Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:674

2026-05-13 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 23/888 VALYS
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-05-13
Publicatiedatum
2026-05-21
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
23/888 VALYS
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over de vraag of MedTadvies de aanvraag van appellante voor een hoog pkb terecht heeft afgewezen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten waaruit volgt dat appellante – zoals vereist op grond van het Indicatieprotocol – vanuit strikt medische optiek niet in staat is om met begeleiding en met een hulpmiddel met de trein te reizen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.239 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer



23/888 VALYS










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 1 februari 2023, 22/1679 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



MedTadvies B.V. (voorheen: FMMU Advies B.V.) (MedTadvies)



de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)








Datum uitspraak: 13 mei 2026


SAMENVATTING


Deze uitspraak gaat over de vraag of MedTadvies de aanvraag van appellante voor een hoog pkb terecht heeft afgewezen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten waaruit volgt dat appellante – zoals vereist op grond van het Indicatieprotocol – vanuit strikt medische optiek niet in staat is om met begeleiding en met een hulpmiddel met de trein te reizen.





PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. R.C.A. van Niftrik, advocaat, hoger beroep ingesteld.



MedTadvies heeft een verweerschrift ingediend.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 juni 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Niftrik. MedTadvies heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Ramnath.



De Raad heeft mededeling gedaan aan partijen van een wijziging in de samenstelling van de kamer.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellante, geboren in 1969, heeft beperkingen in haar mobiliteit. Appellante beschikt over een Valyspas met een standaard persoonlijk kilometerbudget (standaard pkb). Zij heeft bij MedTadvies een aanvraag ingediend om toekenning van een hoog persoonlijk kilometerbudget (hoog pkb).



1.2.
Bij besluit van 26 december 2021, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 1 april 2022 (bestreden besluit), heeft MedTadvies de aanvraag van appellante afgewezen. MedTadvies heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante medisch gezien in staat is om met begeleiding en met een hulpmiddel met de trein te reizen.




Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft (samengevat en voor zover van belang) overwogen dat MedTadvies de beoordeling van de indicatieadviseur en van arts P.C. Dijkgraaf mocht volgen en zich op het standpunt mocht stellen dat niet is gebleken dat appellante strikt medisch gezien niet in staat is om te reizen met de trein. De rechtbank heeft geoordeeld dat het door MedTadvies verrichte onderzoek, zonder dat appellante door de arts werd gezien, voldoende zorgvuldig is geweest. MedTadvies heeft zich op basis van de aanwezige (medische) gegevens, waaronder het aanvraagformulier, een rapport van JPH consult alsmede informatie van een ergotherapeut, een duidelijk beeld kunnen vormen over de beperkingen van appellante bij het reizen per trein. Niet gebleken is dat sprake is geweest van ontoereikende medische gegevens op grond waarvan MedTadvies, gelet op het Indicatieprotocol Hoog Persoonlijk Kilometer Budget (Indicatieprotocol), gehouden was zelf informatie op te vragen dan wel zelf een medisch onderzoek te verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft arts Dijkgraaf zijn standpunt inzichtelijk uitgelegd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in afwijking van dit medisch advies strikt medisch gezien niet in staat is om met de trein te reizen. De uitleg die appellante onder meer tijdens de zitting heeft gegeven is daarvoor onvoldoende. Appellante heeft haar door de ergotherapeut onderschreven standpunt dat het reizen per trein leidt tot verslechtering van haar chronische beperkingen en uiteindelijk tot blijvend letsel aan gewrichten en aan het bindweefsel ook niet nader onderbouwd met medische stukken.



Het standpunt van appellante



3. Appellante is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Zij heeft – samengevat – aangevoerd dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. MedTadvies had nadere informatie bij haar of haar behandelaren moeten opvragen, dan wel zelf medisch onderzoek moeten verrichten. Verder heeft MedTadvies onvoldoende gemotiveerd dat zij, ondanks haar chronische beperkingen, in staat is om met de trein te reizen. Volgens appellante leidt reizen met de trein tot een onomkeerbare verslechtering van haar gezondheidstoestand. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar de eerder overgelegde informatie van haar ergotherapeut en van JPH consult.




Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.



4.1.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in grote lijnen een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en daarover een gemotiveerd oordeel gegeven. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat MedTadvies de aanvraag van appellante voor een hoog pkb op goede gronden heeft afgewezen.



4.2.
Ook de Raad is van oordeel dat het door MedTadvies verrichte medische onderzoek zorgvuldig is verricht. Het opvragen van medische informatie of het verrichten van een lichamelijk onderzoek was in dit geval niet nodig. Daarvoor acht de Raad van belang dat de arts van MedTadvies de door appellante genoemde aandoeningen aannemelijk heeft geacht en de door appellante ingebrachte informatie van de ergotherapeut en van JPH Consult bij de beoordeling heeft betrokken. Inzichtelijk is uiteengezet waarom appellante, ondanks haar beperkingen, onder begeleiding en met een hulpmiddel gebruik kan maken van de trein. MedTadvies mocht het advies van de arts dan ook volgen.



4.3.
In wat appellante in hoger beroep verder naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Met name heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat reizen per trein zal leiden tot blijvend letsel aan haar gewrichten en bindweefsel. Hoewel invoelbaar is dat reizen met de trein door appellante als belastend wordt ervaren, zijn er onvoldoende aanknopingspunten waaruit volgt dat appellante – zoals vereist op grond van het Indicatieprotocol – vanuit strikt medische optiek niet in staat is om met begeleiding en met een hulpmiddel met de trein te reizen.



Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn




5. Gelet op het feit dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden na het verstrijken van de zes weken termijn waarbinnen de rechter na sluiting van het onderzoek ter zitting uitspraak behoort te doen, wordt ambtshalve het volgende overwogen. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.




5.1

Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellante door MedTadvies op 4 februari 2022 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ruim drie maanden verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de fase bij de bestuursrechter. Dat leidt tot een schadevergoeding van
€ 500,-, waarbij de Raad in aanmerking neemt dat niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De Raad zal daarom de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), waaraan deze overschrijding moet worden toegerekend, veroordelen tot betaling van dit bedrag aan appellante.






Conclusie en gevolgen


6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.



6.1.
In verband met de overschrijding van de redelijke termijn zal de Staat worden veroordeeld tot betaling aan appellante van een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500,-.


7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten. Ook krijgt zij het betaalde griffierecht niet terug.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep




bevestigt de aangevallen uitspraak;


veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-.





Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en L.M. Tobé en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.






(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum




(getekend) A.A. Verweij




Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke regels



Indicatieprotocol Hoog Persoonlijk Kilometer Budget (Indicatieprotocol)




Paragraaf 3 – Criteria

Een aanvrager komt in aanmerking voor een hoog pkb als:



de aanvrager beschikt over een Wmo-vervoersvoorziening, een Wmo-rolstoel, scootmobiel of OV-begeleiderskaart en


gebruik moet maken van een rolstoel of scootmobiel waarvan gewicht, en/of maatvoering in combinatie met de aanvrager (de zogenaamde ‘mens-machinecombinatie’) zodanig is dat deze de grenzen van mogelijkheid tot hulpverlening door de NS overschrijden en/of


door persoonsgebonden medische beperkingen van chronische aard vanuit strikt medische optiek niet in staat is met de trein te reizen.





Toelichting




(…)



Doel van de inhoudelijke beoordeling is vast te stellen of een aanvrager gezien zijn ergonomische belemmeringen (criterium 2) en/of chronische medische toetsbare beperkingen (criterium 3) niet met de trein kan reizen. Omgevingsgebonden factoren, zoals de bereikbaarheid en toegankelijkheid van stations en perrons, zijn in beginsel geen reden voor toekenning van een hoog pkb.



FMMU Advies (lees: MedTadvies) gaat er bij de beoordeling van uit dat pashouders bij het reizen zo nodig gebruik maken van individuele begeleiding en/of de door NS en Valys ter beschikking gestelde voorzieningen, zoals invalidentoiletten in de stations en in de treinen en NS-assistentieverlening. De aanvrager is zelf verantwoordelijk voor het verzorgen van eventuele begeleiding tijdens de reis.



(…)




Paragraaf 4 – Medische gegevens en medisch onderzoek

FMMU Advies (lees: MedTadvies) beoordeelt de aanvraag op basis van de bij de aanvraag gevoegde medische gegevens. De plicht tot het verstrekken van medische gegevens en het onderbouwen van zijn of haar aanvraag rust op de aanvrager.



In het geval de medische gegevens van een aanvrager – als gevolg van een niet aan de aanvrager te wijten omstandigheid – ontoereikend zijn voor de afhandeling van zijn aanvraag, verricht FMMU Advies (lees: MedTadvies) een medisch onderzoek bij de aanvrager.



Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.