Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:778

2026-06-11 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/1332 WMO15
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-06-11
Publicatiedatum
2026-06-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/1332 WMO15
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang. Het geschil betreft de beoordeling van een reeds verstreken periode. Het is niet aannemelijk dat een inhoudelijk oordeel nog van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Aan appellante is immers nog vóór de einddatum van de maatwerkvoorziening per 25 april 2024 Wlz-zorg toegekend. Dat appellante schade heeft geleden is voorshands onaannemelijk te achten. Niet gebleken is dat appellante kosten heeft gemaakt voor geleverde ondersteuning of dat een betalingsverplichting jegens de dochter als hulpverlener is ontstaan vanwege geleverde ondersteuning.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.292 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1332 WMO15










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2025, 24/3041 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (college)








Datum uitspraak: 11 juni 2026


SAMENVATTING


Het hoger beroep is niet-ontvankelijk, omdat appellante geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling.





PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 april 2026. Namens appellante is de heer [gemachtigde] verschenen. Het college heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door mr. E.D. Mensing van Charante.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Appellante, geboren in 1941, ondervindt beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie.


1.2.
Met een besluit van 17 november 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 17 april 2024 (bestreden besluit), heeft het college, voor zover van belang, aan appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening voor aanvullende individuele ondersteuning verstrekt voor twee uur en tien minuten per week, voor de periode van 1 november 2023 tot en met 31 mei 2024. Appellante ontving de maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb), waarmee zij ondersteuning inkocht bij haar dochter.




Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.



Het standpunt van appellante



3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft hiertegen aangevoerd dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat de verstrekte aanvullende individuele ondersteuning onvoldoende is voor appellante.




Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



4.1.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden.



4.2.
Ter zitting is gesproken over het procesbelang van appellante bij het hoger beroep. Medegedeeld is dat de namens appellante ingediende facturen voor de geleverde ondersteuning werden aangepast aan het beschikbare pgb en dat deze facturen zowel de aanvullende individuele ondersteuning als de ook door de dochter verleende hulp bij het huishouden omvatten. Er zijn geen openstaande facturen en er ligt ook geen concrete vordering voor geleverde ondersteuning. Verder is duidelijk geworden dat appellante met ingang van 25 april 2024 over een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) beschikt. Tevens is duidelijk geworden dat zij deze zorg vanaf deze datum thuis verzilvert met een pgb en een modulair pakket thuis op grond van de Wlz.



4.3.
Het geschil betreft de beoordeling van een reeds verstreken periode. Het is niet aannemelijk dat een inhoudelijk oordeel nog van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Aan appellante is immers nog vóór de einddatum van de maatwerkvoorziening per 25 april 2024 Wlz-zorg toegekend. Dat appellante schade heeft geleden is voorshands onaannemelijk te achten. Niet gebleken is dat appellante kosten heeft gemaakt voor geleverde ondersteuning of dat een betalingsverplichting jegens de dochter als hulpverlener is ontstaan vanwege geleverde ondersteuning. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat appellante belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.





Conclusie en gevolgen


4.4.

Gelet op het voorgaande heeft appellante geen procesbelang bij een uitspraak op het hoger beroep, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.






(getekend) C.W.C.A. Bruggeman




(getekend) C.C.M. van t Hol



Zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.