Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1238

2026-09-17 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/1533 WMO15
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-17
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/1533 WMO15
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 voor hulp bij het huishouden aangevraagd. Geen procesbelang. De verstrekking aan appellante van de maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp voor een uur per week in de vorm van zorg in natura, is beëindigd per 1 februari 2025.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.078 tekens)
25/1533 WMO15



Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2025, 24/6194 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn (college)








Datum uitspraak: 17 september 2026


SAMENVATTING


Deze uitspraak gaat over een besluit waarbij het college een maatwerkvoorziening voor hulp bij het huishouden aan appellante heeft verstrekt. De Raad oordeelt dat appellante geen procesbelang bij dit hoger beroep heeft en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.





PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 augustus 2026. Voor appellante is mr. Kaya verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.H.L. Bakker.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellante, geboren in 1973, is bekend met onder andere een aandoening aan het hart- en vaatstelsel. Als gevolg hiervan leidt de overgang van zittende naar staande positie tot een abnormale toename van de hartslagfrequentie en is sprake van draaiduizeligheid en neiging tot flauwvallen. Daardoor is appellante aan bed en/of bank gebonden.



1.2.
Op 1 augustus 2022 heeft appellante een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor (onder andere) hulp bij het huishouden aangevraagd.



1.3.
Met een besluit van 7 augustus 2023 heeft het college deze aanvraag afgewezen, omdat van de inwonende meerderjarige dochter van appellante gebruikelijke hulp in het huishouden mag worden verwacht.



1.4.

Met een besluit van 4 september 2024 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 augustus 2023 gegrond verklaard en – voor zover relevant – aan appellante een maatwerkvoorziening voor hulp bij het huishouden voor 60 minuten per week verstrekt in de vorm van zorg in natura. Het college heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellante niet in staat is om de huishoudelijke taken zelf uit te voeren. Verder is in aanmerking genomen dat van een inwonende meerderjarige dochter jonger dan 23 jaar met toepassing van de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Uithoorn 2023 (Beleidsregels) en het CIZ Protocol verwacht wordt een gedeelte van de huishoudelijke taken te verrichten.

Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.



Het standpunt van appellante



3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft kort gezegd de urenomvang van de toegekende maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp betwist. Van haar inwonende dochter kan niet zo’n grote bijdrage in het huishouden worden verwacht als waarvan het college is uitgegaan. Bij de dochter is sprake van dreigende overbelasting.



Het standpunt van het college



4. Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat appellante geen procesbelang heeft bij het hoger beroep. De maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp in de vorm van zorg in natura is op verzoek van appellante per 1 februari 2025 beëindigd. Na een aanvraag daartoe heeft het college vanaf 1 februari 2025 tot 1 februari 2026 aan appellante een persoonsgebonden budget (pgb) verstrekt voor één uur per week voor huishoudelijke hulp. Aansluitend daarop is er geen melding of aanvraag voor hulp bij het huishouden ingediend.




Het oordeel van de Raad


5. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of appellante nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep. De Raad oordeelt dat dit niet het geval is. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



5.1.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden.



5.2.
De verstrekking aan appellante van de maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp voor een uur per week in de vorm van zorg in natura, is beëindigd per 1 februari 2025. De door appellante betwiste omvang van de toegekende huishoudelijke hulp heeft dus betrekking op een in het verleden liggende afgesloten periode. Het met terugwerkende kracht toekennen van huishoudelijke hulp in natura is niet mogelijk. Verder is niet gebleken dat appellante in deze periode, maar ook in de periode daarna tot 1 februari 2026 toen aan haar voor de huishoudelijke hulp voor een uur per week een pgb is verstrekt, kosten heeft gemaakt voor extra geleverde huishoudelijke hulp. De Raad acht het daarom op voorhand onaannemelijk dat appellante schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit.



5.3.
De Raad moet vervolgens de vraag beantwoorden of het aannemelijk is dat een inhoudelijk oordeel nog van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Ter zitting is gebleken dat appellante na de beëindiging van het pgb voor de hulp bij het huishouden per 1 februari 2026 voor de daarop aansluitende periode geen nieuwe aanvraag heeft ingediend, omdat zij daarvoor niet de energie had. Volgens haar gemachtigde heeft appellante zich recent weer tot het college gewend omdat zij ondersteuning in het huishouden nodig heeft. Het onderzoek daarnaar is volgens hem nog gaande.



5.4.
In dit geval heeft een inhoudelijk oordeel over de omvang van de gebruikelijke hulp die van de inwonende volwassen dochter ten tijde van het bestreden besluit kon worden verwacht, zoals appellante onder andere voorstaat met het ingediende hoger beroep, geen betekenis voor die nieuwe aanvraag voor hulp bij het huishouden. De Raad is gebleken dat de relevante bepaling over de gebruikelijke hulp en het toepasselijke normenkader voor het indiceren van huishoudelijke hulp in de Beleidsregels per 1 januari 2026 zijn gewijzigd. De individuele omstandigheden van de inwonende dochter zullen bij die nieuwe aanvraag opnieuw worden beoordeeld naar dat moment. De dochter is inmiddels ouder dan 23 jaar. Van een inwonend kind van 23 jaar of ouder wordt volgens de Beleidsregels meer aan hulp in het huishouden verwacht dan van een inwonend kind jonger dan 23 jaar. De Raad is dan ook niet gebleken van enige uitstralende werking van een inhoudelijk oordeel over de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor toekomstige aanspraken van appellante op hulp bij het huishouden.





Conclusie en gevolgen


5.5.
Uit 5.1 tot en met 5.4 volgt dat appellante geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep. Het hoger beroep zal daarom nietontvankelijk worden verklaard.


6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door B. Serno, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.






(getekend) B. Serno




(getekend) M.G.J. van Eck



Zie bijvoorbeeld uitspraak van 2 juli 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:911.