Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:413

2026-04-02 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/699 WLZ
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-04-02
Publicatiedatum
2026-04-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/699 WLZ
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | USZ 2026/117

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor Wlz-zorg. Alsnog sprake van de grondslag psychische stoornis. Terecht geoordeeld dat geen sprake is van een blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid als bedoeld in de Wlz.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.600 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer



25/699 WLZ










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 maart 2025, 24/2133 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



Het CIZ








Datum uitspraak: 2 april 2026

SAMENVATTING


Deze uitspraak gaat over de vraag of het CIZ de aanvraag van appellant voor zorg op grond van de Wlz terecht heeft afgewezen. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat appellant niet voldoet aan criteria die gelden voor de toegang tot zorg vanuit de Wlz. Het hoger beroep slaagt niet.





PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld. Het CIZ heeft een verweerschrift ingediend.



Partijen hebben nadere stukken ingediend.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 februari 2026. Voor appellant is mr. Grégoire verschenen. Het CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Koedood en mr. L. Bruijs.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1.1.
Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.2.
Appellant, geboren in 1969, is bekend met lichamelijke en psychische problematiek. Op 16 juni 2023 heeft het CIZ een aanvraag van appellant ontvangen om in aanmerking te komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).



1.3.
Met een besluit van 29 september 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 7 maart 2024 (bestreden besluit), heeft het CIZ de aanvraag van appellant afgewezen. Hieraan liggen onder meer de medische adviezen ten grondslag van 20 september 2023 en 1 maart 2024.




Uitspraak van de rechtbank




2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft het standpunt van het CIZ gevolgd dat het niet nodig is dat appellant wordt opgeroepen voor een gesprek met een medisch adviseur van het CIZ, omdat met de aanwezige medische gegevens een goed beeld is verkregen van zijn situatie. De rechtbank heeft geoordeeld dat het CIZ zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat naast de grondslag somatische aandoening geen sprake is van de grondslag psychische stoornis. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het CIZ terecht tot de conclusie is gekomen dat appellant geen blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig heeft ter voorkoming van ernstig nadeel. De benodigde zorg is planbaar en appellant kan zelf hulp inroepen en afwachten zonder dat er ernstig nadeel optreedt. Appellant is volgens de medische stukken ook nog niet uitbehandeld.

Het standpunt van appellant





3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het medisch advies niet juist tot stand is gekomen, omdat geen persoonlijk gesprek heeft plaatsgevonden met appellant. Uit een consult bij psychiater K. van Dillen op 27 oktober 2025 blijkt volgens appellant dat sprake is van een psychische grondslag voor zorg. Daarnaast heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) appellant met ingang van 2 december 2025 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt geacht. Uit de door hem ingediende stukken volgt volgens appellant dat blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid noodzakelijk is.



Het standpunt van het CIZ





3.2.
De medisch adviseur van het CIZ is op grond van de informatie van psychiater Van Dillen tot de conclusie gekomen dat alsnog sprake is van de grondslag psychische stoornis. De nieuwe aangeleverde informatie vormt geen aanleiding om de conclusie in het medisch advies van 1 maart 2024 te herzien. Nog steeds kan een blijvende medische noodzaak voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid niet worden vastgesteld.




Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing voor de zorg op grond van de Wlz in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.



4.1.
Appellant heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het onderzoek door het CIZ niet voldoet aan het bepaalde in artikel 3.2.2, eerste lid, van het Besluit langdurige zorg (Blz). Appellant is niet in persoon gezien bij het huisbezoek op 19 juli 2023 en ook na het bezwaar tegen het besluit van 29 september 2023 is hij niet in persoon gezien of gesproken. Als het CIZ vindt dat appellant door op bed te blijven liggen tijdens het huisbezoek en ook niet op de hoorzitting te verschijnen onvoldoende medewerking verleent aan het noodzakelijke onderzoek en daaraan consequenties wil verbinden, dient het CIZ appellant daarop eerst te wijzen.



4.2.
De Raad ziet aanleiding om het in 4.1 genoemde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, omdat aannemelijk is dat appellant door dit gebrek niet is benadeeld. De medisch adviseur heeft de benodigde relevante informatie namelijk op andere wijze verkregen. Naast de van de dochter van appellant verkregen informatie bij het huisbezoek, is door appellant (medische) informatie overgelegd. Deze informatie is door de medisch adviseur van het CIZ in de advisering betrokken. Het bestreden besluit zou dan ook niet anders hebben geluid als wel zou zijn voldaan aan artikel 3.2.2, eerste lid, van het Blz.



4.3.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het CIZ afdoende heeft gemotiveerd dat de somatische aandoeningen niet meebrengen dat appellant een blijvende behoefte heeft aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid, zoals bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wlz. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank.


4.4.
Naar aanleiding van de door appellant in hoger beroep overgelegde informatie van psychiater Van Dillen van 27 oktober 2015 heeft het CIZ laten weten dat naast de grondslag somatische aandoening ook sprake is van de grondslag psychische stoornis. Dit leidt het CIZ echter niet tot een ander standpunt over het recht op Wlz-zorg, omdat hiermee volgens de medisch adviseur van het CIZ nog steeds geen sprake is van een blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid als bedoeld in de Wlz. De medisch adviseur wijst er op dat uit het dossier blijkt dat appellant zelf hulp kan inroepen. Zware regieproblemen waarvoor voortdurend begeleiding of overname van taken nodig is om ernstig nadeel te voorkomen, kunnen volgens de medisch adviseur niet worden vastgesteld. Door regelmatige (dagelijkse) geplande zorg- en begeleidingsmomenten kan volgens de medisch adviseur van het CIZ, niet alleen de nodige hulp en ondersteuning bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen en in het huishouden worden geboden, maar ook de mogelijkheid tot ventileren, alsmede de mogelijkheid om eventuele psychiatrische ontregeling tijdig te signaleren.



4.5.
Niet gebleken is dat de medisch adviseur hiermee geen juist beeld heeft gegeven van de gezondheidssituatie van appellant of dat de door hem getrokken conclusie onjuist is. De door appellant ingediende stukken geven geen reden tot twijfel hieraan. De conclusie van het Uwv in de overgelegde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling dat geen sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden en dat appellant recht heeft op een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen ziet op een ander beoordelingskader dat niet vergelijkbaar is met een beoordeling voor de toegang tot zorg op grond van de Wlz. Voor het inschakelen van een deskundige ziet de Raad dan ook geen aanleiding.





Conclusie en gevolgen


4.6.
Uit wat in 4.1. tot en met 4.5 is overwogen volgt reeds dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd, zij het met verbetering van gronden. Het CIZ heeft de aanvraag van appellant voor zorg op grond van de Wlz terecht afgewezen.


5. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb brengt mee dat het CIZ wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant wegens de in beroep (2 punten met een waarde van € 934,- per punt) en hoger beroep (2 punten met een waarde van € 934,- per punt) gemaakte kosten van rechtsbijstand en € 126,67 voor het opvragen van medische informatie. Dit resulteert in een vergoeding van € 3.862,67. Ook moet het CIZ het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 194,- vergoeden.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep




bevestigt de aangevallen uitspraak;


veroordeelt het CIZ in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.862,67;


bepaalt dat het CIZ aan appellant het door haar in beroep en hoger beroep betaalde


griffierecht van in totaal € 194,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en L.M. Tobé en C.W.C.A. Bruggeman als leden in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.






(getekend) H.J. de Mooij




(getekend) F.M. Gerritsen



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke bepalingen



Wet langdurige zorg





Artikel 3.2.1, eerste lid




Een verzekerde heeft recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan:


a. permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde, of

b. 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hemzelf te voorkomen,


1°. door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of



2°. door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft.




Besluit langdurige zorg





Artikel 3.2.2, eerste lid




De voorbereiding van een indicatiebesluit omvat in ieder geval een onderzoek van de verzekerde in persoon.



Vergelijk de uitspraken van 19 juni 2019,ECLI:NL:CRVB:2019:1973 en 6 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3893.