Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1230

2026-09-15 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/199 BBZ
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/199 BBZ
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om algemene bijstand. Bedrijf niet levensvatbaar. Herhaling beroepsgronden. Wat appellante aanvoert, is in de kern een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over. Hij voegt daaraan nog toe dat appellante ook in hoger beroep geen concrete informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat zij in staat is om binnen afzienbare tijd een inkomen te verwerven dat toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan. De enkele eigen verwachting van appellante is daartoe onvoldoende.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.078 tekens)
25/199 BBZ


Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 december 2024, 23/6978 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te ’ [woonplaats] (appellante)



het college van burgemeester en wethouders van ’Den Haag (college)








Datum uitspraak: 15 september 2026


SAMENVATTING


In deze zaak gaat het om de afwijzing van een aanvraag om algemene bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het college heeft die aanvraag afgewezen op de grond dat het bedrijf van appellante niet levensvatbaar is. Appellante is het daarmee niet eens. Zij meent dat haar bedrijf wel levensvatbaar is. Die grond slaagt niet. De Raad komt met de rechtbank tot het oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar bedrijf levensvatbaar is.





PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J.P. Sanchez Montoto, advocaat, hoger beroep ingesteld.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Appellante staat vanaf [datum] 2020 met haar eenmanszaak [naam bedrijf] (bedrijf) ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Het bedrijf richt zich onder meer op schoonheidsverzorging. Tot april 2023 heeft zij als zelfstandige werkzaamheden verricht voor een schoonheidssalon. Appellante woonde in het pand van de schoonheidssalon en is na de beëindiging van haar werkzaamheden voor die salon dakloos geworden.


1.2.
Appellante heeft op 5 juni 2023 algemene bijstand op grond van het Bbz 2004- aangevraagd.


1.3.
Met een besluit van 14 juni 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 18 september 2023 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat het bedrijf niet levensvatbaar is.



Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe, samengevat weergegeven, het volgende overwogen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bedrijf levensvatbaar is. Appellante verwacht zes maanden na de aanvraag geen omzet. Dat appellante in het verleden een inkomen uit het bedrijf heeft gegenereerd dat boven het brutominimumloon ligt, betekent niet dat zij ook na de bijstandsverlening een inkomen zal generen dat toereikend is. Hierbij is van belang dat appellante dakloos is en niet beschikt over een bedrijfsruimte. Appellante heeft bovendien niet onderbouwd dat zij een klantenbestand heeft opgebouwd dat zij heeft weten te behouden en dat zij kan meenemen naar een toekomstige bedrijfslocatie.

Het standpunt van appellante


3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zij ten onrechte niet in aanmerking is gekomen voor bijstand op grond van het Bbz 2004. Appellante heeft enige tijd geen omzet behaald, maar dat komt omdat zij vrijwilligerswerk doet. Appellante heeft een telefoonlijst van klanten die kunnen worden benaderd. Op basis van haar klantenbestand genereerde appellante een inkomen boven het brutominimumloon. Appellante verblijft in een instelling voor maatschappelijke opvang. De bedoeling is dat zij uitstroomt naar een reguliere woning met een eigen werkkamer, waarna zij meer winst zal overhouden dan toen zij afhankelijk was van de schoonheidssalon. De haalbare verwachting is dat appellante gedurende een relatief korte periode afhankelijk zal zijn van bijstand op grond van het Bbz 2004 en dat zij vervolgens op eigen kracht als zelfstandige verder kan gaan.



Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om bijstand op grond van het Bbz 2004 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


4.1.
Wat appellante aanvoert is in de kern een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. Appellante heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens haar onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overwegingen over. Hij voegt daaraan nog toe dat het hier gaat om een aanvraag en de bewijslast van levensvatbaarheid daarom op appellante rust. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. Appellante heeft ook in hoger beroep geen concrete informatie verstrekt waaruit blijkt dat zij in staat is om binnen afzienbare tijd een inkomen te verwerven dat toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan. De eigen verwachting van appellante over de te behalen omzet en daarmee de levensvatbaarheid van het bedrijf vormt onvoldoende basis voor het toekennen van algemene bijstand op grond van het Bbz 2004. Ook dit volgt uit vaste rechtspraak.




Conclusie en gevolgen


4.2.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijstand op grond van het Bbz 2004 in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2026.






(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) M. Zwart

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4314.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1788.