Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1249

2026-09-23 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/2052 WIA
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-23
Publicatiedatum
2026-09-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/2052 WIA
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Uitgaande van de juistheid van de FML van 17 februari 2025 worden de geselecteerde functies, gelet op de daaraan verbonden belasting, in medisch opzicht geschikt geacht voor appellante.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.607 tekens)
25/2052 WIA


Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 september 2025, 25/526 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 23 september 2026


SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 29 april 2024 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.





PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 augustus 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Willering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als administratief medewerker voor twintig uur per week. Op 2 mei 2022 heeft zij zich ziekgemeld met psychische klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 maart 2024. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 23 april 2024 geweigerd appellante met ingang van 29 april 2024 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.



1.2.
Bij besluit van 9 december 2024 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.



1.3.
Het Uwv heeft in beroep appellante alsnog uitgenodigd voor een spreekuur bij een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dat spreekuur heeft op 17 februari 2025 plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien een aantal aanvullende beperkingen voor appellante aan te nemen en deze vastgelegd in een FML van 17 februari 2025. Met inachtneming van de gewijzigde FML heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd vastgesteld op 23,24%. Het Uwv heeft op 2 april 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2), waarbij het bezwaar tegen het besluit van 23 april 2024 wederom ongegrond is verklaard. Het Uwv heeft de beslissing gehandhaafd dat appellante per 29 april 2024 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.




Uitspraak van de rechtbank




2. De rechtbank heeft, voor zover van belang, het bestreden besluit 2 en daarmee de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig verricht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende duidelijk toegelicht hoe hij tot de door hem vastgestelde beperkingen is gekomen. De rechtbank heeft in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. Appellante heeft in beroep geen medische gegevens overgelegd die de rechtbank tot een ander oordeel brengen.




2.1.
Appellante heeft in beroep aangevoerd dat de functie archiefmedewerker (SBCcode 315132) ongeschikt is, maar de rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de functie de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. Appellante heeft aangevoerd dat zij in deze functie moet samenwerken met collega’s. Appellante stelt dat zij dat niet kan, omdat zij vanwege haar lagere werktempo (in vergelijking met collega’s) druk ervaart en daardoor stress en paniekklachten zal krijgen. Ook zijn er te veel auditieve en visuele prikkels in deze functie. Appellante zou in deze functie vierhonderd formulieren per uur moeten stempelen, terwijl ze door pijn aan haar vingers (spierspanning) geen repetitieve handelingen kan verrichten, geen schroefbewegingen kan maken en beperkt is in de fijne motoriek. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante in de FML niet beperkt is geacht voor repetitieve hand- en vingerbewegingen, fijn motorische hand- en vingerbewegingen, en het maken van schroefbewegingen. Appellante is in de FML wel beperkt geacht voor samenwerken en werken op een hoog handelingstempo, maar de functie kent geen kenmerkende belasting op dat punt. Op de in de FML opgenomen beperking voor samenwerken geeft de functie geen signalering. Appellante is in de FML aangewezen op werk zonder veelvuldige afleiding door geluiden of visuele prikkels, waarbij compensatie door afscherming van visuele prikkels of gehoorbescherming mogelijk wordt geacht. De functie archiefmedewerker geeft hierop een signalering. Uit de arbeidskundige beoordeling blijkt echter dat appellante op een rustige werkplek kan gaan zitten (maximaal drie personen) en dat er wordt gestuurd op rustig en secuur werken. Van veelvuldige afleiding door geluiden of visuele prikkels is daarom geen sprake, zodat de functie de belastbaarheid van appellante (ook) op dit punt niet overschrijdt.



2.2.
Verder heeft de rechtbank appellante niet gevolgd in haar standpunt dat dat de functie van medewerker postbezorging (SBC-code 315140) ongeschikt is. Appellante heeft aangevoerd dat zij daarin moet samenwerken met collega’s aan de snijmachine. Dit kan appellante niet, omdat zij vanwege haar lagere werktempo (in vergelijking met collega’s) druk ervaart en daardoor stress en paniekklachten zal krijgen. Ook in deze functie zijn er te veel auditieve en visuele prikkels. Het dragen van gehoorbescherming is ongeschikt. Appellante zou in deze functie 80% van de werktijd (dus bijna de hele werkdag) moeten fijnsorteren aan haar bureau en dat kan appellante niet. Door spierspanning in haar vingers heeft appellante geen fijne motoriek, geen knijp- en grijpkracht in haar handen en kan zij de cilindergreep niet uitvoeren. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante in de FML niet beperkt is geacht in knijp- en grijpkracht, voor fijn motorische hand- en vingerbewegingen en in het uitvoeren van de cilindergreep. De rechtbank heeft ook geconstateerd dat in deze functie geen sprake is van een hoog handelingstempo en dat de functie op de in de FML opgenomen beperking voor samenwerken geen signalering geeft. De functie geeft wel een signalering op de beperking die voor appellante in de FML is opgenomen ten aanzien van auditieve en visuele prikkels. Appellante moet in deze functie namelijk in een open kantoortuin werken. Uit de arbeidskundige beoordeling blijkt echter dat iedereen zich in de kantoortuin focust op zijn of haar eigen afgebakende deeltaak (het is er visueel rustig) en dat appellante voor de auditieve prikkels gehoorbescherming kan dragen. Van veelvuldige afleiding door geluiden of visuele prikkels is daarom geen sprake, zodat de functie de belastbaarheid van appellante ook op dit punt niet overschrijdt. Naar het oordeel van de rechtbank is door het Uwv onvoldoende gemotiveerd dat de functie van medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030) geschikt zou zijn voor appellante. Appellante heeft in beroep aangevoerd dat de functie ongeschikt is, omdat er te veel auditieve en visuele prikkels in deze functie voorkomen. De rechtbank heeft overwogen dat appellante blijkens de FML is aangewezen op werk waarin geen sprake is van veelvuldige afleiding door geluiden of visuele prikkels, waarbij compensatie door afscherming van visuele prikkels of gehoorbescherming mogelijk wordt geacht. De functie geeft een signalering op dit punt. Er staat namelijk een radio aan, de werkplekken hebben zicht naar buiten waar langsrijdend verkeer is te zien, en er is de hele dag door sprake van pratende collega’s die in- en uitlopen. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is de functie toch geschikt. De rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hier zonder nadere toelichting niet in kunnen volgen. Hiertoe is overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ervan uit lijkt te gaan dat appellante alleen beperkt zou zijn geacht voor auditieve en visuele prikkels ‘in de directe omgeving’. Dat is echter niet in de FML opgenomen. Verder blijkt uit de functieomschrijving dat de betreffende aparte ruimte in totaal elf werkplekken omvat. Zonder nadere motivering kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat appellante in een ruimte met elf werkplekken niet veelvuldig zal worden afgeleid door visuele prikkels.



2.3.
De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of de voor appellante geselecteerde reservefunctie van productiemedewerker industrie (samenstellen) (SBC-code 111180) wél geschikt kan worden geacht. Appellante heeft aangevoerd dat deze reservefunctie ook ongeschikt is, omdat er te veel auditieve en visuele prikkels in deze functie voorkomen. Ook hier staat de radio aan en lopen pratende collega’s de hele dag in en uit. Het dragen van gehoorbescherming is ongeschikt. Verder moet appellante in een team werken. Dit betekent waarschijnlijk dat zij samen met collega’s verantwoordelijk is voor de productie en dat kan appellante niet, omdat zij vanwege haar lagere werktempo (in vergelijking met collega’s) druk ervaart en daardoor stress en paniekklachten zal krijgen. Tot slot geldt voor deze functie dat appellante 85% van de werktijd (dus bijna de hele werkdag) printplaten moet bestucken en controleren, en dat kan appellante evenmin. Door haar beperkte visus kan appellante haar focus niet lang vasthouden. Door spierspanning in haar vingers is appellante bovendien beperkt in haar fijne motoriek, tastzin en kan zij de pincetgreep niet uitvoeren. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante in de FML niet beperkt is geacht in het vasthouden van de aandacht, en ook niet voor fijn motorische hand- en vingerbewegingen, tastzin en het uitvoeren van de pincetgreep. De rechtbank heeft ook geconstateerd dat ook in de reservefunctie geen sprake is van een hoog handelingstempo (de functie geeft geen belasting op dat punt) en dat de reservefunctie op de in de FML opgenomen beperking voor samenwerken geen signalering geeft. Ten aanzien van de beperking van appellante voor visuele en auditieve prikkels, geldt tot slot dat afscherming en gehoorbescherming gelet op de FML mogelijk wordt geacht. In de functie is sprake van radiogeluid, collega’s die langslopen om te gaan roken, en een werkplek met uitzicht op het buitenterrein (de rookplek en de parkeerplaats). Uit de arbeidskundige beoordeling volgt echter dat het in de reservefunctie mogelijk is om deze prikkels te compenseren door de werkplek af te schermen met schotten of schermen, en door gehoorbescherming te dragen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de functies van archiefmedewerker, medewerker postbezorging, en de reservefunctie van productiemedewerker industrie (samenstellen), geschikt voor appellante. De rechtbank heeft geconstateerd dat de middelste functie waar het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellante van 23,24% van is afgeleid, niet wijzigt als de reservefunctie van productiemedewerker industrie (samenstellen) in de plaats komt van de functie van medewerker binderij, grafisch nabewerker.



Het standpunt van appellante



3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft in hoger beroep de bij de rechtbank ingenomen en in de aangevallen uitspraak weergegeven standpunten herhaald om te onderbouwen waarom zij de functies van archiefmedewerker, medewerker postbezorging, en de reservefunctie van productiemedewerker industrie (samensteller) niet kan vervullen. Appellante heeft erop gewezen dat de rechtbank de functie van medewerker binderij, grafisch nabewerker heeft verworpen. Appellante is van mening dat ook voor de deelfunctie van monteur printplaten binnen de SBC-code 111180 geldt dat appellante veelvuldig zal worden afgeleid door visuele prikkels. Ook hier is sprake van vier tot zes collega’s in de nabijheid en collega’s die rondlopen om te gaan roken. Er is ook sprake van visuele afleiding aangezien de werkplek uitzicht heeft op het buitenterrein waar een rookplek is en parkeerplaatsen. Naar mening van appellante is hier geen sprake van rustige werkomgeving aangezien er ook de hele dag de radio aanstaat. De werkzaamheden worden uitgevoerd in een bedrijfshal aan een speciale montagetafel die Uvormig is. Naast deze tafel zou een transportband zijn, die je niet kunt afdekken met schotten aangezien die doorlopend is. Ook het buitenterrein is moeilijk af te schermen aangezien er anders geen licht meer binnenkomt in de bedrijfshal. Daarbij moeten de benodigde componenten uit een stelling nabij de werkplek worden gehaald. Tijdens de werkzaamheden kan niet constant gehoorbescherming worden gedragen, aangezien wordt gestart met een korte teambespreking en er mondelinge instructies worden gegeven. Appellante kan sowieso geen gehoorbescherming verdragen op haar oren.



Het standpunt van het Uwv



4. Het Uwv heeft de Raad verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft voorts, onder verwijzing naar een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 28 november 2025, betoogd dat de functie van medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030) (toch) geschikt zou zijn voor appellante.




Het oordeel van de Raad


5. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat het Uwv ter zitting van de Raad heeft bevestigd dat met het bestreden besluit 2 is beoogd het bestreden besluit 1 in te trekken. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit 2 over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



5.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.



Medische beoordeling





5.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie in het geding gebracht ter onderbouwing van haar standpunt dat de artsen van het Uwv haar klachten en beperkingen hebben onderschat.



Arbeidskundige beoordeling





5.3.
Het hoger beroep van appellante richt zich wat betreft de arbeidskundige beoordeling uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank dat de functies van archiefmedewerker, medewerker postbezorging, en de reservefunctie van productiemedewerker industrie (samenstellen), passend zijn voor appellante. Het Uwv heeft geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, maar de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft alsnog nader gemotiveerd dat de functie van medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030) geschikt zou zijn voor appellante.



5.4.
De Raad zal zich over de nadere motivering door het Uwv niet uitlaten, omdat deze voor de uitkomst van de schatting geen gevolgen heeft. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies archiefmedewerker, medewerker postbezorging, en de reservefunctie van productiemedewerker industrie (samenstellen), passend zijn voor appellante. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Wat appellante heeft aangevoerd is een herhaling van de arbeidskundige gronden die ook al in beroep zijn aangevoerd. Daarbij wordt nog overwogen dat in beginsel dient te worden uitgegaan van de juistheid van de in het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) opgenomen gegevens, waarbij geldt dat een uitzondering op die regel aangewezen kan zijn als een betrokkene erin slaagt om de juistheid van de aan het CBBS ontleende gegevens van feitelijke aard voldoende gemotiveerd te bestrijden of indien de rechter zelf twijfelt aan de juistheid van deze gegevens. Uitgaande van de juistheid van de FML van 17 februari 2025 worden de geselecteerde functies van archiefmedewerker, medewerker postbezorging, en de reservefunctie van productiemedewerker industrie (samenstellen), gelet op de daaraan verbonden belasting, in medisch opzicht geschikt geacht voor appellante.





Conclusie en gevolgen


5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.


6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.




Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van A.N. Bechinka als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.





(getekend) J.D. Streefkerk




(getekend) A.N. Bechinka






Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1737.