Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:342

2026-03-19 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/227 ZW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-03-19
Publicatiedatum
2026-03-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Herziening
Zaaknummer
25/227 ZW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening afgewezen. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Geen aanleiding voor vervallenverklaring of rectificatie van de uitspraak.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.764 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 11 mei 2023, 22/1757







Partijen:




[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 19 maart 2026


SAMENVATTING


Verzoeker heeft verzocht om herziening van een uitspraak van de Raad. Hij is van mening dat de Raad in de betreffende uitspraak heeft verzuimd om het aan hem voorgelegde geschil te beslechten. Bovendien is ten onrechte in de uitspraak vermeld dat verzoeker zijn standpunt in hoger beroep niet heeft onderbouwd met medische gegevens. Voor zover de Raad van oordeel is dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen, heeft verzoeker verzocht om rectificatie of vervallenverklaring van de uitspraak. De Raad wijst het verzoek om herziening af en ziet ook geen aanleiding voor vervallenverklaring of rectificatie van de uitspraak.





PROCESVERLOOP


Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 11 mei 2023.



Het Uwv heeft gereageerd op het verzoek.



Verzoeker heeft een nader stuk ingediend.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 5 februari 2026. Verzoeker is verschenen. Het Uwv is niet verschenen.





OVERWEGINGEN


1.1.
Verzoeker heeft in het verleden gewerkt als administratief medewerker. Op 11 april 2019 heeft hij zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, ziekgemeld. Het Uwv heeft verzoeker een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Naar aanleiding van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft het Uwv bij besluit van 5 juni 2020 de ZW-uitkering van verzoeker met ingang van 6 juli 2020 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Bij besluit van 25 november 2020 heeft het Uwv het hiertegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank Midden-Nederland heeft in een uitspraak van 25 april 2022 het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Met de uitspraak van 11 mei 2023 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd voor zover aangevochten.



1.2.
Verzoeker heeft met een brief van 9 juni 2023 de Raad verzocht om de uitspraak van 11 mei 2023 te herzien. Met een uitspraak van 1 mei 2024 heeft de Raad het verzoek om herziening afgewezen. De Raad heeft in deze uitspraak overwogen dat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht en dat hij in feite beoogt een hernieuwde discussie te voeren over de beoordeling van de Raad in de uitspaak van 11 mei 2023. Het rechtsmiddel van herziening kan daar niet toe strekken.

2. Met een brief van 13 november 2024 heeft verzoeker opnieuw verzocht om de uitspraak van 11 mei 2023 te herzien. Hij heeft naar voren gebracht dat de Raad heeft verzuimd om het aan hem voorgelegde geschil te beslechten. De Raad heeft de omvang van het geschil onjuist vastgesteld en het grootste deel van de aangevoerde gronden niet besproken. Bovendien is in de uitspraak vermeld dat verzoeker zijn standpunt in hoger beroep niet heeft onderbouwd met nieuwe medische gegevens, terwijl hij een rapport van een arbeids-medisch belastbaarheidsonderzoek heeft ingediend. Verzoeker beoogt niet om een hernieuwde discussie te voeren maar om een discussie die tot nu toe niet is gevoerd alsnog te voeren. Verzoeker stelt dat bij de beoordeling van een verzoek om herziening niet alleen moet worden beoordeeld of er nieuwe feiten of omstandigheden zijn. Er moet tevens worden getoetst of sprake is van evidente onredelijkheid, zoals dat ook gebeurt bij een verzoek om herziening van een besluit van een bestuursorgaan op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ter onderbouwing hiervan heeft verzoeker verwezen naar diverse uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) die hij heeft genoemd in zijn eerdere verzoek om herziening. Voor zover de Raad van oordeel is dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen, heeft verzoeker verzocht om rectificatie of vervallenverklaring van de uitspraak van 11 mei 2023. Hij is van mening dat de uitspraak van de Raad kennelijk onjuist is, omdat deze is gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat hij geen bewijsmateriaal heeft aangedragen.

3. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen.




Het oordeel van de Raad


4.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.



4.2.
Niet in geschil is dat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd. Een vermeende rechterlijke misslag, zoals het onbesproken blijven van een betoog, is geen grond voor herziening. Het standpunt van verzoeker dat beoordeeld moet worden of sprake is van evidente onredelijkheid, wordt niet gevolgd. De Raad heeft al eerder overwogen dat in de procedure over herziening van een uitspaak van de bestuursrechter geen ruimte bestaat voor een dergelijke toets. In wat verzoeker naar voren heeft gebracht, wordt geen aanleiding gezien om hier thans anders over te oordelen. Ook in de uitspraken van de Afdeling die verzoeker heeft genoemd in zijn eerdere verzoek om herziening is niet getoetst of de afwijzing van het verzoek om herziening evident onredelijk is. Wel heeft de Afdeling in de betreffende uitspraken in het verzoek van een betrokkene aanleiding gezien voor ambtshalve vervallenverklaring van een eerdere uitspraak.



4.3.
Net als de Afdeling kan ook de Raad een eerder gedane uitspraak vervallen verklaren. Dit middel kan worden ingezet indien blijkt dat een belanghebbende aantoonbaar en in zodanige mate in zijn processuele belang is geschaad doordat de Raad een voorschrift van openbare orde niet in acht heeft genomen, dat ten gevolge daarvan moet worden vastgesteld dat de uitspraak die het betreft niet rechtmatig tot stand is gekomen. Dat is vaste rechtspraak. Het wordt slechts in zeer bijzondere gevallen toegepast en dient uitsluitend tot herstel van evidente, niet voor rectificatie vatbare fouten van de rechter, die niet door het instellen van enig rechtsmiddel kunnen worden ondervangen. Uit wat verzoeker heeft aangevoerd volgt niet dat daarvan sprake is. De stelling van verzoeker dat een beroepsgrond onbesproken is gebleven en dit als een evidente fout zoals hiervoor bedoeld moet worden aangemerkt, wordt niet gevolgd. Bovendien stelt de Raad vast dat de Raad in de uitspraak van 11 mei 2023 de medische gronden van verzoeker in hoger beroep tegen de beëindiging van de ZW per 6 juni 2020 inhoudelijk heeft beoordeeld. Voor een ambtshalve vervallenverklaring van zijn uitspraak van 11 mei 2023 ziet de Raad dan ook geen aanleiding.



4.4.
Evenmin is gebleken dat sprake is van een kennelijke, voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare fout in de beslissing of in de dragende overwegingen, die grond zou kunnen vormen voor een rectificatie van de uitspraak van de Raad. Bij kennelijke fouten kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin in de uitspraak een verkeerde rechtbank is vermeld, een fout is gemaakt in de berekening van de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten of de verkeerde partij is veroordeeld tot vergoeding van die kosten. Onder een kennelijke fout in de dragende overwegingen wordt niet verstaan het geval dat een beroepsgrond onbesproken is gebleven.





Conclusie en gevolgen


5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het verzoek om herziening wordt afgewezen en dat de Raad ook geen aanleiding ziet voor vervallenverklaring of rectificatie van de uitspraak van 11 mei 2023.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.




Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026.




(getekend) M.E. Fortuin





De griffier is verhinderd te ondertekenen.










CRvB 11 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2533.


CRvB 1 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:897.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1141.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 2 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1466.


Zie de uitspraak van de Raad van 3 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1779.


Zie de uitspraak van de Raad van 19 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1735.


Zie de uitspraak van de Raad van 10 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1173.