Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1244

2026-09-08 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 24/2755 PW-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-08
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/2755 PW-PV
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ontheffing arbeidsverplichtingen. Niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Herhaling beroepsgrond. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft hij ook in beroep aangevoerd. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de hiervoor weergegeven overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over. Hij voegt daaraan toe dat appellant ook in hoger beroep geen medische gegevens heeft overgelegd die een begin van bewijs opleveren dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.051 tekens)
24/2755 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer


Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2024, 24/3899 (aangevallen uitspraak)


Partijen:



[appellant] te [woonplaats] (appellant)


het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Stroomopwaarts MVS, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (dagelijks bestuur)


Datum uitspraak: 8 september 2026


Zitting heeft: W.F. Claessens
Griffier: W.B. Eefting


De zitting is gehouden op 8 september 2026. Voor appellant is mr. N. Talhaoui, advocaat, waarnemend voor mr. O.C. Bozbiyik, verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.E. Bensoussan.



BESLISSING



De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.


In deze zaak gaat het om het volgende. Het dagelijks bestuur had appellant ontheffing verleend van de arbeidsverplichtingen en de verplichting tot het leveren van een tegenprestatie (tegenprestatieverplichting) voor de periode van 16 april 2021 tot en met 16 april 2023. Deze ontheffing was gebaseerd op een medisch advies van Salude van 14 april 2021. In dat advies staat onder meer het volgende:


“Belastbaarheid

[...]
klant is marginaal belastbaar en heeft voorlopig wegens ziekte geen mogelijkheden tot werk, re-integratie en arbeidsparticipatie.
Hij dient op medisch gronden vrijgesteld te worden van verplichtingen tot werk en participatie, ontheffing voor een periode van 1-2 jaar.




Prognose

Verwacht wordt dat de belastbaarheid van cliënt niet zal veranderen. Het ziektebeeld en belastbaarheid zal waarschijnlijk niet veel veranderen op de kort en middellange termijn.
Gedeeltelijk herstel (door behandeling) op de lange termijn is niet uitgesloten, herbeoordeling wordt aangeraden over 1-2 jaar.




Medische anamnese

[...]
klant heeft langdurig last van zware longklachten van chronisch kortademigheid en hoesten, hij staat onder behandeling van een longarts en gebruikt medicatie, maar heeft voortdurend/onverminderd last van hoesten en kortademigheid en ervaart hierdoor ernstige energetische beperkingen.
[...]
klant is bekend met nek en rugklachten t.g.v wervel aandoening (cervicaal en lumbaal) de behandeling is expectatief i.v.m verhoogd risico wegens longklachten.
klant geeft aan dat hij last heeft van chronisch rugklachten. [...]”



Op 7 juni 2023 heeft appellant het dagelijks bestuur verzocht om hem opnieuw een ontheffing van de arbeidsverplichtingen te verlenen. Met een besluit van 29 augustus 2023 heeft het dagelijks bestuur appellant ontheffing verleend voor de arbeidsverplichtingen en de tegenprestatieverplichting voor de periode van 17 april 2023 tot en met 17 april 2025. Deze ontheffing heeft het dagelijks bestuur na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 5 maart 2024 (bestreden besluit). Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur, voor zover hier van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Het was aan appellant om medische gegevens te leveren ter onderbouwing van zijn stelling dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op die manier had hij een begin van bewijs van die stelling kunnen leveren en had het dagelijks bestuur een verzekeringskundige om advies kunnen vragen. Appellant heeft dit niet gedaan. Hij heeft bij zijn aanvraag van 7 juni 2023 geen medische gegevens ingeleverd die erop kunnen wijzen dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Hij heeft in het bezwaarschrift volstaan met een algemene verwijzing naar zijn klachten, die al jaren bestaan en niet verbeteren. Dat appellant met het primaire besluit voor de tweede keer tijdelijk volledig van de arbeidsverplichtingen is ontheven, vormt in dit geval geen aanwijzing dat hij duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is. Deze ontheffingen zijn gebaseerd op het advies van Salude van 2021. Daaruit volgt niet dat de beperkingen permanent zijn.



In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het volgende overwogen, waarbij voor eiser appellant moet worden gelezen:



“Voor het verzoek om permanente ontheffing dient eiser ten minste een begin van bewijs te leveren dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Eiser is hierin niet geslaagd, omdat hij geen medische stukken heeft overlegd die zijn standpunt dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is ondersteunen. De omstandigheid dat eiser reeds eerder tijdelijk was ontheven van de arbeidsverplichtingen, is onvoldoende begin van bewijs dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Dit betrof een eerste tijdelijke ontheffing voor de duur van twee jaar naar aanleiding van het eerder genoemde medisch advies van Salude. Er is dus geen sprake van veelvuldige tijdelijke ontheffingen van de arbeidsverplichtingen die een aanwijzing kunnen vormen dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Bovendien volgt uit het meergenoemde advies van Salude dat gedeeltelijk herstel door behandeling niet is uitgesloten, maar heeft er geen behandeling plaatsgevonden. Aldus is veeleer sprake van een aanwijzing dat nog geen volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid kan worden vastgesteld.”



Appellant heeft aangevoerd dat hij wel een begin van bewijs heeft geleverd dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Appellant wijst er hierbij op dat uit het medisch advies van Salude van 14 april 2021 ondubbelzinnig blijkt dat sprake is van duurzame klachten met een geringe kans op herstel. Ook wijst hij erop dat hij in het verleden al was vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen en de tegenprestatieverplichting op basis van dezelfde klachten. Ten slotte wijst appellant erop dat zijn situatie sinds 2023 verder is verslechterd, wat zijn grote afstand tot de arbeidsmarkt benadrukt. Volgens appellant had het dagelijks bestuur om die reden een beoordeling volgens artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen moeten uitvoeren en is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid nu die beoordeling niet heeft plaatsgevonden.



Deze grond had appellant ook in beroep aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom die grond niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellant heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens hem onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de hiervoor weergegeven overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over. Hij voegt daaraan toe dat appellant ook in hoger beroep geen medische gegevens heeft overgelegd die een begin van bewijs opleveren dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De enkele verwijzing naar het medisch advies van Salude van 14 april 2021 is in ieder geval niet toereikend voor zo’n begin van bewijs. Datzelfde geldt voor de enkele stelling dat de medische situatie van appellant is verslechterd.
Het hoger beroep slaagt dus niet. Dit betekent dat de verleende ontheffing van de arbeidsverplichtingen en de tegenprestatieverplichting in stand blijven.



Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.




Waarvan proces-verbaal.



De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer




(getekend) W.B. Eefting (getekend) W.F. Claessens



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1380.