Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1245

2026-08-18 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 24/2448 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/2448 PW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen uitkeringsspecificatie. Besluitkarakter. Derdenbeslag. De uitkeringsspecificatie over augustus 2023 is voor wat betreft de verlaging (vanwege ontbreken woonlasten) en inhouding (vanwege derdenbeslag) geen besluit in de zin van art. 1:3 Awb. De verlaging vloeit namelijk voort uit een eerder besluit en de inhouding was al zichtbaar in een eerdere uitkeringsspecificatie. In zoverre kon appellant dan ook geen bezwaar maken tegen de uitkeringsspecificatie over augustus 2023 en heeft het college het bezwaar daartegen terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.810 tekens)
24/2448 PW


Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 10 oktober 2024, 23/7581 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)








Datum uitspraak: 18 augustus 2026




SAMENVATTING




In deze zaak heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de uitkeringsspecificatie over de maand augustus 2023 vanwege de verlaging en inhoudingen op de bijstandsuitkering. De uitkeringsspecificatie is geen besluit voor zover die ziet op verlaging van bijstand vanwege het ontbreken van woonlasten en daarnaast op de inhouding vanwege een derdenbeslag. De Raad komt dan ook niet toe aan een beoordeling van de inhoudelijke beroepsgronden tegen voornoemde verlaging en inhouding. De uitkeringsspecificatie is daarentegen wel een besluit voor zover dat ziet op de inhouding van de bestuursrechtelijke premie. Het college is echter verplicht om uitvoering te geven aan het verzoek van het Centraal Administratiekantoor (CAK). Indien appellant het niet eens is met de inhouding van de bestuursrechtelijke premie dient hij zich daarvoor tot het CAK te wenden. Appellant krijgt dus geen gelijk.




PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 juli 2026. Appellant heeft door middel van videobellen deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.C.F. de Vos.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Appellant heeft in het verleden zijn hoofdverblijf gehad in de woning op adres X. Deze woning is in 2019, na een vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 13 maart 2019, ontruimd.


1.2.
Appellant ontvangt sinds 11 januari 2021 bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. Daarbij is een verlaging toegepast van 10% vanwege het ontbreken van woonkosten, omdat appellant dakloos is. Dit heeft het college met een besluit van 2 maart 2021 aan appellant bekendgemaakt.


1.3.
Op basis van het in 1.1 genoemde vonnis van de kantonrechter heeft [naam Gerechtsdeurwaarderskantoor] ([naam Gerechtsdeurwaarderskantoor]) op 22 januari 2024 ten laste van appellant executoriaal derdenbeslag gelegd op de bijstandsuitkering van appellant in verband met een openstaande vordering. Deze vordering houdt verband met de kosten van de ontruiming van de woning op adres X. Als gevolg van dit derdenbeslag houdt het college vanaf augustus 2021 maandelijks een bedrag in op de bijstandsuitkering van appellant. De ingehouden bedragen worden eenmaal per jaar in de maand mei afgedragen aan [naam Gerechtsdeurwaarderskantoor].


1.4.
Vanaf augustus 2023 heeft het college op verzoek van het CAK een bestuursrechtelijke premie ingehouden op de bijstandsuitkering van appellant, omdat appellant minimaal zes maanden zijn zorgpremie niet heeft betaald.


1.5.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de uitkeringsspecificatie over de maand augustus 2023. Met een besluit van 12 december 2023 (bestreden besluit) heeft het college dat bezwaar nietontvankelijk verklaard voor zover dat ziet op de verlaging van de bijstandstuitkering in verband met het ontbreken van woonkosten enerzijds en de inhouding op zijn bijstandsuitkering vanwege een derdenbeslag anderzijds. Appellant is namelijk al eerder – met het in 1.2 genoemde besluit van 2 maart 2021 – op de hoogte gesteld van voornoemde verlaging. Daarnaast is de inhouding vanwege een derdenbeslag niet de eerste inhouding in verband met dat beslag. In zoverre kan de uitkeringsspecificatie over de maand augustus 2023 volgens het college niet als besluit worden aangemerkt in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verder heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard voor zover dat ziet op de inhouding van de bestuursrechtelijke premie. Het college heeft er daarbij op gewezen dat hij op grond van artikel 18f, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet (Zvw) gehouden is om de bestuursrechtelijke premie in opdracht van CAK in te houden op de bijstandsuitkering van appellant.



Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellant


3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.



Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Verlaging van bijstand vanwege ontbreken woonlasten en inhouding vanwege derdenbeslag



4.1.
Appellant is het niet eens met de verlaging van zijn bijstandsuitkering vanwege het ontbreken van woonlasten en de inhouding op zijn bijstandsuitkering als gevolg van een derdenbeslag. Ter zitting heeft appellant in het kader van de verlaging toegelicht dat hij weliswaar geen woning had, maar wel in een auto verbleef en daardoor kosten had. Wat betreft het derdenbeslag heeft appellant aangevoerd dat dat beslag onterecht is. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.

4.1.1.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is de uitkeringsspecificatie over augustus 2023 voor wat betreft voornoemde verlaging en inhouding geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De verlaging van de bijstandsuitkering vloeit namelijk voort uit het besluit van 2 maart 2021 en de maandelijkse inhouding op de bijstandsuitkering was voor het eerst zichtbaar in de uitkeringsspecificatie over augustus 2021 en daarin is nadien geen wijziging gekomen. In zoverre kon appellant dan ook geen bezwaar maken tegen de uitkeringsspecificatie over augustus 2023 en heeft het college het bezwaar daartegen terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de Raad niet toekomt aan een beoordeling van de inhoudelijke gronden die appellant in dat kader in hoger beroep naar voren heeft gebracht.

Inhouding bestuursrechtelijke premie






4.2.
Appellant is het ook niet eens met de inhouding van de bestuursrechtelijke premie. Volgens appellant heeft het CAK niet gemotiveerd waarom die premie op zijn bijstandsuitkering moet worden ingehouden en is de gemeente Haarlem zelf de veroorzaker van het conflict tussen hem en de zorgverzekeraar. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.

4.2.1.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college op grond van artikel 18f van de Zvw gehoor moet geven aan het verzoek van het CAK om de bestuursrechtelijke premie in te houden. Of de gemeente het conflict tussen appellant en de zorgverzekeraar heeft veroorzaakt, daargelaten wat hier van zij, is daarbij niet van belang.


4.2.2.
Indien appellant het niet eens is met de bestuursrechtelijke premie, dan dient hij zich daarvoor tot het CAK te wenden en niet tot het college.



4.3.
Wat appellant ten slotte in zijn hoger beroepschrift heeft aangevoerd over het passieve gedrag van het college, daargelaten wat hier van zij, kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.





Conclusie en gevolgen


4.4.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de verlaging van en inhoudingen op de bijstandsuitkering, zoals die blijken uit de uitkeringsspecificatie over augustus 2023, in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.






(getekend) J.T.H. Zimmerman




(getekend) M.G.J. van Eck

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels





Algemene wet bestuursrecht




Artikel 1:3

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.


Artikel 8:1Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.



Artikel 7:1Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken (…)




Zorgverzekeringswet




Artikel 18f

1. Het CAK heft en int de bestuursrechtelijke premie.
2. In opdracht van het CAK houdt de inhoudingsplichtige de bestuursrechtelijke premie geheel of voor een door het CAK te bepalen gedeelte in op door hem aan de verzekeringnemer verschuldigd loon als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964, waarna hij het ingehouden bedrag aan het CAK afdraagt.
3. De inhouding geschiedt onmiddellijk nadat de krachtens een ander wettelijk voorschrift of krachtens een arbeidsovereenkomst verplicht in te houden belastingen, premies of andere bijdragen zijn ingehouden, met dien verstande dat bij ministeriële regeling op socialezekerheidsuitkeringen te verrichten inhoudingen of verrekeningen kunnen worden aangewezen waarvoor een andere volgorde geldt.
(…)


Zie de uitspraak van 16 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:84.