Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:656
2026-05-19
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
26/111 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het griffierecht is niet betaald. Niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2025:884 Centrale Raad van Beroep 03-06-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.533 tekens)
26/111 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
26/111 PW
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wormerland van 4 november 2025
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Wormerland (college)
Datum uitspraak: 19 mei 2026
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak van 3 juni 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:884) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 maart 2024 vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 februari 2023 vernietigd voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft en het college opgedragen in zoverre een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Verder heeft de Raad bepaald met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat tegen de nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Op 4 november 2025 heeft het college een nieuw besluit genomen. Appellant heeft hiertegen beroep ingesteld.
OVERWEGINGEN
In artikel 8:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven.
Bij brief van 23 januari 2026 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 53,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 23 februari 2026 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
De termijn is verstreken en het griffierecht is niet betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
26/111 PW
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wormerland van 4 november 2025
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Wormerland (college)
Datum uitspraak: 19 mei 2026
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak van 3 juni 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:884) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 maart 2024 vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 februari 2023 vernietigd voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft en het college opgedragen in zoverre een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Verder heeft de Raad bepaald met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat tegen de nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Op 4 november 2025 heeft het college een nieuw besluit genomen. Appellant heeft hiertegen beroep ingesteld.
OVERWEGINGEN
In artikel 8:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven.
Bij brief van 23 januari 2026 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 53,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 23 februari 2026 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
De termijn is verstreken en het griffierecht is niet betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.