Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1233

2026-09-17 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/2265 ZW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-17
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/2265 ZW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering van appellant omdat hij meer dan 65% kan verdienden van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant voor de toepassing van artikel 19aa van de ZW is te beschouwen als een verzekerde zonder werkgever en dat dus terecht toepassing is gegeven aan de artikelen 19aa en 19ab van de ZW. Appellant heeft geen recht op 104 weken ziekengeld. De Raad overweegt verder dat het Uwv gelet op de datum van de ziekmelding van appellant op 5 januari 2024 terecht heeft vastgesteld dat 4 januari 2024 de datum in geding betreft wat betreft de EZWb. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Voldoende zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellant.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.305 tekens)
25/2265 ZW


Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 september 2025, 25/1019 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)








Datum uitspraak: 17 september 2026


SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 16 maart 2024 heeft beëindigd. Appellant meent dat het Uwv ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de artikelen 19aa en 19ab van de ZW. Ook acht appellant zich meer beperkt dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd





PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld en stukken ingebracht. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 augustus 2026. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeier.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als [naam functie] medewerker voor gemiddeld 31,68 uur per week. Op 5 januari 2023 heeft appellant zich, vanuit een situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, ziekgemeld wegens fysieke belemmeringen als gevolg van een in 2008 opgelopen calcaneus fractuur van zijn rechtervoet. Het Uwv heeft appellant met ingang van 6 april 2023 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.



1.2.
In het kader van een eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) hebben een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De belastbaarheid van appellant is neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 januari 2024. Appellant is niet meer in staat geacht tot het verrichten van zijn laatste werk, maar wel tot het vervullen van andere passende functies, waarmee hij 84,48% van het manmaatinkomen kan verdienen.



1.3.
Bij besluit van 15 februari 2024 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant per 16 maart 2024 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.



1.4.
Appellant heeft op 11 september 2024 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaarschrift. De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 6 december 2024 het beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, het Uwv opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit op bezwaar bekend te maken en bepaald dat het Uwv aan appellant een dwangsom verschuldigd is indien deze termijn niet gehaald wordt van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-.



1.5.
Bij besluit van 7 januari 2025 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 februari 2024 ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.




Uitspraak van de rechtbank




2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. In de aangevallen uitspraak is de rechtbank ingegaan op de juridische en medische beroepsgronden van appellant.




2.1.
De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn stelling dat artikel 19aa, eerste lid, van de ZW niet op hem van toepassing is en dat hij recht heeft op 104 weken ziekengeld. Volgens de rechtbank volgt uit artikel 19aa, eerste lid, van de ZW dat de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (Wet BeZaVa) van toepassing is als een verzekerde geen werkgever heeft jegens wie hij bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, zwangerschap of bevalling, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voorts volgt uit Boek 7 van het BW dat sprake moet zijn van een arbeidsovereenkomst om aanspraak te kunnen maken op doorbetaling van loon bij ziekte. Appellant ontving op het moment van zijn ziekmelding een WW-uitkering van het Uwv en werd daarom op grond van artikel 7 van de ZW als werknemer beschouwd en was daarmee verzekerd voor de ZW. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de ZW werd het Uwv als werkgever beschouwd. Dat betekent echter niet dat appellant tegenover het Uwv recht had op doorbetaling van loon als bedoeld in artikel 7:629 van het BW. Tussen appellant en het Uwv was namelijk geen sprake van een arbeidsovereenkomst. Gelet op het bepaalde in artikel 19aa eerste lid, van de ZW, heeft het Uwv appellant daarom terecht aangemerkt als een verzekerde zonder werkgever en terecht toepassing gegeven aan de met de Wet BeZaVa aan de ZW toegevoegde artikelen 19aa en 19ab van de ZW. Het Uwv heeft dus terecht een EZWb verricht.



2.2.
Verder heeft de rechtbank overwogen dat het Claim Beoordeling en Borging Systeem (CBBS) en de FML hulpmiddelen zijn om vast te stellen welke functies iemand ondanks zijn beperkingen kan verrichten en – onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad – dat het CBBS in beginsel rechtens aanvaardbaar is te achten als ondersteunend systeem en methode bij de beoordelingen of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. Wat betreft de beoordelingsdatum bij de toepassing van artikel 19aa van de ZW heeft de rechtbank overwogen dat uit de woorden "na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken" in artikel 19aa van de ZW volgt dat de eerste ziektedag relevant is voor het vaststellen van de termijn van 52 weken. De rechtbank kan zich verenigen met het standpunt van het Uwv dat de eerste ziektedag niet gelijk te stellen is aan de dag waarop de ZWuitkering is toegekend. Die dag ziet namelijk op de betaling van de ZW-uitkering. De eerste ziektedag is in dit geval 5 januari 2023, de dag waarop appellant zich heeft ziekgemeld. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige hebben daarom terecht de mogelijkheden van appellant per 4 januari 2024 beoordeeld. De ZW-uitkering is vervolgens met inachtneming van een uitlooptermijn van één maand, gerekend vanaf de datum van het bestreden besluit, per 16 maart 2024 beëindigd. Dit is ruim na de 52 weken termijn. Van een voorbarige beëindiging van de ZWuitkering is daarom geen sprake.



2.3.
Over de medische beroepsgronden van appellant heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat het medisch onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is uitgevoerd. De verzekeringsarts heeft appellant lichamelijk en psychisch onderzocht, waarbij de rechtervoetklachten van appellant zijn onderzocht. De resultaten daarvan zijn neergelegd in een medisch rapport van 15 januari 2024. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek verricht. De rechtbank heeft geen reden gezien om aan te nemen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aspecten van de medische situatie van appellant heeft gemist. De omstandigheid dat deze arts appellant niet op een fysiek spreekuur heeft gezien maakt niet het medisch onderzoek onzorgvuldig is, omdat appellant reeds door de verzekeringsarts op een spreekuur is gezien en onderzocht. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn rechtervoetklachten. De artsen van het Uwv hebben geconstateerd dat sprake is van een verminderde rechtervoetbelasting in verband waarmee appellant beperkt geacht is voor trillingsbelasting, lopen en staan tijdens het werk. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat appellant hiermee tekort is gedaan. Appellant heeft op het spreekuur vermeld dat hij beperkt is voor langer lopen, maar wel een uur achtereen kan lopen. In de FML is daarom terecht vastgelegd dat appellant conform de normaalwaarde belastbaar is voor lopen. Wat appellant in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven voor twijfel. De door appellant in beroep ingebrachte medische informatie is voor de rechtbank geen aanleiding geweest om tot een ander oordeel te komen. De operatie op 24 juni 2025 en chronische myringitis dateren van ruim na de datum. De rechtbank heeft evenmin aanleiding gezien de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden.



Het standpunt van appellant




3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft verzocht die uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen. Uit de aangevallen uitspraak blijkt volgens appellant van een schijn van vooringenomenheid omdat de rechter relevante beroepsgronden, waaronder het door hem gedaan beroep op artikel 76a van de ZW, onbesproken heeft gelaten en stellingen van het Uwv heeft overgenomen. Ook is hij niet geïnformeerd over een rechterswisseling. Appellant stelt dat hij geen eerlijk proces heeft gehad. Ook is de uitspraak van de rechtbank volgens appellant in strijd met de motiveringsplicht. Het oordeel van de rechtbank is daarmee in strijd met artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Volgens appellant dient de Raad deze gronden alsnog te bespreken. Appellant meent dat het Uwv ten onrechte een EZWb heeft verricht, omdat hij op grond van artikel 76a van de ZW recht heeft op 104 weken loondoorbetaling. Appellant meent dat in zijn geval sprake is van een publiekrechtelijk aanstelling op grond van artikel 3, eerste lid, van de ZW juncto artikel 1, tweede lid, van de Ambtenarenwet 2017. Appellant meent dat het Uwv in deze zaak zowel uitvoerder als een publiekrechtelijke werkgever is en dat hij daarom recht heeft op 100% bezoldiging. De wet BeZaVa is een instrumentele wet voor onverzekerden zonder werkgever en kan een reëel aanstellingsbesluit niet terzijde schuiven. Verder heeft appellant in dit verband aangevoerd dat het Uwv als werkgever zijn reintegratieverplichtingen onvoldoende is nagekomen.




3.1.
Appellant heeft verder gesteld dat het Uwv geen juiste uitwerking heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 6 december 2014. Het Uwv heeft verzuimd een medische herbeoordeling door een verzekeringsarts te verrichten, zoals in de uitspraak was opgedragen. Appellant is in bezwaar niet gezien door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en het Uwv heeft geen juiste toepassing gegeven aan artikel 7:11 van de Awb door te steunen op oude gegevens. Een fysiek spreekuur door de verzekeringsarts bezwaar en beroep was volgens appellant noodzakelijk en de verzekeringsarts bezwaar en beroep had niet kunnen volstaan met een dossieronderzoek. Bovendien was sprake van een uitdrukkelijke toezegging dat een nader fysiek onderzoek zou plaatsvinden. Daarbij meent appellant dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat bepaalde klachten ten onrechte niet zijn betrokken bij de beoordeling. Ook meent appellant dat hij niet geschikt is voor de geduide functies.



3.2.
Verder heeft appellant in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat de startdatum van de 52 weken-termijn door het Uwv onjuist is vastgesteld. Appellant meent dat de startdatum 6 april 2023 moet zijn. Ook meent appellant dat het bestreden besluit niet als een deugdelijk besluit op bezwaar kan worden gekwalificeerd en dus het Uwv een dwangsom is verschuldigd.



Het standpunt van het Uwv




4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.





Het oordeel van de Raad


5. Appellant heeft na de zitting verzocht het onderzoek te heropenen teneinde nog een nader stuk, te weten een overzicht ter verduidelijking van zijn juridische gronden, in te dienen. Artikel 8:68 van de Awb biedt de mogelijkheid van heropening van het onderzoek indien de bestuursrechter van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest. Het gaat daarbij met name om de situatie dat een voor de uitspraak relevant punt onopgehelderd is gebleven en zonder opheldering geen uitspraak kan worden gedaan. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. De juridische gronden waren reeds ingediend en zijn besproken op de zitting. Het verzoek tot heropening wordt daarom afgewezen.



5.1
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



5.2.
De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling van appellant dat de behandelend rechter van de rechtbank vooringenomen is geweest of dat de uitspraak in strijd is met artikel 8:77 van de Awb. De rechtbank heeft uitgebreid gemotiveerd waarom zij tot het oordeel is gekomen dat het Uwv terecht toepassing heeft gegeven aan de artikelen 19aa en 19ab van de Zw. Daaraan wordt toegevoegd dat volgens vaste rechtspraak uit artikel 8:69 in samenhang met artikel 8:77 van de Awb niet volgt dat de rechtbank op alle door een belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan, maar kan hij zich beperken tot de kern daarvan. De Raad is van oordeel dat de rechtbank de (kern van de) gronden van appellant voldoende heeft besproken en haar oordeel inzichtelijk heeft gemotiveerd. Ook de Raad zal zich in deze uitspraak beperken tot de kern van het geschil. De stelling van appellant dat hij niet tijdig is geïnformeerd over een rechterswisseling bij de rechtbank wordt niet gevolgd, reeds omdat daarvan in deze procedure niet is gebleken. Zowel het beroep tegen het niet tijdig beslissen als het verzoek om een voorlopige voorziening, waarop in beide zaken is beslist door een andere rechter dan de rechter in onderhavige procedure, zijn afzonderlijke procedures, zodat van een rechterswisseling niet kan worden gesproken. In de uitnodiging voor de zitting bij de rechtbank in deze zaak is de naam van de behandelend rechter vermeld en die rechter heeft ook de uitspraak gedaan.



5.3.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant voor de toepassing van artikel 19aa van de ZW is te beschouwen als een verzekerde zonder werkgever en dat dus terecht toepassing is gegeven aan de artikelen 19aa en 19ab van de ZW. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat hij op het moment van ziekmelding in een publiekrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de ZW stond tot het Uwv en dat daarom artikel 19aa van de ZW niet van toepassing is. In het geval van appellant was op dat moment immers geen sprake van een formeel arbeidscontract (burgerlijk recht) met het Uwv en hij was ook niet daadwerkelijk in dienst bij het Uwv, zodat hij niet kan worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van artikel 1, tweede lid, van de Ambtenarenwet 2017. Het Uwv kan dan ook niet als overheidswerkgever van appellant in de zin van artikel 9 van de ZW worden aangemerkt en daarom is artikel 76a van de ZW, welk artikel het recht op doorbetaling van bezoldiging tijdens ziekte voor ambtenaren jegens een overheidswerkgever regelt, niet op appellant van toepassing. Op het moment van de ziekmelding was appellant werkloos en ontving hij een WW-uitkering. Gelet daarop is appellant op grond van artikel 7 van de ZW, en dus niet op grond van artikel 3 van de ZW, als werknemer beschouwd en het Uwv is op grond van artikel 11 van de ZW, en dus niet op grond van artikel 9 van de ZW, als werkgever beschouwd. Het Uwv heeft dus terecht toepassing gegeven aan de artikelen 19aa en 19ab van de ZW.



5.4.
De Raad overweegt verder dat het Uwv gelet op de datum van de ziekmelding van appellant op 5 januari 2024 terecht heeft vastgesteld dat 4 januari 2024 de datum in geding betreft wat betreft de EZWb. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank hieromtrent en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.



Medische beoordeling





5.5.
De beroepsgrond dat sprake is geweest van een onzorgvuldig medisch onderzoek omdat het Uwv niet op een juiste wijze gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 6 december 2024 wordt niet gevolgd. Die uitspraak betreft het uitblijven van een beslissing in een zaak. In de uitspraak van 6 december 2024 is anders dan appellant veronderstelt niet geoordeeld dat fysieke beoordeling door een verzekeringsarts bezwaar en beroep dient te geschieden, maar enkel dat een medische beoordeling door een verzekeringsarts is vereist. Uit het dossier volgt dat in bezwaar deze medische beoordeling heeft plaatsgevonden.



5.6.
Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Van een toezegging van de heer L. Hulsbos van het Uwv dat in bezwaar een fysiek onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep zou plaatsvinden is niet gebleken. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat de heer Hulsbos, voorzitter van de hoorzitting, appellant heeft meegedeeld dat er een kans bestaat dat hij alsnog zal worden opgeroepen voor een spreekuur mocht de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan wel de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat nodig vinden. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 4 december 2024 besloten om af te zien van een medisch spreekuur omdat de beoordeling in de primaire fase is verricht door een geregistreerd verzekeringsarts, die een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek heeft verricht.



5.7.
Het feit dat appellant in bezwaar niet fysiek is onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep leidt ook niet tot het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, betekent het feit dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volstaan met dossieronderzoek en fysiek medisch onderzoek achterwege heeft gelaten, niet dat reeds om die reden sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen daaromtrent.



5.8.
De stelling dat het Uwv het bestreden besluit heeft gebaseerd op verouderde gegevens slaagt evenmin. Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant heeft beëindigd per 16 maart 2024, de datum in geding. Het gaat dus in deze zaak om de vraag naar de medische situatie van appellant per die datum. Daartoe heeft de verzekeringsarts van het Uwv op 15 januari 2024 medisch onderzoek gedaan en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het kader van de heroverweging in december 2024 onderzoek gedaan. Daarbij is niet gebleken dat de medische situatie van appellant in de periode vanaf 15 januari 2024 tot 16 maart 2024 is gewijzigd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport vermeld dat in de bezwaarschriften van appellant geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen die een andere inschatting geven van de belastbaarheid van appellant op de datum in geding.



5.9.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van de belastbaarheid van appellant. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Ook in hoger beroep heeft appellant geen nadere medische stukken ingediend op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de medische grondslag van het bestreden besluit. Dat ten onrechte geen rekening zou zijn gehouden met neurologische aspecten is niet met medische stukken onderbouwd. Uit het rapport van de primaire verzekeringsarts blijkt dat appellant psychisch is onderzocht en dat daarbij geen bijzonderheden zijn waargenomen.



Arbeidskundige beoordeling





5.10.
Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML van 14 januari 2024 heeft het Uwv voldoende en inzichtelijk gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellant. Zoals het Uwv terecht heeft opgemerkt zijn bij de geselecteerde functies geen overschrijdingen geconstateerd en heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep – na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep – terecht de geselecteerde functies gehandhaafd.



Dwangsom





5.11.
Nu het Uwv het bestreden besluit heeft afgegeven binnen de door de rechtbank Den Haag in haar uitspraak van 6 december 2024 gestelde termijn komt appellant niet in aanmerking voor een dwangsom. De stelling van appellant dat het bestreden besluit gebrekkig is en hij daarom in aanmerking komt voor een dwangsom wordt niet gevolgd. Er zijn geen aanknopingspunten dat het besluit van het Uwv van 7 januari 2025 niet zou kunnen worden aangemerkt als een besluit op bezwaar in de zin van de Awb.




Conclusie en gevolgen


5.12.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.


6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.





(getekend) M.E. Fortuin





(getekend) M.J.D. van Haren




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer en werkgever.




Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20454.


Zie de uitspraken van de Raad van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS9343 en van 7 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:36.


Zie de uitspraken van de Raad van 14 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1759 en van 19 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA4319.


Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20454.


Zie de uitspraak van de Raad van 18 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:99.