Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1221
2026-09-10
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/1822 WAO
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Weigering om terug te komen van het besluit van 12 maart 2001 tot weigering van een WAO-uitkering per 19 februari 1983. De aan het besluit van 12 maart 2001 ten grondslag liggende stukken heeft het Uwv op grond van de Archiefwet vernietigd. Daardoor niet meer (verantwoord) is vast te stellen van welke medische situatie destijds is uitgegaan voor rekening van appellant. Appellant is er niet in geslaagd om aan te tonen dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
Citeert (3)
- ECLI:NL:CRVB:2004:AP1143 Centrale Raad van Beroep 14-05-2004
- ECLI:NL:CRVB:2019:3894 Centrale Raad van Beroep 05-12-2019
- ECLI:NL:CRVB:2019:928 Centrale Raad van Beroep 20-03-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.652 tekens)
25/1822 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 augustus 2025, 25/597 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien terug te komen van het besluit van 12 maart 2001, waarbij de wachttijd voor de WAO niet doorlopen is geacht gelet op een hersteldverklaring per 20 februari 1982. Volgens appellant is deze hersteldverklaring niet juist en is sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De Raad volgt appellant hierin niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het verzoek terecht heeft afgewezen.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 augustus 2026. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich, via videobellen, laten vertegenwoordigen door L.M.C.M. Levels.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.2.
Appellant was sinds 28 september 1981 werkzaam als voeger en heeft zich op 8 februari 1982 ziekgemeld. Appellant is per 8 februari 1982 een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend en is hersteld verklaard per 22 februari 1982. Na een korte werkhervatting bij een andere werkgever in 1982 heeft appellant een werkloosheidsuitkering en een bijstandsuitkering ontvangen.
1.3.
Op 1 juli 1999 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd, waarbij hij zich op het standpunt heeft gesteld dat hij per 20 februari 1982 onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Deze aanvraag heeft niet tot toekenning van een uitkering geleid en hiertegen heeft appellant bezwaar, beroep en hoger beroep ingesteld. De Raad heeft in zijn uitspraak van 14 mei 2004, de aanvraag (ook) opgevat als een verzoek om terug te komen van de hersteldverklaring per 22 februari 1982. Ten aanzien van de door appellant overgelegde medische en andere gegevens heeft de Raad overwogen dat niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De stukken die aan de hersteldmelding ten grondslag lagen waren namelijk niet meer volledig beschikbaar en de medische situatie van destijds was niet meer vast te stellen. Dit kwam voor rekening van appellant nu hij zijn verzoek pas na zeventien jaar had gedaan en het op zijn weg had gelegen om het verzoek te onderbouwen, aldus de Raad in de uitspraak van 14 mei 2004.
1.4.
Met een brief, door het Uwv ontvangen op 16 juli 2024, heeft appellant gesteld dat de toenmalige uitvoeringsorganisatie Sociaal Fonds Bouwnijverheid zijn medische situatie in het verleden onjuist heeft beoordeeld. Het Uwv heeft deze brief opgevat als een verzoek om terug te komen van een besluit van 20 november 2000 (lees: 12 maart 2001), waarbij per 19 februari 1983 een WAO-uitkering is geweigerd. Bij besluit van 26 augustus 2024 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen omdat van het besluit van 20 november 2000 (lees: 12 maart 2001) de onderliggende stukken niet meer beschikbaar zijn zodat een beoordeling niet meer mogelijk is. Subsidiair stelt het Uwv dat appellant ten tijde van zijn aanvraag van 16 juli 2024 reeds een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) ontving en ook dit aan uitbetaling van een WAO-uitkering in de weg staat. Bij besluit van 5 februari 2025 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, ondanks de grote hoeveelheid medische stukken die appellant heeft ingebracht, het Uwv niet gehouden was het besluit van 12 maart 2001 te herzien. Allereerst moet kunnen worden beoordeeld of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Voor die beoordeling moet eerst duidelijk zijn welke medische stukken ten grondslag hebben gelegen aan het besluit van 12 maart 2001. Die duidelijkheid is er niet en kan er ook niet meer komen omdat er na al die jaren geen dossiergegevens meer bij het Uwv zijn. Daardoor kunnen de stukken die appellant nu heeft ingebracht niet vergeleken worden met de stukken die aan het eerdere besluit ten grondslag hebben gelegen en kan dus ook niet worden vastgesteld welke van de door appellant ingebrachte stukken nieuw zijn ten opzichte van toen. Het Uwv heeft het herzieningsverzoek daarom terecht afgewezen. Ook is de rechtbank het eens met de tweede afwijzingsgrond, dat appellant sinds september 2010 een AOWuitkering heeft waardoor een WAO-uitkering, als daar al per 16 juli 2014 recht op zou bestaan, niet meer tot uitbetaling kan komen. Het besluit is niet evident onredelijk en voor een vergoeding van schade bestaat geen grond.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat hij al jaren te maken heeft met letsel als gevolg van een trauma aan zijn enkel dat niet adequaat is behandeld. Met een MRI-scan in België is pas later vastgesteld dat sprake is van osteochondritis dissecans. De hersteldatum per 22 februari 1982 is volgens appellant niet juist geweest. Het is wel degelijk aan te tonen dat er destijds medische klachten waren waardoor appellant blijvend ongeschikt was voor zijn werk als voeger. Doordat zijn situatie in 1982 verkeerd is ingeschat is hij in de bijstand terechtgekomen en heeft hij de erfenis die hij na het overlijden van zijn moeder heeft gekregen moeten gebruiken om in zijn bestaan te voorzien. Appellant heeft behalve met enkelklachten ook te kampen gehad met andere gezondheidsklachten, zoals rugklachten en klachten als gevolg van een TIA.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering om terug te komen van het besluit van 12 maart 2001 in stand heeft gelaten. De Raad doet dit aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Het Uwv en de rechtbank hebben het verzoek van appellant terecht opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 12 maart 2001. Bij dit besluit is uitgegaan van een hersteldverklaring in 1982 waardoor de wachttijd voor de WAO niet is volgemaakt. Het Uwv heeft op dit verzoek beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
5.2.
De aan het besluit van 12 maart 2001 ten grondslag liggende stukken heeft het Uwv op grond van de Archiefwet vernietigd. Appellant heeft zelf weliswaar stukken overgelegd waarover hij nog de beschikking had, maar duidelijk is dat deze stukken tezamen niet het volledige dossier van destijds vormen. Gelet op het tijdsverloop komt dit gebrek aan stukken, waardoor niet meer (verantwoord) is vast te stellen van welke medische situatie destijds is uitgegaan voor rekening van appellant. Het is immers aan de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb.
5.3.
Nu niet meer is vast te stellen van welke medische informatie ten tijde van de hersteldmelding in 1982, dan wel in 2000/2001, in het kader van de WAO-beoordeling, is uitgegaan, is thans niet meer te beoordelen of appellant met de door hem bij zijn aanvraag van 16 juli 2024 en daarna overgelegde stukken nieuwe gegevens heeft overgelegd die destijds niet bekend waren. Appellant is er dan ook reeds om deze reden niet in geslaagd om aan te tonen dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in voormelde zin. Verder geldt voor een groot deel van de door appellant in bezwaar en (hoger) beroep overgelegde stukken dat ze geen betrekking hebben op de medische situatie van appellant in 1982, maar op de periode daarna en zelfs veelal vér daarna. Nu deze stukken daarmee geen betrekking hebben op de in geding relevante datum/periode, is ook om deze reden geen sprake van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb.
5.4.
Appellant wordt niet gevolgd in wat hij ter zitting heeft gesteld over strijd met het beginsel van equality of arms. Het gaat hier om een zeer late herhaalde aanvraag en zoals volgt uit 5.2 ligt in dit geval de bewijslast en daarmee het bewijsrisico bij appellant. Voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige wordt dan ook geen aanleiding gezien.
5.5.
In wat appellant heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gezien om te oordelen dat de weigering om terug te komen van het besluit van 12 maart 2001 evident onredelijk is.
5.6.
Geheel ten overvloede en uitsluitend ter voorlichting van appellant herhaalt de Raad het volgende, dat ook ter zitting aan appellant is voorgehouden. Zelfs al zou het voorgaande anders zijn en zou wel sprake zijn van een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb en zou appellant in principe voldoen aan de voorwaarden voor een WAO-uitkering, dan zou dit nog niet betekenen dat hij die uitkering feitelijk ook zou krijgen. Dan zou namelijk de subsidiaire weigeringsgrond van het Uwv in beeld komen. Daarvoor is van belang dat appellant sinds 1 september 2010 een AOW-uitkering ontvangt. Alleen al dit gegeven staat aan toekenning van een WAO-uitkering in de weg, nog daargelaten of daarvoor zoals door het Uwv gesteld zou moeten worden gekeken naar de situatie op datum aanvraag (16 juli 2024) of (uiterlijk) vijf jaar daarvoor.
Conclusie en gevolgen
5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van het besluit van 12 maart 2001 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend). B. Uçurum
CRvB 14 mei 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP1143.
20 november 2020 was de datum van een brief van een verzekeringsarts die aan het besluit van 12 maart 2001 was voorafgegaan.
Een beschadiging van het kraakbeen en het onderliggende bot van het sprongbeen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 5 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3894 en van 20 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:928.
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 augustus 2025, 25/597 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien terug te komen van het besluit van 12 maart 2001, waarbij de wachttijd voor de WAO niet doorlopen is geacht gelet op een hersteldverklaring per 20 februari 1982. Volgens appellant is deze hersteldverklaring niet juist en is sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De Raad volgt appellant hierin niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het verzoek terecht heeft afgewezen.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 augustus 2026. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich, via videobellen, laten vertegenwoordigen door L.M.C.M. Levels.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.2.
Appellant was sinds 28 september 1981 werkzaam als voeger en heeft zich op 8 februari 1982 ziekgemeld. Appellant is per 8 februari 1982 een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend en is hersteld verklaard per 22 februari 1982. Na een korte werkhervatting bij een andere werkgever in 1982 heeft appellant een werkloosheidsuitkering en een bijstandsuitkering ontvangen.
1.3.
Op 1 juli 1999 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd, waarbij hij zich op het standpunt heeft gesteld dat hij per 20 februari 1982 onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Deze aanvraag heeft niet tot toekenning van een uitkering geleid en hiertegen heeft appellant bezwaar, beroep en hoger beroep ingesteld. De Raad heeft in zijn uitspraak van 14 mei 2004, de aanvraag (ook) opgevat als een verzoek om terug te komen van de hersteldverklaring per 22 februari 1982. Ten aanzien van de door appellant overgelegde medische en andere gegevens heeft de Raad overwogen dat niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De stukken die aan de hersteldmelding ten grondslag lagen waren namelijk niet meer volledig beschikbaar en de medische situatie van destijds was niet meer vast te stellen. Dit kwam voor rekening van appellant nu hij zijn verzoek pas na zeventien jaar had gedaan en het op zijn weg had gelegen om het verzoek te onderbouwen, aldus de Raad in de uitspraak van 14 mei 2004.
1.4.
Met een brief, door het Uwv ontvangen op 16 juli 2024, heeft appellant gesteld dat de toenmalige uitvoeringsorganisatie Sociaal Fonds Bouwnijverheid zijn medische situatie in het verleden onjuist heeft beoordeeld. Het Uwv heeft deze brief opgevat als een verzoek om terug te komen van een besluit van 20 november 2000 (lees: 12 maart 2001), waarbij per 19 februari 1983 een WAO-uitkering is geweigerd. Bij besluit van 26 augustus 2024 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen omdat van het besluit van 20 november 2000 (lees: 12 maart 2001) de onderliggende stukken niet meer beschikbaar zijn zodat een beoordeling niet meer mogelijk is. Subsidiair stelt het Uwv dat appellant ten tijde van zijn aanvraag van 16 juli 2024 reeds een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) ontving en ook dit aan uitbetaling van een WAO-uitkering in de weg staat. Bij besluit van 5 februari 2025 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, ondanks de grote hoeveelheid medische stukken die appellant heeft ingebracht, het Uwv niet gehouden was het besluit van 12 maart 2001 te herzien. Allereerst moet kunnen worden beoordeeld of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Voor die beoordeling moet eerst duidelijk zijn welke medische stukken ten grondslag hebben gelegen aan het besluit van 12 maart 2001. Die duidelijkheid is er niet en kan er ook niet meer komen omdat er na al die jaren geen dossiergegevens meer bij het Uwv zijn. Daardoor kunnen de stukken die appellant nu heeft ingebracht niet vergeleken worden met de stukken die aan het eerdere besluit ten grondslag hebben gelegen en kan dus ook niet worden vastgesteld welke van de door appellant ingebrachte stukken nieuw zijn ten opzichte van toen. Het Uwv heeft het herzieningsverzoek daarom terecht afgewezen. Ook is de rechtbank het eens met de tweede afwijzingsgrond, dat appellant sinds september 2010 een AOWuitkering heeft waardoor een WAO-uitkering, als daar al per 16 juli 2014 recht op zou bestaan, niet meer tot uitbetaling kan komen. Het besluit is niet evident onredelijk en voor een vergoeding van schade bestaat geen grond.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat hij al jaren te maken heeft met letsel als gevolg van een trauma aan zijn enkel dat niet adequaat is behandeld. Met een MRI-scan in België is pas later vastgesteld dat sprake is van osteochondritis dissecans. De hersteldatum per 22 februari 1982 is volgens appellant niet juist geweest. Het is wel degelijk aan te tonen dat er destijds medische klachten waren waardoor appellant blijvend ongeschikt was voor zijn werk als voeger. Doordat zijn situatie in 1982 verkeerd is ingeschat is hij in de bijstand terechtgekomen en heeft hij de erfenis die hij na het overlijden van zijn moeder heeft gekregen moeten gebruiken om in zijn bestaan te voorzien. Appellant heeft behalve met enkelklachten ook te kampen gehad met andere gezondheidsklachten, zoals rugklachten en klachten als gevolg van een TIA.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering om terug te komen van het besluit van 12 maart 2001 in stand heeft gelaten. De Raad doet dit aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Het Uwv en de rechtbank hebben het verzoek van appellant terecht opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 12 maart 2001. Bij dit besluit is uitgegaan van een hersteldverklaring in 1982 waardoor de wachttijd voor de WAO niet is volgemaakt. Het Uwv heeft op dit verzoek beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
5.2.
De aan het besluit van 12 maart 2001 ten grondslag liggende stukken heeft het Uwv op grond van de Archiefwet vernietigd. Appellant heeft zelf weliswaar stukken overgelegd waarover hij nog de beschikking had, maar duidelijk is dat deze stukken tezamen niet het volledige dossier van destijds vormen. Gelet op het tijdsverloop komt dit gebrek aan stukken, waardoor niet meer (verantwoord) is vast te stellen van welke medische situatie destijds is uitgegaan voor rekening van appellant. Het is immers aan de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb.
5.3.
Nu niet meer is vast te stellen van welke medische informatie ten tijde van de hersteldmelding in 1982, dan wel in 2000/2001, in het kader van de WAO-beoordeling, is uitgegaan, is thans niet meer te beoordelen of appellant met de door hem bij zijn aanvraag van 16 juli 2024 en daarna overgelegde stukken nieuwe gegevens heeft overgelegd die destijds niet bekend waren. Appellant is er dan ook reeds om deze reden niet in geslaagd om aan te tonen dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in voormelde zin. Verder geldt voor een groot deel van de door appellant in bezwaar en (hoger) beroep overgelegde stukken dat ze geen betrekking hebben op de medische situatie van appellant in 1982, maar op de periode daarna en zelfs veelal vér daarna. Nu deze stukken daarmee geen betrekking hebben op de in geding relevante datum/periode, is ook om deze reden geen sprake van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb.
5.4.
Appellant wordt niet gevolgd in wat hij ter zitting heeft gesteld over strijd met het beginsel van equality of arms. Het gaat hier om een zeer late herhaalde aanvraag en zoals volgt uit 5.2 ligt in dit geval de bewijslast en daarmee het bewijsrisico bij appellant. Voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige wordt dan ook geen aanleiding gezien.
5.5.
In wat appellant heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gezien om te oordelen dat de weigering om terug te komen van het besluit van 12 maart 2001 evident onredelijk is.
5.6.
Geheel ten overvloede en uitsluitend ter voorlichting van appellant herhaalt de Raad het volgende, dat ook ter zitting aan appellant is voorgehouden. Zelfs al zou het voorgaande anders zijn en zou wel sprake zijn van een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb en zou appellant in principe voldoen aan de voorwaarden voor een WAO-uitkering, dan zou dit nog niet betekenen dat hij die uitkering feitelijk ook zou krijgen. Dan zou namelijk de subsidiaire weigeringsgrond van het Uwv in beeld komen. Daarvoor is van belang dat appellant sinds 1 september 2010 een AOW-uitkering ontvangt. Alleen al dit gegeven staat aan toekenning van een WAO-uitkering in de weg, nog daargelaten of daarvoor zoals door het Uwv gesteld zou moeten worden gekeken naar de situatie op datum aanvraag (16 juli 2024) of (uiterlijk) vijf jaar daarvoor.
Conclusie en gevolgen
5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van het besluit van 12 maart 2001 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van B. Uçurum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend). B. Uçurum
CRvB 14 mei 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP1143.
20 november 2020 was de datum van een brief van een verzekeringsarts die aan het besluit van 12 maart 2001 was voorafgegaan.
Een beschadiging van het kraakbeen en het onderliggende bot van het sprongbeen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 5 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3894 en van 20 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:928.