Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:816
2026-06-24
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
24/2368 WIA
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 26 februari 2026 aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. De Raad wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van belastingschade af. De gestelde schade is niet onderbouwd.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2011:BU4266 Centrale Raad van Beroep 11-11-2011
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.717 tekens)
24/2368 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 september 2024, 24/1388 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (Frankrijk) (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 24 juni 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.H. Witte hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft op 26 februari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Appellante heeft tevens verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de nog te lijden fiscale schade, dan wel het Uwv op te dragen een afzonderlijk schadebesluit te nemen.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 26 februari 2026 aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Proceskosten
Appellante heeft niet verzocht om vergoeding van de kosten in bezwaar. De rechtbank heeft het Uwv reeds veroordeeld in de kosten van beroep ter hoogte van € 875,-. Het Uwv wordt daarom alleen veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift).
Griffierecht
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Schade
Voor de vaststelling van belastingschade gelden de regels die zijn weergegeven in de uitspraak van de Raad van 11 november 2011. Appellante heeft de gestelde belastingschade niet onderbouwd met een concrete, uitgewerkte opgave van die schade. Er is daarom thans geen aanleiding om het verzoek van appellante te honoreren. Voor de volledigheid wordt erop gewezen dat appellante, indien zij belastingschade lijdt, een afzonderlijk verzoek tot schadevergoeding tot het Uwv kan richten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 934,-;
bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 189,- vergoedt;
wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) M.G.J. van Eck
CRvB 11 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4266.
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 september 2024, 24/1388 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (Frankrijk) (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 24 juni 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.H. Witte hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft op 26 februari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Appellante heeft tevens verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de nog te lijden fiscale schade, dan wel het Uwv op te dragen een afzonderlijk schadebesluit te nemen.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 26 februari 2026 aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Proceskosten
Appellante heeft niet verzocht om vergoeding van de kosten in bezwaar. De rechtbank heeft het Uwv reeds veroordeeld in de kosten van beroep ter hoogte van € 875,-. Het Uwv wordt daarom alleen veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift).
Griffierecht
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Schade
Voor de vaststelling van belastingschade gelden de regels die zijn weergegeven in de uitspraak van de Raad van 11 november 2011. Appellante heeft de gestelde belastingschade niet onderbouwd met een concrete, uitgewerkte opgave van die schade. Er is daarom thans geen aanleiding om het verzoek van appellante te honoreren. Voor de volledigheid wordt erop gewezen dat appellante, indien zij belastingschade lijdt, een afzonderlijk verzoek tot schadevergoeding tot het Uwv kan richten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 934,-;
bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 189,- vergoedt;
wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) M.G.J. van Eck
CRvB 11 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4266.