijn. De gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. Hij voegt daar nog aan toe dat appellanten ook in hoger beroep geen administratie of boekhouding hebben overgelegd van de door appellant (extra) verrichte werkzaamheden en activiteiten. Het recht op bijstand is daarom niet vast te stellen, ook niet schattenderwijs.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.089 tekens)
24/1087 PW-PV


Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 maart 2024, 23/2617 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)



het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout (college)








Datum uitspraak: 16 juni 2026



Zitting heeft: A.M. Overbeeke
Griffier: C.C.M. van ‘t Hol



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juni 2026. Voor appellanten is verschenen mr. F.E.R.M. Verhagen, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.T. Hagebols.





BESLISSING




De Centrale Raad van Beroep




bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;


wijst het verzoek om schadevergoeding af.




Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.


1. Op 28 december 2021 hebben appellanten algemene bijstand aangevraagd. Op diezelfde datum hebben appellanten ook bijzondere bijstand voor reiskosten aangevraagd. Bij de aanvragen hebben appellanten een arbeidsovereenkomst overgelegd waaruit blijkt dat appellant sinds 1 september 2021 werkzaam is bij [naam rijschool] voor tien uur per week. Tijdens een gesprek op 3 februari 2022 heeft appellant onder meer verklaard dat hij naast de tien uur die hij betaald kreeg ook nog de nodige andere werkzaamheden verrichtte voor [naam rijschool] , zoals acquisitie op sociale media en het geven van gratis online verkeers-, theorie- en taallessen. Appellant heeft desgevraagd verklaard drie tot vijf uur per dag reclame te maken voor het bedrijf. Tijdens dat gesprek heeft appellant ook gezegd dat hij over die extra werkzaamheden geen bewijzen zal aanleveren.

2. Met twee afzonderlijke besluiten van 10 februari 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 21 maart 2023 (bestreden besluit), heeft het college de beide aanvragen afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 1 september 2021 en in ieder geval vanaf de datum melding meer werkzaamheden heeft verricht voor [naam rijschool] dan de tien uur per week die hij had opgegeven. Die werkzaamheden kunnen volgens het college worden gezien als op geld waardeerbare werkzaamheden. Appellant heeft geen controleerbare gegevens of administratie ingeleverd met betrekking tot deze werkzaamheden, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

3. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat appellant meer werkzaamheden heeft verricht voor [naam rijschool] dan de tien uur per week waarvoor hij betaald heeft gekregen. Deze extra werkzaamheden zijn op geld waardeerbare werkzaamheden, die voor het recht op bijstand van belang zijn. Ten aanzien van de omvang van die extra werkzaamheden die volgens appellant, anders dan uit het gespreksverslag volgt, slechts drie tot vijf uur per week behelsden, heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant geen nadere informatie heeft verstrekt over de aard en de omvang van die extra werkzaamheden, zodat het recht op bijstand niet is vast te stellen.



Aan de omstandigheid dat appellanten in hun vorige woonplaats wel aanvullende bijstand kregen, kunnen appellanten volgens de rechtbank geen rechten ontlenen.



De rechtbank heeft het college veroordeeld tot vergoeding aan appellanten van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft de overschrijding van de redelijke termijn volledig toegerekend aan de bezwaarfase en heeft de schadevergoeding bepaald op € 500,-.


4. De gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. Hij voegt daar nog aan toe dat appellanten ook in hoger beroep geen administratie of boekhouding hebben overgelegd van de door appellant (extra) verrichte werkzaamheden en activiteiten. Het recht op bijstand is daarom niet vast te stellen, ook niet schattenderwijs.



Overschrijding redelijke termijn



5. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd.


5.1. Voor deze zaak betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst op 14 februari 2022 door het college van het bezwaarschrift van appellanten tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim vier maanden verstreken. In de zaak zelf en in de opstelling van appellanten zijn geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim vier maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 500,-. Omdat de rechtbank voor de overschrijding van de redelijke termijn al een bedrag van € 500,- aan immateriële schadevergoeding heeft toegekend, hebben appellanten geen recht op een aanvullende schadevergoeding.


6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.



Waarvan proces-verbaal.



De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer




(getekend) C.C.M. van 't Hol (getekend) A.M. Overbeeke



Zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.