Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:675

2026-05-12 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 24/1978 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-05-12
Publicatiedatum
2026-05-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/1978 PW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Terugvordering van bijstand. Beëindiging voorbereidingsprocedure. Ontheffing arbeidsverplichtingen. Verzoek om digitale deelname zitting terecht geweigerd. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bestaat er geen absoluut recht om digitaal aan een zitting deel te nemen. De Raad is van oordeel dat appellant zijn verzoeken om online deel te willen nemen aan de zitting niet heeft gemotiveerd dan wel onderbouwd. De rechtbank heeft zijn verzoeken om online deel te nemen aan de zitting gemotiveerd afgewezen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.537 tekens)
24/1978 PW, 24/1981 BBZ, 24/1982 BBZ



Datum uitspraak: 12 mei 2026



Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer











Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 8 augustus 2024, 23/6657 (aangevallen uitspraak 1) en 22/5812 en 23/3057 (aangevallen uitspraak 2)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



het college van burgemeester en wethouders van Ermelo (college)




SAMENVATTING


In deze zaken gaat het om een terugvordering van bijstand, de beëindiging van een voorbereidingsprocedure als bedoeld in het Bbz 2004 en een ontheffing van de arbeidsverplichtingen. Appellant vindt dat de rechtbank zijn verzoek om online deelname aan de zitting ten onrechte heeft geweigerd. Daarin krijgt hij geen gelijk. Ook doet appellant een beroep op artikel 365 van het Wetboek van Strafvordering. Die beroepsgrond kan de Raad niet inhoudelijk beoordelen.





PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroepen ingesteld. Het college heeft verweerschriften ingediend.



De Raad heeft de zaken gevoegd behandeld op een zitting van 31 maart 2026. Appellant heeft door middel van videobellen deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door L.G. Röst.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.

Appellant ontving sinds 1 mei 2010 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) en naar de norm voor een alleenstaande.

Zaak 24/1978 PW




1.2.
Met besluiten van 6 augustus en 6 september 2019 heeft het college de bijstand met ingang van 1 mei 2018 ingetrokken en de over de periode van 1 mei 2018 tot en met 14 juni 2019 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 15.753,28 van appellant teruggevorderd. Met een besluit van 24 september 2019 heeft het college aan appellant een boete opgelegd. Deze besluitvorming is met de uitspraak van de Raad van 23 mei 2022 in rechte komen vast te staan.


1.3.
Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag heeft het college aan appellant met terugwerkende kracht vanaf 19 augustus 2019 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. De uitbetaling van de bijstand heeft voor het eerst in 2020 plaatsgevonden. Om die reden heeft de Belastingdienst op 7 mei 2020 een bedrag van € 1.480,- op de bankrekening van appellant gestort onder de vermelding “teruggaaf IB/PVV 2019”. Het deel dat betrekking heeft op de algemene heffingskorting over 2019 bedraagt € 910,-.


1.4.

Met een besluit van 20 april 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 29 september 2023 (bestreden besluit 1), heeft het college een bedrag van € 910,- als middel aangemerkt en van appellant teruggevorderd op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f van de PW.

Zaken 24/1981 BBZ en 24/1982 BBZ





1.4.
Appellant heeft op 23 maart 2022 een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een voorbereidingsperiode als bedoeld in het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Met een besluit van 28 maart 2022 heeft het college die aanvraag van appellant toegekend voor de periode van 1 april 2022 tot en met 30 september 2022.



1.5.
Met een besluit van 1 augustus 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 28 november 2022 (bestreden besluit 2), heeft het college de voorbereidingsperiode op grond van artikel 2, derde lid, van het Bbz 2004 met ingang van 1 augustus 2022 beëindigd.



1.6.
Met een besluit van 26 januari 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 17 mei 2023 (bestreden besluit 3), heeft het college appellant tot 1 juni 2023 ontheven van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW.




Uitspraken van de rechtbank



2. Met aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee dat besluit in stand gelaten. Met aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 2 en 3 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Het standpunt van appellant


3. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.



Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht tot haar uitspraken is gekomen aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Afwijzing verzoek online zitting bij de rechtbank



4.1.
Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraken als eerst naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte niet zijn verzoek heeft gehonoreerd om de zitting online bij te wonen, terwijl dit bij andere rechterlijke instanties wel is toegestaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.1.1.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bestaat er geen absoluut recht om digitaal aan een zitting deel te nemen. Gelet op artikel 2.14a, eerste lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken kan de rechtbank bepalen dat een zitting online plaatsvindt.


4.1.2.

Bij brief van 3 juli 2024 heeft de rechtbank appellant uitgenodigd ter zitting van de rechtbank in Zutphen te verschijnen op 25 juli 2024. In zijn e-mails van 14 juli 2024 heeft appellant verzocht om online deel te nemen aan de zitting. Met een brief van 16 juli 2024 heeft de griffier van de rechtbank aan appellant medegedeeld dat de zitting bij de rechtbank niet door middel van videobellen zal plaatsvinden. Over deze beslissing heeft appellant zijn onvrede geuit in een mail van 18 juli 2024. Hierop heeft de griffier van de rechtbank in een email van 19 juli 2024 nader toegelicht waarom het verzoek van appellant is afgewezen:
“Alleen in zeer bijzondere gevallen kan door een partij aan de zitting worden deelgenomen via videoverbinding. Uw verzoek hiertoe is eerder afgewezen, omdat van deze zeer bijzondere omstandigheden niet is gebleken. Ook in uw huidig bericht noemt u naar het oordeel van de rechtbank deze omstandigheden niet, zodat niet wordt teruggekomen op deze beslissing.”



4.1.3.

De Raad is van oordeel dat appellant zijn verzoeken om online deel te willen nemen aan de zitting niet heeft gemotiveerd dan wel onderbouwd. De rechtbank heeft zijn verzoeken om online deel te nemen aan de zitting gemotiveerd afgewezen. De rechtbank heeft de verzoeken kunnen afwijzen.

Beroep op artikel 365 van het Wetboek van Strafrecht





4.2.

Appellant heeft verder nog een beroep gedaan op artikel 365 van het Wetboek van Strafrecht. Die bepaling gaat over de strafbaarstelling van ambtenaren. Deze beroepsgrond kan de Raad niet inhoudelijk bespreken, omdat de beoordeling of sprake is van strafbaar handelen door een ambtenaar in de zin van voornoemde bepaling niet in de onderhavige bestuursrechtrechtelijke procedure aan de orde kan komen. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat medewerkers van de gemeente jegens hem discriminatoir hebben gehandeld, machtsmisbruik hebben gepleegd en dat sprake is geweest van vriendjespolitiek, is dit de Raad op geen enkele wijze uit het dossier gebleken en heeft appellant dat ook niet onderbouwd.

Overige




4.3.
Voor zover appellant nog heeft opgemerkt dat een eerdere blokkering (lees: opschorting) van de bijstand in 2019 en de destijds opgelegde boete onterecht is geweest, kan de Raad daarover niet oordelen. Dit valt, gelet op de aangevallen uitspraken en de bestreden besluiten 1, 2 en 3, niet onder de omvang van dit geding.


4.4.
Appellant heeft ten slotte niet gemotiveerd waarom het oordeel van de rechtbank in aangevallen uitspraak 2 (inhoudelijk) onjuist is.




Conclusie en gevolgen

5. De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de bestreden besluiten 1, 2 en 3 in stand blijven.
6. Omdat de hoger beroepen niet slagen, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.




Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.






(getekend) J.T.H. Zimmerman




(getekend)A.T. Dannenberg



ECLI:NL:CRVB:2022:1179.


Uitspraak van 11 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1704.