Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1239

2026-09-17 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/825 WIA
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-17
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/825 WIA
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen Geen toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak binnen vijf jaar na de beëindiging van de WIA-uitkering per 20 augustus 2019. Zorgvuldig medisch onderzoek en juiste medische beoordeling.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.127 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer



25/825 WIA












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 maart 2025, 23/7392 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 17 september 2026


SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een WIAuitkering toe te kennen, op de grond dat bij appellant met ingang van 17 februari 2020 geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar in de zin van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.





PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.I. L'Ghdas, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



Appellant heeft nadere gronden en stukken ingediend.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 augustus 2026. Voor appellant is mr. L'Ghdas verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.C.M. Levels.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als medewerker schoonmaakonderhoud voor 32 uur per week. Op 23 maart 2015 heeft hij zich ziekgemeld met oogklachten. Met ingang van 20 maart 2017 heeft het Uwv appellant een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Na een herbeoordeling is de WIAuitkering per 20 augustus 2019 beëindigd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Dit besluit is met de uitspraak van de Raad van 1 februari 2023 in rechte komen vast te staan.



1.2.
Appellant heeft zich op 7 december 2022 bij het Uwv gemeld met toegenomen oogklachten per 17 februari 2020. Na onderzoek door een arts van het Uwv heeft het Uwv bij besluit van 27 januari 2023 geweigerd appellant een WIA-uitkering toe te kennen, omdat de beperkingen van appellant (uit dezelfde oorzaak) niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de beëindiging van de WIA-uitkering per 20 augustus 2019.


Bij besluit van 20 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank




2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de situatie van appellant. Appellant is zowel bij het primaire besluit als bij het onderzoek in bezwaar gezien door een verzekeringsarts. Daarbij heeft de verzekeringsarts in de primaire fase appellant aan een uitgebreid lichamelijk onderzoek onderworpen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanvullende informatie opgevraagd bij de behandelend sector. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 18 oktober 2023 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat geen sprake is van een toename van de beperkingen ten opzichte van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 februari 2018. Uit de informatie van de huisarts van 14 september 2023 en de niet-gedateerde brief van de oogarts komt naar voren dat appellant nog altijd te maken heeft met een onvoldoende gereguleerde hypertensie, slecht ingestelde diabetes en een zichtbeperking aan zijn linkeroog. Met deze klachten was ook al rekening gehouden in de FML van 5 februari 2018, wat volgt uit de medische rapportage van 1 februari 2018. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 18 oktober 2023 en van 25 september 2024 inzichtelijk en gemotiveerd uiteengezet dat geen sprake is van een toename van de oogklachten.




2.1.
In het rapport van 1 februari 2018 heeft de verzekeringsarts vermeld dat volgens informatie van de oogarts van 7 februari 2017 de oogklachten sterk zijn verbeterd door de cataractoperatie op 20 december 2016, dat sprake is van een visus rechts van 0,6 en links nu 0,5 (i.p.v. 0,15). Dit wordt bevestigd in de brieven van de oogarts ontvangen door het Uwv op 13 oktober 2023 en 20 september 2024, waaruit blijkt dat de visus van het linkeroog als gevolg van een kunstlensimplantatie in december 2016 is verbeterd van 0,16 naar 0,6. Daaruit volgt dat met de beperking aan het linkeroog na de operatie al rekening was gehouden in de rapportage van 1 februari 2018. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn visus op 17 februari 2020 slechter was dan op 5 februari 2018. Weliswaar heeft appellant bevindingen van de oogarts ingebracht waarin wordt gesproken over een maximaal haalbare visus van 0,3, maar uit de toelichting van appellant op zitting is duidelijk geworden dat dit bevindingen betreffen uit 2024 en daarmee van na de datum in geding.



2.2.
Wat appellant naar voren heeft gebracht met betrekking tot de energetische klachten, de verhoging van zijn medicatie en de integrale benadering, leidt niet tot een ander oordeel. Deze klachten worden niet geobjectiveerd door de bevindingen van de verzekeringsarts of de informatie van de behandelende sector en appellant heeft zijn standpunt verder niet onderbouwd. Eiser heeft er daarnaast op gewezen dat zijn medicatie voor hypertensie is verhoogd. Dat hij als gevolg daarvan meer of andere beperkingen heeft dan waarmee al rekening was gehouden in de FML van 5 februari 2018 is niet nader onderbouwd. Appellant heeft tot slot niet toegelicht op welke wijze een integrale benadering van zijn klachten zou leiden tot meer beperkingen dan in de FML van 5 februari 2018 zijn aangenomen.



Het standpunt van appellant



3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft aangevoerd dat het Uwv had moeten onderzoeken of appellant op enig moment binnen de vijfjaarstermijn opnieuw in aanmerking komt voor een WIA-uitkering en dat het Uwv de medische ontwikkeling van appellant na 2018 had moeten onderzoeken. Volgens appellant heeft het Uwv dat niet voldoende gedaan. Verder heeft appellant zijn standpunt herhaald dat zijn klachten en beperkingen zijn onderschat. Zijn gezichtsvermogen is zo ver achteruit gegaan dat hij terug is bij de situatie van 2017, toen hij 100% arbeidsongeschikt werd bevonden. Daarnaast zijn ook de beperkingen als gevolg van de diabetes, de hoge bloeddruk en de verhoogde cholesterolwaarden toegenomen. Als gevolg van een verslechtering van de energiehuishouding had een urenbeperking moeten worden aangenomen. Verder heeft appellant op 19 november 2025 een hartoperatie ondergaan, wat volgens hem past bij een langer bestaand risico voor hart- en vaatziektes. Volgens appellant kan uit de door hem in hoger beroep nader ingebrachte medische stukken worden afgeleid dat zijn gezondheidssituatie sinds 17 februari 2020 is verslechterd en dat ook de eerder geduide functies niet langer geschikt zijn. Appellant heeft verzocht om benoeming van een deskundige.



Het standpunt van het Uwv



4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.




Het oordeel van de Raad


5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering een WIA-uitkering toe te kennen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



5.1.
Op grond van artikel 57, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de dag dat het recht op grond van artikel 56 is geëindigd en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.



5.2.
De vraag of sprake is van toegenomen beperkingen gaat vooraf aan de vraag waardoor deze worden veroorzaakt. De vraag of de beperkingen van appellant zijn toegenomen moet plaatsvinden aan de hand van een vergelijking tussen de beperkingen, zoals die zijn neergelegd in de FML van 5 februari 2018, en de beperkingen die zijn vastgelegd naar aanleiding van de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 17 februari 2020.



Te beoordelen periode





5.3.
Uit het rapport van de arts van 24 januari 2023 blijkt dat de beoordeling of bij appellant sprake is van toegenomen beperkingen zich heeft uitgestrekt over de periode vanaf 17 februari 2020 tot de datum van het onderzoek door de arts op 24 januari 2023. De stelling van appellant dat de gehele vijfjaartermijn tot en met 19 augustus 2024 dient te worden beoordeeld is niet nader onderbouwd en mist een juridische grondslag. Daarbij is van belang dat op het moment van het onderzoek door de arts de vijfjaarstermijn nog niet was verstreken.



Medische beoordeling





5.4.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen daartoe worden onderschreven. Daar wordt nog het volgende aan toegevoegd.



5.5.
In de te beoordelen periode is appellant voor het laatst gezien door de oogarts op 17 oktober 2022, op welk moment de visus van het linkeroog 0,6 was. Vergeleken met de FML van 5 februari 2018 is dus juist een verbetering opgetreden van de visus van het linkeroog. De bevindingen van de oogarts, die appellant in hoger beroep nog heeft ingebracht en waarin wordt gesproken over nieuwe visusproblemen en een maximaal haalbare visus van 0,3, betreffen bevindingen uit 2024 en zien dus niet op de hier te beoordelen periode.



5.6.
De overige medische stukken die appellant in hoger beroep heeft ingebracht waren grotendeels al bekend en meegenomen bij de beoordeling door het Uwv. De informatie over de hartoperatie in 2025 valt buiten de te beoordelen periode. De stelling van appellant dat in verband met hart- en vaatziekteproblematiek in de te beoordelen periode meer beperkingen zouden moeten worden aangenomen, is niet medisch – bijvoorbeeld door een arts – onderbouwd en in de medische stukken zijn daarvoor onvoldoende aanknopingspunten.



5.7.
Aangezien er geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv wordt het verzoek om een deskundige te raadplegen afgewezen.



5.8.
Gelet op de conclusie dat geen sprake is van toename van de medische beperkingen die ten grondslag hebben gelegen aan de eerdere beoordeling, wordt niet toegekomen aan beoordeling van arbeidskundige aspecten.




Conclusie en gevolgen


5.9.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.


6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.





(getekend) M.E. Fortuin




(getekend) M.J.D. van Haren






CRvB 1 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:230.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 31 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1683.