Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1232

2026-09-15 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 24/2176 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/2176 PW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Eenmalige energietoeslag 2022. Beleid. Geen noodzaak tot overleggen energiecontract. Zelf voorzien. In de toepasselijke beleidsregels wordt niet de eis gesteld dat studenten een energiecontract over moeten leggen. Het is ook niet nodig om vast te kunnen stellen of appellante onder de doelgroep valt. Niet in geschil is immers dat appellante als alleenstaande een huishouding vormt. Ook een mogelijk verhoogd tarief is op grond van de beleidsregels geen vereiste voor toekenning van de energietoeslag. Omdat appellante voldoet aan de in de beleidsregels geformuleerde voorwaarden, kent de Raad alsnog de energietoeslag voor het jaar 2022 toe.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.558 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 augustus 2024, 23/1154 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



het college van burgemeester en wethouders van Maashorst (college)








Datum uitspraak: 15 september 2026

SAMENVATTING


Het gaat in deze zaak om de afwijzing van een aanvraag om een eenmalige energietoeslag. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat appellante desgevraagd geen energiecontract heeft ingeleverd. Appellante heeft in hoger beroep alsnog een energiecontract overgelegd, maar voert in de eerste plaats aan dat zij in aanmerking komt voor de toeslag zonder dat zij daartoe een energiecontract over hoeft te leggen. Zij krijgt daarin gelijk. De Raad kent de toeslag alsnog toe.





PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft [naam 1] , gemachtigde, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 september 2026. Voor appellante is [naam 2] , opvolgend gemachtigde, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.H.J.P. van Dielingen.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Appellante heeft op 11 augustus 2022 voor het jaar 2022 een eenmalige energietoeslag als bedoeld in artikel 35, vierde lid, van de Participatiewet (PW) aangevraagd. Appellante ontving ten tijde van de aanvraag studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000.


1.2.
Met een besluit van 11 november 2022 heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat studenten op grond van de Beleidsregels eenmalige energietoeslag 2022 gemeente Maashorst (beleidsregels) geen recht hebben op energietoeslag. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.


1.3.
De Commissie bezwaarschriften van de gemeente Maashorst (commissie) heeft op 9 februari 2023 kort samengevat geadviseerd de uitzondering voor studenten buiten toepassing te laten omdat dit een ongerechtvaardigd onderscheid oplevert en opnieuw op de aanvraag te beslissen.


1.4.
Het college heeft appellante in een brief van 13 februari 2023 laten weten conform het advies van de commissie de aanvraag van appellante opnieuw in behandeling te nemen. Het college heeft daarbij onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 augustus 2022 verzocht om haar energiecontract voor het jaar 2022 of een nota over de maand oktober 2022 te verstrekken. In de brief staat dat voor het college essentieel is dat uit het document blijkt dat appellante verhoogde tarieven verschuldigd is. Appellante heeft met een brief van 13 februari 2023 laten weten geen gehoor te willen geven aan het verzoek van het college. De noodzaak daartoe volgt niet uit de beleidsregels. De beleidsregels zijn na het advies immers niet gewijzigd. Het opvragen van een energiecontract van studenten leidt volgens appellante tot ongelijke behandeling. Van andere personen waarvan de woonsituatie hetzelfde is als die van appellante verlangt het college geen energiecontract.


1.5.
Het college heeft met een brief van 23 februari 2023 appellante opnieuw verzocht een kopie van het op haar naam staande energiecontract te verstrekken. Het college heeft daarbij aangegeven dat indien appellante niet reageert, het college genoodzaakt is de aanvraag af te wijzen. Appellante heeft met een brief van 1 maart 2023 meegedeeld dat nog steeds sprake is van ongelijke behandeling. Zij heeft geen kopie van haar energiecontract overgelegd.


1.6.
Het college heeft met een besluit van 21 maart 2023 (bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. Het college meent dat de uitzondering voor studenten onverbindend is en heeft deze uitzondering daarom buiten toepassing gelaten. Het college heeft de afwijzing van de aanvraag echter in stand gelaten, nu appellante desgevraagd tot tweemaal toe geen gehoor heeft willen geven aan het verzoek een energiecontract over te leggen. Het college heeft daardoor niet kunnen toetsen of haar woonsituatie vergelijkbaar is met de doelgroep van de energietoeslag.




Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee de afwijzing van de aanvraag in stand gelaten.

Het standpunt van appellant

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.



Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en de beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.


4.1.
Artikel 35, vierde lid, van de PW maakt het mogelijk om aan een alleenstaande of een gezin categoriaal bijzondere bijstand toe te kennen in de vorm van een eenmalige energietoeslag, zonder dat wordt nagegaan of sprake is van een sterk gestegen energierekening. Gemeenten hebben beleidsvrijheid bij het vormgeven van de energietoeslag. Colleges mogen onder andere zelf de doelgroep, de hoogte van de toeslag en de inkomensgrens bepalen. Colleges mogen ook bepalen welk inkomen in aanmerking wordt genomen.


4.2.
Het college heeft de doelgroep van de energietoeslag opgenomen in artikel 2 van de beleidsregels. Daaruit volgt dat de eenmalige energietoeslag 2022 bedoeld is voor huishoudens die in de in artikel 1 van de beleidsregels genoemde referteperiode een in aanmerking te nemen inkomen hebben dat niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm. In de beleidsregels is niet opgenomen wat onder een huishouden wordt verstaan. Wel worden in artikel 2, vierde lid, van de beleidsregels een aantal uitzonderingen gemaakt op het begrip huishouden, waaronder een uitzondering voor studenten.


4.3.
Het college moet handelen overeenkomstig de beleidsregels. Niet in geschil is dat appellante als alleenstaande een huishouding voert en dat zij in de hier aan de orde zijnde referteperiode een laag inkomen had als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de beleidsregels. Daarmee valt appellante, na het onverbindend achten en het buiten toepassing laten van de uitzondering voor studenten, onder de doelgroep van de energietoeslag. Het college heeft de aanvraag van appellante desondanks afgewezen omdat zij geen energiecontract heeft overgelegd. In hoger beroep ligt de vraag voor of het college die eis kon stellen. Volgens appellante vloeit een dergelijke eis niet voort uit de beleidsregels. Een dergelijke eis is volgens appellante bovendien in strijd met het gelijkheidsbeginsel.


4.4.

Appellante heeft terecht aangevoerd dat in de beleidsregels – na het onverbindend achten en buiten toepassing laten van de uitzondering voor studenten – niet de eis wordt gesteld dat studenten een energiecontract over moeten leggen om in aanmerking te kunnen komen voor de energietoeslag. Het opvragen van het energiecontract is, anders dan in het bestreden besluit staat, ook niet nodig om vast te kunnen stellen of appellante onder de in de beleidsregels geformuleerde doelgroep valt. Niet in geschil is immers dat appellante als alleenstaande een huishouding vormt als bedoeld in de beleidsregels. Uit de rapportage die ten grondslag ligt aan de besluitvorming blijkt ook dat appellante een eigen woning en een eigen energieleverancier had. De Raad leidt hieruit en uit de in 1.4 genoemde brief van 13 februari 2023 af dat het college met het opvragen van het energiecontract niet wilde vaststellen of appellante een eigen energierekening had, maar vooral op zoek was naar een mogelijkheid om vast te kunnen stellen of appellante een verhoogd tarief verschuldigd was. Maar ook een verhoogd tarief is op grond van de beleidsregels geen vereiste voor toekenning van de energietoeslag. Dat de beleidsregels een dergelijke eis niet stellen, sluit ook aan bij de bedoeling van de wetgever:
“Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het college bij het gebruik van de bevoegdheid tot het verlenen van categoriale bijzondere bijstand in de vorm van de eenmalige energietoeslag niet de ruimte heeft om eventueel wél te beoordelen of het huishouden daadwerkelijk is geconfronteerd met een sterk gestegen energierekening.”



4.5.
Appellante heeft zich gelet op 4.4 terecht op het standpunt gesteld dat haar niet kan worden tegengeworpen dat zij geen energiecontract heeft overgelegd. Aan de vraag of het college met het opvragen van dat contract heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel wordt gelet hierop niet toegekomen.




Conclusie en gevolgen

4.6.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat appellante voldoet aan de in de beleidsregels geformuleerde voorwaarden voor toekenning van de energietoeslag, zal de Raad het besluit van 11 november 2022 herroepen en appellante alsnog de energietoeslag voor het jaar 2022 toekennen tot het ter zitting vastgestelde bedrag van € 1.800,-.
5. Omdat het hoger beroep slaagt krijgt appellante ook een vergoeding van het door haar in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 50,- respectievelijk € 138,-, samen € 188,-. Appellante krijgt ook een vergoeding van de reiskosten die haar gemachtigden – in beroep haar zus en in hoger beroep haar vader – hebben gemaakt. Appellante heeft ervoor gekozen om haar belangen te laten behartigen door haar gemachtigden. Mede gelet hierop is de Raad van oordeel dat onder reiskosten van een partij in de zin van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht ook dienen te worden begrepen de reiskosten van een procesgemachtigde die niet beroepsmatig rechtsbijstand verleent. De reiskosten van appellante worden gelet hierop begroot op € 10,30,- in beroep (een buskaartje [traject 1] en terug, twee maal € 5,15,-) en op € 34,30,- in hoger beroep (een buskaartje [traject 1] en terug, samen € 10,30,-, en een retour treinkaartje Den Bosch-Utrecht van € 24,-). De totale reiskosten in beroep en hoger beroep komen daarmee uit op een bedrag van € 44,60,-.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep




vernietigt de aangevallen uitspraak;


vernietigt de beslissing op bezwaar van 21 maart 2023, herroept het besluit van 11 november 2022, kent appellante een energietoeslag toe van € 1.800,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 21 maart 2023;


veroordeelt het college in de reiskosten van appellante tot een bedrag van € 44,60,-;


bepaalt dat het college aan appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 188,- vergoedt.





Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2026.






(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) L. van Beelen




Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke regels




Participatiewet




Artikel 35, eerste lid
De alleenstaande of het gezin heeft recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.



Artikel 35, vierde lid (zoals dit luidde ten tijde van belang en bij invoering van de Wet van 22 augustus 2022 tot wijziging van de Participatiewet in verband met het eenmalig categoriaal verstrekken van een energietoeslag aan huishoudens met een laag inkomen, Stb. 2022, 321).



In afwijking van het eerste lid kan tot en met 30 juni 2023 bijzondere bijstand ook aan een alleenstaande of een gezin worden verleend in de vorm van een eenmalige energietoeslag, zonder dat wordt nagegaan of die alleenstaande of dat gezin in dat jaar een sterk gestegen energierekening had.



(…)




Beleidsregels




Artikel 2 Doelgroep eenmalige energietoeslag 2022

1. De eenmalige energietoeslag 2022 van € 800 is bedoeld voor een huishouden met een laag inkomen en wordt ambtshalve of op aanvraag als bijzondere bijstand verleend.
2. Voor de toepassing van deze regeling wordt het vermogen niet in aanmerking genomen.
3. Een huishouden (alleenstaande of gezin) heeft een laag inkomen als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm.
4. Tot een huishouden wordt niet gerekend de persoon die op de peildatum:
a. in een inrichting verblijft als bedoeld in artikel 1 aanhef en onderdeel f van de wet; of
b. jonger is dan 21 jaar, en geen bijzondere bijstand voor levensonderhoud ontvangt; of
c. jonger is dan 27 jaar en aanspraak maakt op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000; of
d. is ingeschreven in de basisregistratie personen als ingezetene met enkel een briefadres; of
e. inwonend is bij zijn/haar ouders of bij zijn/haar kinderen.



Besluit proceskosten bestuursrecht




Artikel 1
Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
b. (...)
c. (...)
d. reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende,
(...).


ECLI:NL:RBGEL:2022:4263 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:RBGEL:2022:4263).


Kamerstukken II 2021/22, 36 057, nr. 3, p. 4. Zie ook de uitspraak van 9 juni 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:780.


Kamerstukken II 2021/22, 36 057, nr. 3, p. 15.


Vergelijk in die zin ook de uitspraak van 11 april 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX3243 en van 2 juli 1996, ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6352.