Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1228

2026-09-22 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 24/1169 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-22
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/1169 PW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering van bijstand. Toekenning van bijstand. Geen duurzaam gescheiden levende partners. Geen onevenwichtige belangenafweging. Geen afstemming. Geen zeer bijzondere situatie. De afweging van het college om de bijstand niet door te laten lopen tot er duidelijkheid was over de aanvraag, maakt niet dat de belangenafweging onevenwichtig was. Het dagelijks bestuur heeft betrokkene bijstand toegekend vanaf de datum waarop de bijstand was ingetrokken en heeft lopende het onderzoek aan betrokkene en X voorschotten verstrekt en wijst er terecht op dat betrokkene ook desgevraagd niet heeft onderbouwd wat voor hem de nadelige gevolgen van de intrekking zijn geweest.

Citeert (9)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.247 tekens)
24/1169 PW, 25/1256 PW


Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer












Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van
24 april 2024, 23/7995 (aangevallen uitspraak 1), en van 19 juni 2025, 24/9509 (aangevallen uitspraak 2)







Partijen:



het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Stroomopwaarts MVS, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (dagelijks bestuur)




[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)








Datum uitspraak: 22 september 2026

SAMENVATTING


Het gaat in deze zaken over een intrekking en terugvordering van bijstand op de grond dat betrokkene gehuwd is en over een toekenning van bijstand naar de kostendelersnorm. Het hoger beroep van het dagelijks bestuur in de zaak over de intrekking en de terugvordering slaagt en het hoger beroep van betrokkene in de zaak over de toekenning slaagt niet.





PROCESVERLOOP


Het dagelijks bestuur heeft hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1.



Namens betrokkene heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.



Het dagelijks bestuur heeft gereageerd op een brief van de Raad van 18 juli 2025.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 juni 2026. Voor betrokkene is mr. Küçükünal verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. N.E. Bensoussan.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Betrokkene ontving vanaf 29 juni 2017 bijstand, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande met twee kosten delende medebewoners op grond van de Participatiewet (PW). Op 26 mei 2023 heeft betrokkene aan het dagelijks bestuur gemeld dat hij op [datum] 2023 in Turkije is gehuwd met X. Zij verblijft in Turkije en heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland.


1.2.
Naar aanleiding van deze melding heeft het dagelijks bestuur met een besluit van 2 juni 2023 de bijstand van betrokkene met ingang van [datum] 2023 ingetrokken. Met een besluit van 16 juni 2023 heeft het dagelijks bestuur de kosten van bijstand over de periode van [datum] 2023 tot en met 31 mei 2023 van betrokkene teruggevorderd tot een bedrag van € 220,40.


1.3.
Met een besluit van 1 december 2023 (bestreden besluit 1) heeft het dagelijks bestuur de bezwaren van betrokkene tegen de besluiten van 2 juni 2023 en 16 juni 2023 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het dagelijks bestuur, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat betrokkene door zijn huwelijk niet langer zelfstandig subject van bijstand is en als gevolg daarvan over de periode van [datum] 2023 tot en met 31 mei 2023 ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande heeft ontvangen. Omdat de bijstand is ingetrokken wordt niet toegekomen aan afstemming op grond van artikel 18 van de PW. De financiële gevolgen zijn niet onevenredig in verhouding tot het met de terugvordering te dienen doel.


1.4.
Met een besluit van 15 december 2023, zoals na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 9 oktober 2024 (bestreden besluit 2) heeft het dagelijks bestuur aan betrokkene, naar aanleiding van een aanvraag van 30 mei 2023, met ingang van [datum] 2023 bijstand toegekend op grond van de PW naar de norm voor een gehuwde met een niet-rechthebbende partner en met twee kosten delende medebewoners.



Uitspraken van de rechtbank





2.1.
De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd en het dagelijks bestuur opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het dagelijks bestuur in plaats van de bijstand in te trekken de voor betrokkene geldende uitkeringsnorm had kunnen wijzigen, wat voor betrokkene minder belastend zou zijn geweest dan het doen van een nieuwe aanvraag. Ook had de bijstand moeten worden afgestemd als bedoeld in artikel 18 van de PW.



2.2.
De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 2 het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 2 in stand gelaten.



Standpunten van het dagelijks bestuur en betrokkene





3.1.
Het dagelijks bestuur is het niet eens met aangevallen uitspraak 1. Daartegen heeft het dagelijks bestuur aangevoerd dat ingevolge artikel 43 van de PW gehuwden hun uitkering gezamenlijk moeten aanvragen. De Raad heeft geoordeeld dat ook in het geval waarbij slechts één van de gehuwden aanspraak kan maken op bijstand en de andere niet, de belanghebbende en zijn of haar echtgenoot hun aanvraag op grond van artikel 43, tweede lid, van de PW gezamenlijk moeten indienen. Dat geldt ook in de situatie van betrokkene. Onder verwijzing naar de uitspraak van 12 september 2017, voert het dagelijks bestuur aan dat terecht tot intrekking en terugvordering van de bijstand is overgegaan, omdat betrokkene met ingang van [datum] 2023 niet meer als zelfstandig subject van bijstand is aan te merken. Betrokkene heeft desgevraagd niet gesteld waarom geen gebruik kon worden gemaakt van de bevoegdheid de bijstand in te trekken. Betrokkene heeft in verband met de aanvraag van 30 mei 2023 voorschotten gekregen. Niet gebleken is van onnodig nadelige gevolgen voor betrokkene.


3.2.
Betrokkene is het niet eens met aangevallen uitspraak 2. Daartegen heeft betrokkene aangevoerd dat hij ten tijde van belang duurzaam gescheiden leefde van X. Ook heeft betrokkene aangevoerd dat het dagelijks bestuur aanleiding had moeten zien om de bijstand af te stemmen met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW.



Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt de hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken aan de hand van wat het dagelijks bestuur en betrokkene hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt en dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.


4.1.
Niet in geschil is dat betrokkene op [datum] 2023 is gehuwd met een nietrechthebbende partner die in het buitenland woont en dat betrokkene dit uit eigen beweging heeft gemeld.Duurzaam gescheiden leven


4.2.
Voor beide hoger beroepen is het van belang om eerst de vraag te beantwoorden of betrokkene op en na [datum] 2023 duurzaam gescheiden leefde van X. Volgens betrokkene leefde hij ten tijde van belang duurzaam gescheiden van X, omdat X in het buitenland verbleef, geen enkele band had met het huishouden van betrokkene, geen kosten betaalde en ook geen bijdrage van betrokkene ontving. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.2.1.
Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten pas sprake als het een door beide betrokkenen, of één van hen gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als was hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van beiden als bestendig is bedoeld. In het algemeen kan worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de huwelijkspartners de bedoeling hebben om – misschien pas op termijn – een echtelijke samenleving aan te gaan, maar niet valt uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven moet worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt. Het enkele gegeven dat de echtgenoten feitelijk gescheiden van elkaar leven als gevolg van het verblijf van één van hen in het buitenland, betekent nog niet dat dan ook gesproken moet worden van een duurzaam gescheiden leven als hiervoor bedoeld.


4.2.2.
Vaststaat dat appellant en X na hun huwelijk geen echtelijke samenleving zijn aangegaan. Uit 4.2.1 volgt dat dit nog niet betekent dat gesproken moet worden van duurzaam gescheiden leven. De gedingstukken geven geen blijk van andere concrete feiten en omstandigheden op grond waarvan ondubbelzinnig blijkt dat betrokkene en X vanaf de huwelijksdatum duurzaam gescheiden leven. Dat X in het buitenland verblijft en naar betrokkene stelt geen enkele band heeft met zijn huishouden, geen kosten betaalt en geen bijdrage van betrokkene ontvangt is daarvoor niet voldoende. Daarom is er geen grond voor het oordeel dat betrokkene en X ten tijde van belang duurzaam gescheiden van elkaar leefden in de in 4.2.1 bedoelde zin.



4.3.

Uit 4.2.2 volgt dat betrokkene vanaf [datum] 2023 moet worden aangemerkt als gehuwd.

Aangevallen uitspraak 1




4.4.
Bestreden besluit 1 wordt getoetst voor de periode van [datum] 2023, de datum met ingang waarvan de bijstand van betrokkene is ingetrokken, tot en met 2 juni 2023, de datum van het intrekkingsbesluit (te beoordelen periode).


4.5.
Omdat betrokkene in de te beoordelen periode moet worden aangemerkt als gehuwd, was hij geen zelfstandig subject van bijstand en heeft hij vanaf [datum] 2023 ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ontvangen.


4.6.
Het dagelijks bestuur heeft aangevoerd dat hij, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, redelijkerwijs gebruik kon maken van zijn bevoegdheid de bijstand van betrokkene in te trekken vanaf [datum] 2023. Deze grond slaagt. Daartoe is het volgende van belang.

4.6.1.
De nadelige gevolgen van het besluit mogen voor een betrokkene niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Dat volgt uit artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Bij het nemen van het besluit moet dus een belangenafweging plaatsvinden en de uitkomst daarvan moet voldoen aan dit evenredigheidsbeginsel. De wijze waarop de bestuursrechter een besluit toetst aan het evenredigheidsbeginsel is afhankelijk van veel factoren. Bij deze toetsing spelen geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van het besluit een rol. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken overwogen. De intensiteit van de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt bepaald door onder meer de aard en de mate van de beleidsruimte van het bestuursorgaan, de aard en het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en de aard van de betrokken belangen en de mate waarin deze door het besluit worden geraakt. Naarmate die belangen zwaarder wegen, de nadelige gevolgen van het besluit ernstiger zijn of het besluit een grotere inbreuk maakt op fundamentele rechten, zal de toetsing intensiever zijn. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is ook niet zozeer het in het algemeen tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodige nadelige gevolgen. Dit geldt ook voor een discretionaire intrekking en terugvordering van bijstand zoals hier aan de orde.


4.6.2.
Als wordt vastgesteld dat een betrokkene geen recht op bijstand had, is de discretionaire intrekkingsbevoegdheid een noodzakelijk en geschikt middel om te komen tot een juiste besteding van algemene middelen en juiste toepassing van de PW, namelijk om alleen bijstand te verlenen in bijstandbehoevende omstandigheden om het maatschappelijk draagvlak voor deze vangnetvoorziening te behouden.


4.6.3.
De rechtbank heeft overwogen dat het dagelijks bestuur voor een minder belastende oplossing had moeten kiezen, namelijk de optie om de bijstand door te laten lopen totdat duidelijkheid was verkregen over de aanvraag naar de nieuwe norm. Anders dan de rechtbank is de Raad niet gebleken van een onevenwichtige belangenafweging. Daartoe is het volgende van belang. Betrokkene en zijn echtgenote hebben op 30 mei 2023 gezamenlijk een aanvraag om bijstand ingediend. Het dagelijks bestuur heeft een groot belang bij een juiste vaststelling van het recht op bijstand en een juiste besteding van middelen daarvoor. Om tot een juiste vaststelling te komen, moest het dagelijks bestuur onderzoek doen naar het inkomen en vermogen van X. De afweging van het college om de bijstand niet door te laten lopen tot er duidelijkheid was over de aanvraag van 30 mei 2023, maakt niet dat de belangenafweging onevenwichtig was. Het dagelijks bestuur heeft betrokkene bijstand toegekend vanaf de datum waarop de bijstand was ingetrokken en heeft lopende het onderzoek in de maanden juni, augustus, oktober en november 2023 aan betrokkene en X voorschotten verstrekt tot een bedrag van in totaal € 3.250,- en wijst er terecht op dat betrokkene ook desgevraagd niet heeft onderbouwd wat voor hem de nadelige gevolgen van de intrekking zijn geweest.



4.7.

Gelet op wat in 4.6.3 is overwogen, getuigt het bestreden besluit tot intrekking en terugvordering niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen en heeft het dagelijks bestuur redelijkerwijs tot intrekking en terugvordering van de bijstand kunnen besluiten. Nu betrokkene geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande, wordt niet toegekomen aan de vraag of het dagelijks bestuur de bijstand van betrokkene met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW had moeten afstemmen op de situatie van betrokkene.

Aangevallen uitspraak 2




4.8.
Zoals ter zitting is besproken, is tussen partijen alleen nog in geschil of het feit dat de echtgenote van betrokkene in het buitenland verblijft als bijzondere omstandigheid moet worden gezien die maakt dat de bijstand moet worden afgestemd met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW. Betrokkene heeft aangevoerd dat dit het geval is omdat hij een niet-rechthebbende partner heeft die in het buitenland verblijft. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.9.1.
Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van de belanghebbende. Dat staat in artikel 18, eerste lid, van de PW. Voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging of een verhoging van de bijstand is alleen plaats in zeer bijzondere situaties. Dit is vaste rechtspraak. Het is aan degene die door middel van deze afstemming een hogere bijstandsuitkering wil ontvangen dan de voor hem toepasselijke norm, om aannemelijk te maken dat er een zeer bijzondere situatie is, zoals hiervoor bedoeld.


4.9.2.
Betrokkene heeft in bezwaar, ook nadat het dagelijks bestuur daar om had gevraagd, geen feiten en omstandigheden benoemd waarin het dagelijks bestuur aanleiding had moeten zien om de bijstand van betrokkene af te stemmen. In de enkele omstandigheid dat betrokkene een niet-rechthebbende partner heeft die in het buitenland verblijft heeft het dagelijks bestuur geen aanleiding hoeven zien om de bijstand af te stemmen als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de PW.





Conclusie en gevolgen


4.10.

Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep tegen bestreden besluit 1 wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van bijstand in stand blijven. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 slaagt niet. Dit betekent dat de toekenning van de bijstand zonder afstemming ongewijzigd in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, krijgt betrokkene geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep




vernietigt aangevallen uitspraak 1;


verklaart het beroep tegen het besluit van 15 december 2023 ongegrond;


bevestigt aangevallen uitspraak 2.





Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en E.C.G. Okhuizen en C.F.E. van Olden-Smit als leden, in tegenwoordigheid van W.B. Eefting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.






(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) W.B. Eefting




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels





Algemene wet bestuursrecht





Artikel 3:4, tweede lid




De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.




Participatiewet





Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b




In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:



[…]



b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.




Artikel 18, eerste lid




Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.



ECLI:NL:CRVB:2017:3116.


Uitspraak van 25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2918.


Uitspraak van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932.


Uitspraak van 1 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2414.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2207.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2378.


Zie de uitspraak van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2207.


Zie de uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492 en van 4 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1157.