Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:767

2026-06-09 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 24/1100 PW-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-06-09
Publicatiedatum
2026-06-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/1100 PW-PV
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering van bijstand. Verblijf in buitenland. Geen zeer dringende redenen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in een acute noodsituatie verkeerde. Dat zij met het oog op de mogelijke besmetting van medepassagiers later naar Nederland is teruggekeerd, is daarvoor onvoldoende. Appellante heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat op Bonaire in een behoeftige omstandigheid verkeerde die alleen door bijstandverlening ongedaan kon worden gemaakt. Appellante had dan ook geen recht had op bijstand op grond van art. 16 lid 1 PW.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.070 tekens)
24/1100 PW-PV


Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 april 2024, 23/7099 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[Appellante] te [woonplaats] (appellante)



het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)








Datum uitspraak: 9 juni 2026



Zitting heeft: E.J.M. Heijs
Griffier: C.C.M. van 't Hol



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 juni 2026. Partijen zijn niet verschenen.





BESLISSING




De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.



Deze zaak gaat over een besluit van 21 maart 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 21 september 2023 (bestreden besluit), waarbij het college over de periode van 12 januari tot en met 31 januari 2023 de bijstand van appellante heeft herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van bijstand tot een bedrag van € 549,62 van appellante heeft teruggevorderd. Aan het bestreden besluit ligt, samengevat en voor zover van belang, ten grondslag dat appellante in deze periode geen recht op bijstand had, omdat zij te lang in het buitenland heeft verbleven en er geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet (PW) zijn om over die periode toch bijstand te verlenen.



Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.



Niet in geschil is dat appellante van 14 december 2022 tot en met 31 januari 2023 in het buitenland heeft verbleven. Ook is niet in geschil dat appellante over de periode van 12 januari 2023 tot en met 31 januari 2023 geen recht op bijstand had op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW. Uitsluitend is in geschil of appellante over de periode van 17 januari 2023, de beoogde terugkeerdatum, tot en met 31 januari 2023, de daadwerkelijke terugkeerdatum, op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW toch recht op bijstand had.



Volgens appellante is dit het geval, omdat sprake was van een acute noodsituatie. Zij heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd. Zij is op 15 januari 2023 positief getest op covid-19. Ondanks dat er begin 2023 geen reisbeperkingen meer waren, zou zij, als zij het vliegtuig van Bonaire naar Nederland had genomen, de andere passagiers hebben blootgesteld aan een onaanvaardbaar risico op besmetting. Ook begin 2023 kwamen er nog sterfgevallen als gevolg van covid-19 voor.



Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Dit volgt uit eerdere rechtspraak.



Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in een acute noodsituatie verkeerde als hiervoor bedoeld. Dat zij met het oog op de mogelijke besmetting van medepassagiers pas op 31 januari 2023 naar Nederland is teruggekeerd, is daarvoor onvoldoende. Appellante heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij gedurende de periode van 17 januari 2023 tot en met 31 januari 2023 op Bonaire in een behoeftige omstandigheid verkeerde die alleen door bijstandverlening ongedaan kon worden gemaakt. De Raad is dan ook met het college en de rechtbank van oordeel dat appellante geen recht had op bijstand op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW.

De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt en dat de intrekking en terugvordering in stand blijven. Dit betekent ook dat appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het griffierecht krijgt.




Waarvan proces-verbaal.



De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer




(getekend) C.C.M. van 't Hol (getekend) E.J.M. Heijs



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.