Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1250
2026-09-23
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/1874 WIA
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Toekenning van een WGA-uitkering aan appellant. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voor appellant waren op de datum in geding nog kansen op verbetering van de functionele mogelijkheden. Dit betekent dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant op 30 december 2022 niet duurzaam van aard is.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896 Centrale Raad van Beroep 04-02-2009
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.304 tekens)
25/1874 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
25 juli 2025, 24/5511 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellant per 30 december 2022 een IVAuitkering toe te kennen, omdat de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Volgens appellant zijn de beperkingen duurzaam. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen IVAuitkering, maar een WGAuitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 augustus 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Willering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Bij besluit van 9 oktober 2023, waarbij het Uwv een eerder besluit van 3 oktober 2023 heeft aangevuld, heeft het Uwv appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 30 december 2022 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend in verband met beperkingen die verband houden met een oud myocardinfarct in 2014, ischemische hartziekte, status na cerebrovasculaire aandoening (CVA) en een aanpassingsstoornis. De beperkingen voor appellant zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 oktober 2023. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op 64,66%.
1.2.
Bij besluit van 4 september 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en vastgesteld dat appellant 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. Appellant is volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant volledig arbeidsongeschikt is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende concreet en inzichtelijk onderbouwd dat appellant op de datum in geding niet duurzaam arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts heeft in het rapport van 15 september 2023 beschreven dat appellant geen behandeling of onderzoek wil voor zijn slaapapneu en leverfunctiestoornissen. Appellant wil ook geen psychologische ondersteuning. Indien appellant een goede psychologische behandeling zou ondergaan, kunnen de beperkingen verbeteren, aldus de verzekeringsarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze conclusie onderschreven en heeft op 19 augustus 2024 gerapporteerd dat met revalidatie en psychologische begeleiding meerdere aangenomen beperkingen kunnen verminderen in de komende jaren. Er is daarom geen sprake van duurzaamheid van de beperkingen. De rechtbank heeft deze motivering navolgbaar geacht. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat uit de ingebrachte medische informatie van Reade van 22 december 2023, waarin vermeld is dat verder neurologisch herstel na drie jaar CVA nihil zal zijn en de cognitieve beperkingen en lichte hemiparese blijvend van aard zijn, blijkt dat sprake is van duurzaamheid (van alle aangenomen beperkingen). Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat deze informatie dateert van na de datum in geding. Uit de bewoordingen van de brief blijkt dat de behandelend arts op dat moment, dus een jaar na de datum in geding, tot de conclusie gekomen is dat, gelet op het tijdsverloop na de CVA, er geen verder herstel meer te verwachten is op de genoemde beperkingen. Dit maakt de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep per datum in geding echter niet onjuist. Ook overigens zijn door appellant geen stukken ingebracht die twijfel geven aan het medisch standpunt van het Uwv dat er ten tijde in geding nog mogelijkheden waren voor herstel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende concreet en inzichtelijk onderbouwd dat appellant op de datum in geding niet duurzaam arbeidsongeschikt was. De rechtbank heeft geen reden gezien voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij in aanmerking moet komen voor een IVAuitkering omdat er op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Zijn medisch toestandsbeeld met hartfalen en een herseninfarct in 2020 zal niet verbeteren. Door zijn herseninfarct is hij snel vermoeid en uitgeput en heeft hij last van prikkels. Appellant heeft aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom zijn belastbaarheid met de door deze arts voorgestelde revalidatie en psychologische behandeling zal toenemen. De toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is te algemeen geformuleerd en te weinig op zijn persoon gericht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet toegelicht in welke mate herstel verwacht mag worden en binnen welke termijn, als ook hoe groot de kans op herstel is en wat dit als gevolgen heeft voor de belastbaarheid van appellant in het eerstvolgend jaar of het jaar erna. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij duurzaam volledig arbeidsongeschikt is, heeft appellant onder meer verwezen naar informatie van revalidatiearts J. Groot van 23 juni 2020, een verlag van een neuropsychologisch onderzoek van 15 december 2020, informatie van een physician assistant O.M. Manck van 22 december 2023, cardioloog M.K. Szymanski van 25 september 2025 en GZpsycholoog R.Y. Steenhuizen van 19 mei 2026 en informatie van zijn systeemtherapeut H. Houniet.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de nader ingebrachte stukken op 30 juli 2026 een aanvullend rapport opgesteld waarin wordt geconcludeerd dat verbetering van de belastbaarheid van appellant te verwachten was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 31 juli 2026 een fictieve FML opgesteld waarbij alleen de duurzame beperkingen ten aanzien van de hartfunctie van appellant zijn opgenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aan de hand van deze fictieve FML functies geselecteerd en berekend dat de mate van arbeidsongeschiktheid daarmee 43,89 % bedraagt. Dit betekent volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat wanneer enkel wordt uitgegaan van de duurzame beperkingen, per datum in geding geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. Daarom heeft het Uwv zijn standpunt, dat appellant per datum in geding niet in aanmerking komt voor een IVAuitkering, gehandhaafd.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de toekenning van een WGAuitkering aan appellant in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Niet in geschil is dat appellant volledig arbeidsongeschikt is. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten, ligt de vraag voor of de arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding, 30 december 2022, moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn, zodat appellant op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA in plaats van een WGAuitkering.
5.2.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel moet vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Als die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
5.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 30 juli 2026 aan de hand van het Beoordelingskader duurzaamheid en het daarin vermelde stappenplan nogmaals inzichtelijk gemotiveerd dat voor appellant op de datum in geding nog kansen waren op verbetering van de functionele mogelijkheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uiteengezet dat de verzekeringsarts bij psychologisch onderzoek geen tekenen van ernstige NAH of psychische stoornis heeft waargenomen, maar wel heeft bemerkt dat de stemming van appellant afwerend en latent agressief is. Gelet hierop is het plausibel te achten dat de psychische klachten op termijn dusdanig zouden kunnen verbeteren met psychologische begeleiding/behandeling dat de beperkingen in de rubrieken 1, 2 en 6 van de FML naar de norm kunnen terugkeren. Vanwege de slechte hartfunctie (o.a. ICD) van appellant is wel vereist dat sprake is van lichte arbeid, zonder stress. Daarom zijn de beperkingen in rubriek 1 ten aanzien van veelvuldige deadlines of productiepieken en hoog handelingstempo, evenals in rubriek 2 ten aanzien van beroepsmatig een voertuig besturen, duurzaam. Ook de fysieke beperkingen in de rubrieken 3 en 4 van de FML zijn om deze reden duurzaam. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten aanzien van de duurbelastbaarheid overwogen dat de urenbeperking is gebaseerd op een energetische stoornis door de combinatie van psychische en fysieke klachten en preventief wegens het hart. Bij een vermindering van de psychische klachten zal de urenbeperking ook aangepast worden, maar niet tot de norm. Plausibel is dat appellant dan maximaal 5 tot 6 uur per dag en 30 tot 32 uur per week kan werken, waarbij appellant vanwege de slechtere hartfunctie is aangewezen op regelmatige werktijden. Er was derhalve een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid.
5.4.
De Raad voegt daar aan toe dat het Uwv heeft toegelicht dat op basis van de fictieve FML, waarin de duurzame beperkingen op grond van de cardiale aandoening van appellant zijn opgenomen, gekomen wordt tot een mate van arbeidsongeschiktheid die lager is dan 80 tot 100%. Verder blijkt uit de medische informatie van 12 juni 2023 van interventiecardioloog Y. Appelman dat hij aandringt op psychologische ondersteuning door een psycholoog die bekend is met CVA. Dit betekent dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant op 30 december 2022 niet duurzaam van aard is.
Conclusie en gevolgen
5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WGAuitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van A.N. Bechinka als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) A.N. Bechinka
CRvB 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896.
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
25 juli 2025, 24/5511 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellant per 30 december 2022 een IVAuitkering toe te kennen, omdat de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Volgens appellant zijn de beperkingen duurzaam. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen IVAuitkering, maar een WGAuitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 augustus 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Willering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Bij besluit van 9 oktober 2023, waarbij het Uwv een eerder besluit van 3 oktober 2023 heeft aangevuld, heeft het Uwv appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 30 december 2022 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend in verband met beperkingen die verband houden met een oud myocardinfarct in 2014, ischemische hartziekte, status na cerebrovasculaire aandoening (CVA) en een aanpassingsstoornis. De beperkingen voor appellant zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 oktober 2023. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op 64,66%.
1.2.
Bij besluit van 4 september 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en vastgesteld dat appellant 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. Appellant is volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant volledig arbeidsongeschikt is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende concreet en inzichtelijk onderbouwd dat appellant op de datum in geding niet duurzaam arbeidsongeschikt is. De verzekeringsarts heeft in het rapport van 15 september 2023 beschreven dat appellant geen behandeling of onderzoek wil voor zijn slaapapneu en leverfunctiestoornissen. Appellant wil ook geen psychologische ondersteuning. Indien appellant een goede psychologische behandeling zou ondergaan, kunnen de beperkingen verbeteren, aldus de verzekeringsarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze conclusie onderschreven en heeft op 19 augustus 2024 gerapporteerd dat met revalidatie en psychologische begeleiding meerdere aangenomen beperkingen kunnen verminderen in de komende jaren. Er is daarom geen sprake van duurzaamheid van de beperkingen. De rechtbank heeft deze motivering navolgbaar geacht. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat uit de ingebrachte medische informatie van Reade van 22 december 2023, waarin vermeld is dat verder neurologisch herstel na drie jaar CVA nihil zal zijn en de cognitieve beperkingen en lichte hemiparese blijvend van aard zijn, blijkt dat sprake is van duurzaamheid (van alle aangenomen beperkingen). Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat deze informatie dateert van na de datum in geding. Uit de bewoordingen van de brief blijkt dat de behandelend arts op dat moment, dus een jaar na de datum in geding, tot de conclusie gekomen is dat, gelet op het tijdsverloop na de CVA, er geen verder herstel meer te verwachten is op de genoemde beperkingen. Dit maakt de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep per datum in geding echter niet onjuist. Ook overigens zijn door appellant geen stukken ingebracht die twijfel geven aan het medisch standpunt van het Uwv dat er ten tijde in geding nog mogelijkheden waren voor herstel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende concreet en inzichtelijk onderbouwd dat appellant op de datum in geding niet duurzaam arbeidsongeschikt was. De rechtbank heeft geen reden gezien voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij in aanmerking moet komen voor een IVAuitkering omdat er op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Zijn medisch toestandsbeeld met hartfalen en een herseninfarct in 2020 zal niet verbeteren. Door zijn herseninfarct is hij snel vermoeid en uitgeput en heeft hij last van prikkels. Appellant heeft aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom zijn belastbaarheid met de door deze arts voorgestelde revalidatie en psychologische behandeling zal toenemen. De toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is te algemeen geformuleerd en te weinig op zijn persoon gericht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet toegelicht in welke mate herstel verwacht mag worden en binnen welke termijn, als ook hoe groot de kans op herstel is en wat dit als gevolgen heeft voor de belastbaarheid van appellant in het eerstvolgend jaar of het jaar erna. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij duurzaam volledig arbeidsongeschikt is, heeft appellant onder meer verwezen naar informatie van revalidatiearts J. Groot van 23 juni 2020, een verlag van een neuropsychologisch onderzoek van 15 december 2020, informatie van een physician assistant O.M. Manck van 22 december 2023, cardioloog M.K. Szymanski van 25 september 2025 en GZpsycholoog R.Y. Steenhuizen van 19 mei 2026 en informatie van zijn systeemtherapeut H. Houniet.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de nader ingebrachte stukken op 30 juli 2026 een aanvullend rapport opgesteld waarin wordt geconcludeerd dat verbetering van de belastbaarheid van appellant te verwachten was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 31 juli 2026 een fictieve FML opgesteld waarbij alleen de duurzame beperkingen ten aanzien van de hartfunctie van appellant zijn opgenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aan de hand van deze fictieve FML functies geselecteerd en berekend dat de mate van arbeidsongeschiktheid daarmee 43,89 % bedraagt. Dit betekent volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat wanneer enkel wordt uitgegaan van de duurzame beperkingen, per datum in geding geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. Daarom heeft het Uwv zijn standpunt, dat appellant per datum in geding niet in aanmerking komt voor een IVAuitkering, gehandhaafd.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de toekenning van een WGAuitkering aan appellant in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Niet in geschil is dat appellant volledig arbeidsongeschikt is. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten, ligt de vraag voor of de arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding, 30 december 2022, moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn, zodat appellant op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA in plaats van een WGAuitkering.
5.2.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel moet vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Als die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
5.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 30 juli 2026 aan de hand van het Beoordelingskader duurzaamheid en het daarin vermelde stappenplan nogmaals inzichtelijk gemotiveerd dat voor appellant op de datum in geding nog kansen waren op verbetering van de functionele mogelijkheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uiteengezet dat de verzekeringsarts bij psychologisch onderzoek geen tekenen van ernstige NAH of psychische stoornis heeft waargenomen, maar wel heeft bemerkt dat de stemming van appellant afwerend en latent agressief is. Gelet hierop is het plausibel te achten dat de psychische klachten op termijn dusdanig zouden kunnen verbeteren met psychologische begeleiding/behandeling dat de beperkingen in de rubrieken 1, 2 en 6 van de FML naar de norm kunnen terugkeren. Vanwege de slechte hartfunctie (o.a. ICD) van appellant is wel vereist dat sprake is van lichte arbeid, zonder stress. Daarom zijn de beperkingen in rubriek 1 ten aanzien van veelvuldige deadlines of productiepieken en hoog handelingstempo, evenals in rubriek 2 ten aanzien van beroepsmatig een voertuig besturen, duurzaam. Ook de fysieke beperkingen in de rubrieken 3 en 4 van de FML zijn om deze reden duurzaam. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten aanzien van de duurbelastbaarheid overwogen dat de urenbeperking is gebaseerd op een energetische stoornis door de combinatie van psychische en fysieke klachten en preventief wegens het hart. Bij een vermindering van de psychische klachten zal de urenbeperking ook aangepast worden, maar niet tot de norm. Plausibel is dat appellant dan maximaal 5 tot 6 uur per dag en 30 tot 32 uur per week kan werken, waarbij appellant vanwege de slechtere hartfunctie is aangewezen op regelmatige werktijden. Er was derhalve een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid.
5.4.
De Raad voegt daar aan toe dat het Uwv heeft toegelicht dat op basis van de fictieve FML, waarin de duurzame beperkingen op grond van de cardiale aandoening van appellant zijn opgenomen, gekomen wordt tot een mate van arbeidsongeschiktheid die lager is dan 80 tot 100%. Verder blijkt uit de medische informatie van 12 juni 2023 van interventiecardioloog Y. Appelman dat hij aandringt op psychologische ondersteuning door een psycholoog die bekend is met CVA. Dit betekent dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant op 30 december 2022 niet duurzaam van aard is.
Conclusie en gevolgen
5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WGAuitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van A.N. Bechinka als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) A.N. Bechinka
CRvB 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896.