Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:437

2026-04-16 Bestuursrecht; Ambtenarenrecht 24/1185 WAD
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-04-16
Publicatiedatum
2026-04-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/1185 WAD
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vaststelling functiebeschrijving. Naar aanleiding van het verzoek om functieonderhoud heeft de commandant de functiebeschrijving van appellant juist vastgesteld.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.366 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer



24/1185 WAD










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 april 2024, 23/5686 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Commandant Zeestrijdkrachten (commandant)








Datum uitspraak: 16 april 2026


SAMENVATTING


In deze zaak gaat het om de vraag of de commandant de functiebeschrijving juist heeft vastgesteld naar aanleiding van het verzoek om functieonderhoud van appellant. De Raad beantwoordt deze vraag, net als de rechtbank, bevestigend.





PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M. Degelink hoger beroep ingesteld. De commandant heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Degelink. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.M.R. van den Ende, I.E.M. van Rooijen en M. Abbekerk.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellant werkt als burgerambtenaar bij de Koninklijke Marine. Hij was in de periode van 1 juli 2016 tot 1 augustus 2019 geplaatst in de functie van [functie 1] (schaal 10) bij de Directie Materieel Instandhouding.



1.2.
Op 27 juni 2019 heeft appellant de commandant verzocht zijn functie met terugwerkende kracht tot 1 januari 2017 opnieuw te beschrijven en vervolgens te waarderen, omdat zijn verantwoordelijkheden en taken al geruime tijd groter zijn dan volgt uit de functiebeschrijving.



1.3.
Met een besluit van 4 juli 2022 heeft de commandant een nieuwe functiebeschrijving vastgesteld met de naam [functie 2] en de functie gewaardeerd in schaal 10.



1.4.
Met een besluit van 1 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft de commandant het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 juli 2022 ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen de functiewaardering is aangehouden tot de functiebeschrijving in rechte vaststaat.




Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat zij de commandant volgt in het standpunt dat een functiebeschrijving geen gedetailleerde werkinstructie is, maar in hoofdlijnen een beschrijving geeft van de tot de functie behorende taken en werkzaamheden, verantwoordelijkheden en bevoegdheden, functionele contacten en daarvoor benodigde kennis, inzicht en vaardigheden. De rechtbank vindt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de werkzaamheden die volgens hem ten onrechte niet zijn opgenomen in de functiebeschrijving, aan hem waren opgedragen en dat hij deze gedurende langere tijd, in afwijking van de functiebeschrijving, heeft verricht. Verder zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de functiebeschrijving tekortschiet omdat de door appellant gewenste bewoordingen en mate van detail niet zijn overgenomen. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding buiten beschouwing gelaten, omdat de vraag of schade is geleden afhangt van de besluitvorming over de functiewaardering.



Het standpunt van appellant



3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.




Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de functiebeschrijving in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.



4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad gaat het bij een verzoek om functieonderhoud, zoals hier aan de orde, om de beantwoording van de vraag of de feitelijk opgedragen werkzaamheden gedurende langere tijd wezenlijk afwijken van de functiebeschrijving. Het is aan de ambtenaar om dit aannemelijk te maken. Omdat het hier gaat om een vaststelling van feiten, is een slechts terughoudende toetsing door de rechter niet op zijn plaats.



4.2.
Bij de beoordeling van een verzoek om functieonderhoud moet eerst worden vastgesteld welke werkzaamheden feitelijk aan de ambtenaar zijn opgedragen. Pas daarna komt de vraag aan de orde of deze werkzaamheden afdoende zijn beschreven in de functiebeschrijving.



4.3.
De commandant heeft ter zitting toegelicht dat de nieuwe functiebeschrijving van [functie 2] tot stand is gekomen op basis van gesprekken met appellant. Hierbij is de functiebeschrijving van [functie 1] als uitgangspunt genomen, aangevuld met de werkzaamheden die appellant feitelijk als zogenaamd normsteller heeft verricht. Daarnaast is aan de hand van de functiebeschrijving van vergelijkbare functies bij andere dienstonderdelen beoordeeld welke taken op het gebied van normstelling van toepassing waren op het dienstonderdeel waar appellant werkte, de Directie Materieel Instandhouding, en voortaan tot het takenpakket van appellant zouden moeten behoren. Ook die elementen zijn in de functiebeschrijving opgenomen. Appellant heeft dit niet bestreden.



4.4.
Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog dat alle werkzaamheden en verantwoordelijkheden van de normsteller zoals deze in de functiebeschrijving van vergelijkbare functies bij andere dienstonderdelen zijn opgenomen, moeten worden overgenomen in de functiebeschrijving van [functie 2] , ook al heeft hij sommige van deze werkzaamheden feitelijk niet verricht. Uit het onder 4.1 en 4.2 opgenomen toetsingskader volgt dat ook de feitelijke situatie van belang is. Bovendien is ook niet gebleken dat de door appellant bedoelde werkzaamheden aan hem waren opgedragen.


4.5.
De stukken die appellant heeft overgelegd over zijn betrokkenheid bij een aantal projecten leiden niet tot een ander oordeel. De commandant heeft in het verweerschrift gemotiveerd toegelicht dat appellant heeft meegewerkt aan deze projecten vanuit zijn eigen aandachtsgebied en dat deze werkzaamheden vallen onder de nieuwe functiebeschrijving. De (hoofd- of eind)verantwoordelijkheid voor deze projecten lag bij andere personen. Deze was ook niet aan appellant opgedragen.



4.6.
Appellant heeft ter zitting gesteld dat hij hetzelfde werk heeft verricht als een directe collega in een hoger gewaardeerde functie. Appellant heeft benadrukt dat hij deze collega heeft geholpen. De commandant heeft toegelicht dat deze collega is aangesteld in een wezenlijk andere functie en is ingezet op andere systemen dan appellant. Niet is gebleken dat in de samenwerking met deze collega de feitelijk opgedragen werkzaamheden gedurende langere tijd wezenlijk afweken van de functiebeschrijving van appellant.





Conclusie en gevolgen


4.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de functiebeschrijving in stand blijft.


5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.






(getekend) Y. Sneevliet




(getekend) A.A. Verweij



Uitspraak van de Raad van 23 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2335.