Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1253

2026-09-23 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/2058 ZW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-23
Publicatiedatum
2026-09-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/2058 ZW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering omdat appellante meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek en juiste medische beoordeling. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht geschikt voor appellante.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.385 tekens)
25/2058 ZW


Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 augustus 2025, 25/739 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 23 september 2026


SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 20 mei 2024 heeft beëindigd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat om de geselecteerde functies te verrichten, zodat zij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.





PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overgelegd. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft vervolgens een nader rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend. Appellante heeft vervolgens op dit rapport gereageerd en nadere stukken ingediend.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 augustus 2026. Voor appellante is [gemachtigde] verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als customer service agent voor 40,11 uur per week. Op 23 januari 2023 heeft zij zich ziekgemeld. Het Uwv heeft appellante vanaf 28 maart 2023 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts, waarvan de bevindingen zijn opgenomen in een rapport van 1 maart 2024 dat medeondertekend is door een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 maart 2024. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 19 april 2024 de ZW-uitkering van appellante met ingang van 20 mei 2024 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.



1.2.
Bij besluit van 26 februari 2025 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.





Uitspraak van de rechtbank




2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.




2.1.
De rechtbank heeft in de omstandigheid dat tussen de datum in geding het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep een periode van negen maanden is gelegen, geen reden gezien om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt in staat geacht de belastbaarheid van appellante in het verleden te kunnen vaststellen.



2.2.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van de (verzekerings)artsen van het Uwv. De verzekeringsartsen zijn geen specialist op specifieke aandoeningen zoals bijvoorbeeld fibromyalgie. Dit neemt niet weg dat de verzekeringsarts in staat moet worden geacht een vertaalslag te maken van de aandoeningen naar het vaststellen van beperkingen. Hoewel de artsen van het Uwv de pijnklachten reëel en consistent vinden, hebben deze niet geleid tot het aannemen van meer beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht appellante aangewezen op fysiek lichte arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt dat lichte beperkingen ten aanzien van handgebruik voldoende zijn, omdat de handfunctie van appellante volkomen intact is en er ook geen aanwijzingen zijn voor neurologische stoornissen aan de extremiteiten. Daarmee zijn fijn motorische handelingen in principe goed mogelijk. De beperking ten aanzien van langdurig met toetsenbord en muis werken is een gevolg van het feit dat hierbij wordt gewerkt in een langdurige gedwongen werkhouding. Dat appellante na twintig minuten typen haar handen niet meer zou kunnen gebruiken, blijkt niet uit de medische informatie.



2.3.
Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat de aangenomen beperkingen in rubriek 1 en 2 van de FML onvoldoende zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen dat de psychische klachten rond de datum in geding nog in beperkte mate aanwezig waren en zeker verklaard kunnen worden door de PTSS en de ADHD. Inmiddels was de ADHD redelijk adequaat medicamenteus ingesteld. De rechtbank kan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dit punt volgen gelet op de medische stukken en de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsartsen.



2.4.
De door appellante genoemde mouches volantes heeft zij niet bij de primaire arts ter sprake gebracht en op de datum in geding vond ook nog geen behandeling voor deze aandoening plaats, zodat dit geen aanleiding was voor het aannemen van beperkingen op de datum in geding.



2.5.
Omdat de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv, heeft de rechtbank geen reden gezien om een onafhankelijke medische deskundige te benoemen.



2.6.
Uitgaande van de juistheid van de medische beoordeling was appellante op de datum in geding in staat om de geselecteerde functies te verrichten. De arbeidsdeskundige heeft in het ‘Resultaat functiebeoordeling’ bij de zogeheten signaleringen afdoende gemotiveerd waarom appellante ondanks de aangenomen beperkingen de daar genoemde belasting in de functies aankan.




Het standpunt van appellante




3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de verzekeringsartsen onvoldoende expertise hebben over haar aandoeningen en dat de verzekeringsartsen onvoldoende hebben doorgevraagd naar de verschillende handelingen die volgens de FML mogelijk zijn, maar waartoe zij in het dagelijks leven niet in staat is.




3.1.
Volgens appellante zijn haar beperkingen onderschat en zijn ten onrechte in de FML geen beperkingen aangenomen voor handelingstempo in het dagelijks functioneren (item 1.7), zien (item 2.1), fijn motorische hand/vingerbewegingen (item 4.3.7) en repetitieve hand/vingerbewegingen (item 4.3.8). Uit het hele (dag)verhaal van appellante is op te maken dat zij op alle fronten vertraging ondervindt. Daarom had een beperkingen voor het handelingstempo in het dagelijks functioneren moeten worden aangenomen. Daarnaast had appellante op de datum in geding al last van haar oogklachten, al is dat niet gerapporteerd en is het gezichtsvermogen pas later een prioriteit geworden. Verder zijn vanwege hypermobiliteit in haar pink en pijnklachten beperkingen voor fijn motorische- en repetitieve hand/vingerbewegingen aangewezen. Appellante is beperkt geacht voor werken met muis en toetsenbord, terwijl dat ook motorisch en repetitief werk is. Appellante heeft in dit verband gewezen op een rapport van CIR Pijnrevalidatiecentrum, waarin staat vermeld dat repetitieve bewegingen, grotere bewegingen en snelle bewegingen provocaties van de klachten zijn.



3.2.
De verzekeringsartsen hebben ten onrechte geconcludeerd dat appellante geen last of beperkt last heeft van PTSS. Dit is echter één van de hoofdoorzaken van haar pijnklachten. Inmiddels heeft appellante veel geleerd over haar nociplastische pijn. Pijnspecialisten Howard Schubiner en Bessel van der Kolk, die uitgebreide kennis hebben van de relatie tussen trauma en nociplastische pijn, raden EMDR-therapie aan en in september 2025 is appellante begonnen aan een behandeltraject en is de diagnose CPTSS gesteld. De diagnose fibromyalgie is volgens appellante niet door de pijnspecialisten gesteld en de behandelend specialisten kunnen bevestigen dat haar psychologische stoornissen tot fysieke beperkingen leiden.



3.3.
Tenslotte heeft appellante aangevoerd dat de geduide functies voor haar niet geschikt zijn. Het ontbreken van duidelijkheid over de beperkingen heeft tot de onjuiste conclusie geleid dat appellante voltijd inzetbaar is voor de functies lader/losser, productiemedewerker industrie en textielproductenmaker. Appellante heeft gesolliciteerd dan wel navraag gedaan naar diverse vergelijkbare functies. Uit de reacties blijkt dat de functies fysiek te zwaar zijn gezien haar beperkingen.



Het standpunt van het Uwv




4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.





Het oordeel van de Raad


5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


5.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatstverdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.



Zorgvuldigheid onderzoek





5.2.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest. Dat de artsen in hun rapporten niet alle verschillende items van de FML bespreken, maakt niet dat het onderzoek onzorgvuldig is. De artsen moeten op basis van eigen onderzoek en medische informatie vaststellen welke beperkingen voor de aandoeningen en klachten van appellante moeten worden aangenomen. Dit hebben de verzekeringsartsen op zorgvuldige wijze gedaan.



Medische beoordeling





5.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een verzekeringsarts in staat moet worden geacht een vertaalslag te maken van specifieke aandoeningen naar het vaststellen van beperkingen in arbeid en dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv. In wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om het medisch oordeel van de artsen van het Uwv voor onjuist te houden.


5.3.1.
Wat betreft het handelingstempo heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, onder verwijzing naar de criteria in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) voldoende gemotiveerd waarom wel een beperking voor handelingstempo in arbeid is aangenomen, maar niet voor handelingstempo in het dagelijks leven. Een beperking op het laatstbedoelde punt wordt slechts aangenomen als er sprake is van een aanmerkelijk vertraagd handelingstempo, wat alleen zal voorkomen bij een ernstige stoornis.



5.3.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts voldoende gemotiveerd waarom een beperking op zien niet is aangewezen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in hoger beroep onderkend dat de mouches volantes al op datum in geding speelden, maar heeft toegelicht dat deze onschadelijk zijn en de visus verder volledig intact is, zodat deze geen consequenties hebben voor de belastbaarheid. Er is geen aanleiding om niet van de juistheid hiervan uit te gaan.



5.3.3.
Ten aanzien van de hand- en vingerbewegingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat bij onderzoek geen afwijkingen zijn gevonden aan de handfunctie, zodat er geen reden is om op de door appellante genoemde items beperkingen aan te nemen. Een beperking voor langdurig met toetsenbord en muis werken is aangenomen omdat hierbij wordt gewerkt in een langdurige gedwongen werkhouding, die spierspanning in de nek, schouders en polsen kan oproepen. Dit moet vanwege de medische klachten van appellante beperkt worden. Voor fijn motorisch werk is echter in het geval van appellante geen contraindicatie. Niet is gebleken dat de conclusie van de fysiotherapeut strijdig is met die van de verzekeringsartsen. In wat appellante heeft aangevoerd wordt daarom geen aanleiding gezien om te concluderen dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dit punt onjuist is.



5.3.4.
Er wordt voorts geen aanleiding gezien om het oordeel van de verzekeringsartsen over de psychische klachten en pijnklachten onjuist te achten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de verschillende rapporten toereikend en overtuigend gemotiveerd dat de psychische klachten van appellante niet worden ontkend, maar dat uit de beschikbare informatie niet blijkt dat de ernst van deze klachten op de datum in geding zodanig was dat verdergaande beperkingen in de FML zijn aangewezen. Daarbij is onder meer betrokken de brief van ADHD-Centraal van 12 juni 2024, waarin staat dat appellante goed heeft gereageerd op de medicatie en cognitieve gedragstherapie en dat de gestelde doelen zijn bereikt. Dat wijst volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet op de aanwezigheid van ernstige psychopathologie op datum in geding en daarmee zijn de aangenomen psychische beperkingen volgens hem toereikend. Daarnaast zijn ook de pijnklachten van appellante betrokken bij de beoordeling en zijn in verband hiermee beperkingen in de FML aangenomen. Uit de door appellante overgelegde informatie blijkt niet dat deze conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist zijn en dat de psychische beperkingen of beperkingen als gevolg van de pijnklachten op de datum in geding hadden moeten leiden tot verdergaande beperkingen.



Arbeidskundige beoordeling






5.4.
Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn. In het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 januari 2026 is toegelicht dat bij het selecteren van functies gebruik wordt gemaakt van in het CBBS opgenomen functies en dat het daarbij gaat om reële, op de Nederlandse arbeidsmarkt voorkomende functies, die voor appellante met het oog op haar krachten en bekwaamheden geschikt zijn geacht. Er is uitgegaan van de beschrijving van de functies door de arbeidsdeskundig analist in het CBBS en de daarbij gehanteerde definities. Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de beschrijving van de functies door de arbeidskundig analist.





Conclusie en gevolgen


5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.


6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.







BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.





(getekend) S. Wijna





(getekend) G.T. Hunsel






Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.