Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1252

2026-09-23 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/2258 WIA
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-23
Publicatiedatum
2026-09-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/2258 WIA
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beëindiging WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Zorgvuldig medisch onderzoek en voldoende arbeidskundige onderbouwing De geselecteerde functies zijn passend voor appellant.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.982 tekens)
25/2258 WIA


Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 oktober 2025, 24/6461 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 23 september 2026


SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering per 14 april 2024 heeft beëindigd, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd.





PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. D. Zevenhuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 augustus 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Zevenhuizen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als medewerker algemene dienst voor 40 uur per week. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 29 mei 2020 een WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij op medische gronden vastgesteld op 80 tot 100%. Daartoe heeft de verzekeringsarts overwogen dat bij het voltooien van de wachttijd geen belastbaarheid naar werk valt te duiden vanwege het herstel van een operatie eind 2019, maar dat verbetering wordt verwacht. Op 30 september 2020 heeft appellant gemeld dat zijn klachten sinds 30 juli 2020 zijn toegenomen.



1.2.
Begin 2024 hebben een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv onderzoek gedaan naar de arbeidsongeschiktheid van appellant. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 januari 2024. De arbeidsdeskundige heeft voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 13 februari 2024 de WIA-uitkering van appellant met ingang van 14 april 2024 beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.



1.3.
Bij besluit van 19 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.




Uitspraak van de rechtbank




2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.




2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. Hiertoe is overwogen dat uit de medische rapporten blijkt dat alle klachten van appellant in kaart zijn gebracht. Uit de medische rapporten blijkt dat de artsen kennis hebben genomen van de medische voorgeschiedenis van appellant en dat er informatie van de behandelend sector bij de beoordeling is betrokken.



2.2.
De rechtbank heeft overwogen dat appellant per datum spreekuur is beoordeeld. De belastbaarheid is vastgesteld in de FML van 24 januari 2024. De datum in geding is 14 april 2024, de datum per wanneer de WIA-uitkering is beëindigd. De stelling van appellant dat er sprake is van een zwaardere motiveringsplicht vanwege de korte termijn tussen de beoordeling van mei 2020 en de melding verslechterde gezondheid vijf maanden later, gaat om die reden al niet op. Zoals het Uwv uiteengezet heeft, is de reden voor de lange termijn het tekort aan verzekeringsartsen. Appellant heeft echter geen nadeel ondervonden van de lange termijn. Appellant heeft die gehele periode een volledige loonaanvullingsuitkering ontvangen, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.



2.3.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de grond dat ten onrechte door de verzekeringsarts is vermeld dat hij vrijwilligerswerk heeft gedaan niet slaagt. Appellant heeft dit namelijk zelf aangegeven in een wijzigingsformulier. Verder heeft het verrichten van vrijwilligerswerk geen invloed gehad op de herbeoordeling in het kader van de WIA.



2.4.
Appellant heeft niet nader onderbouwd waarom hij meer klachten en beperkingen heeft dan in de FML van 24 januari 2024 zijn opgenomen. Daarnaast heeft appellant ook niet nader onderbouwd waarom de functies zoals vastgesteld door arbeidsdeskundige op basis van de FML niet passend zijn en strijdig zijn met de FML. Deze beroepsgronden slagen om die reden al niet.



Het standpunt van appellant




3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant is van mening dat er door de verzekeringsartsen onvoldoende onderzoek is gedaan en dat zijn klachten en beperkingen zijn onderschat en onvoldoende meegewogen.




3.1.
Appellant heeft daartoe aangevoerd dat hij in beroep heeft onderbouwd dat de FML van 24 januari 2024 tekortschiet betreffende de klachten en beperkingen, dat deze FML derhalve niet meer als passende basis kan worden gebruikt voor de door de arbeidsdeskundige vastgestelde functies.



3.2.
Bovendien is volgens appellant een termijn van bijna vier jaar tussen zijn melding van de verslechterde gezondheid op 30 september 2020 en de beoordeling in 2024 te lang om te spreken over een volledige en correcte beoordeling. Indien het Uwv tijdig had gereageerd op de melding van 30 september 2020, zou destijds volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid zijn vastgesteld en in dat geval was van een beoordeling in 2024 geen sprake geweest.



Het standpunt van het Uwv




4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.




Het oordeel van de Raad


5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de WIA-uitkering van appellant in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



5.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.



Medische beoordeling





5.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid van appellant per 14 april 2024. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd, die aanleiding geven tot een andersluidend medisch oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid, worden geheel onderschreven.



5.3.
De Raad voegt daar, gelet op wat in hoger beroep is aangevoerd en ter zitting is besproken, nog het volgende aan toe. Het betoog van appellant komt erop neer dat het Uwv de beoordeling per 14 april 2024 niet plaats had mogen vinden, omdat het Uwv heeft nagelaten appellant te beoordelen naar aanleiding van zijn melding op 30 september 2020. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt. Appellant gaat eraan voorbij dat het Uwv te allen tijde bevoegd is de mate van arbeidsongeschiktheid van een uitkeringsgerechtigde te herbeoordelen. In de omstandigheden die appellant naar voren heeft gebracht wordt geen reden gezien om aan te nemen dat het aan het Uwv niet vrij stond de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant opnieuw per toekomende datum te beoordelen.



5.4.

Voor zover appellant betoogt dat een beoordeling in 2024 achterwege had kunnen blijven omdat een herbeoordeling in 2020 ertoe had geleid dat een IVA-uitkering zou zijn toegekend, overweegt de Raad het volgende. Appellant heeft op 30 september 2020 gemeld dat hij per eerdere datum, 30 juli 2020, toegenomen arbeidsongeschikt was. Op dat moment ging het Uwv al uit van volledige arbeidsongeschiktheid. Appellant had met zijn melding kunnen bereiken dat een IVA-uitkering werd toegekend. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat een herbeoordeling in deze periode niet tot een hogere uitkering zou hebben geleid. Uit de medische rapportages blijkt volgens het Uwv dat appellant zowel op het moment van de gestelde toename als op het moment van de melding volledig arbeidsongeschikt werd geacht, maar dat een verbetering van de belastbaarheid was te verwachten. Appellant heeft zijn standpunt dat in deze periode duurzaamheid had moeten worden aangenomen niet onderbouwd. Er bestaat geen aanleiding om het Uwv niet te volgen in de conclusie dat er in deze periode voldoende vooruitzicht was dat de belastbaarheid zou verbeteren.

Arbeidskundige beoordeling





5.5.
De door appellant gestelde arbeidskundige gronden houden niet meer in dan de stelling dat er meer medische beperkingen zijn dan door het Uwv zijn aangenomen en deze stelling treft, zoals hiervoor is overwogen, geen doel.





Conclusie en gevolgen


5.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft.


6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door J.H. Ermers, in tegenwoordigheid van L. Siebes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.





(getekend) J.H. Ermers





(getekend) L. Siebes











Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 27 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2455, 3 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:87 en 2 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:5.