Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1216

2026-09-10 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/240 AOW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-10
Publicatiedatum
2026-09-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/240 AOW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De Svb heeft de hoogte van het AOW-pensioen terecht vastgesteld op 62% van het maximale AOW-pensioen. De Raad oordeelt dat appellant niet over een langere periode verzekerd voor de AOW is geweest dan de Svb heeft aangenomen.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.483 tekens)
25/240 AOW



Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2024, 24/3299 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)








Datum uitspraak: 10 september 2026


SAMENVATTING


Appellant stelt dat hij recht heeft op een hoger AOW-pensioen. De Raad is het eens met de rechtbank dat appellant daarop geen recht heeft. De Raad oordeelt dat appellant niet over een langere periode verzekerd voor de AOW is geweest dan de Svb heeft aangenomen.





PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. R.G. Groen hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 augustus 2026. Voor appellant zijn verschenen zijn mr. Groen en [naam] . De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.





OVERWEGINGEN



Inleiding

1. Appellant heeft een pensioen op grond van de AOW aangevraagd. Met een besluit van 4 juli 2023 heeft de Svb appellant vanaf 1 mei 2023 een AOW-pensioen toegekend van 58% van het maximale AOW-pensioen. De Svb heeft het besluit van 4 juli 2023 gewijzigd met een besluit van 24 oktober 2023. Met dat besluit is de hoogte van het AOW-pensioen vanaf mei 2023 vastgesteld op 62% van het maximale AOW-pensioen. Tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Met een besluit van 9 mei 2024 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Volgens de Svb is er geen reden om het AOWpensioen hoger vast te stellen, onder meer omdat appellant in de periode van 1 mei 1973 tot en met 23 mei 1976 niet verzekerd is geweest voor de AOW.



Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat appellant eerder dan vanaf 24 mei 1976 verzekerd is geweest voor de AOW. Er zijn onvoldoende aanwijzingen voor het bestaan van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland in de periode voor die datum. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij hier toen al beschikte over duurzame woonruimte, werk had of familie of andere bindingen met personen of organisaties in Nederland had. Wat appellant heeft opgemerkt over zijn vermelding in 1973 in het Schakelregister is volgens de rechtbank onvoldoende reden om eerder ingezetenschap aan te nemen. Ook de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie op 26 oktober 1975 is daarvoor onvoldoende. Dat appellant problemen ondervindt om na zoveel jaren nog zijn arbeidsverleden te achterhalen, dient volgens de rechtbank voor risico van appellant te komen.
Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat appellant tegen die uitspraak heeft aangevoerd wordt hierna besproken.



Het standpunt van de Svb



4. De Svb heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.



Het oordeel van de Raad


5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de hoogte van het AOW-pensioen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.



5.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.



5.2.
Gelet op de mededeling van de gemachtigde van appellant tijdens de zitting is in geschil of appellant verzekerd is voor de AOW in de periode van 27 oktober 1975 tot en met 23 mei 1976.



5.3.
Voor beantwoording van de vraag of appellant verzekerd is voor de AOW in deze periode is hier, kort samengevat, beslissend of appellant toen ingezetene van Nederland was dan wel in dienstbetrekking in Nederland werkte. Bij besluiten op aanvraag ligt de bewijslast ter onderbouwing van een aanvraag in hoofdzaak bij de aanvrager. Dat geldt zeker in een geval als dit, waarin de te bewijzen feiten liggen binnen de invloedsfeer van de aanvrager.



5.4.
Ingezetene in de zin van de AOW is degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Om te bepalen waar iemand woont, moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. In vaste rechtspraak van de Raad komt tot uitdrukking dat het ingezetenschap in beginsel geleidelijk ontstaat. Dat kan anders zijn als bij aankomst in Nederland de intentie bestaat om zich definitief in Nederland te vestigen en deze intentie voldoende door objectieve factoren wordt ondersteund.



5.5.
De Raad is net als de rechtbank van oordeel dat uit de gegevens die bekend zijn over de situatie van appellant niet kan worden afgeleid dat hij in de periode van 27 oktober 1975 tot en met 23 mei 1976 als ingezetene kon worden aangemerkt.


5.5.1.
De Raad is het eens met de rechtbank en de Svb dat de inschrijving van appellant in de GBA met ingang van 27 oktober 1975 niet voldoende is om aan te nemen dat sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland, omdat er onvoldoende andere feiten of omstandigheden zijn die erop wijzen dat die band er toen al was.



5.5.2.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij toen al werk had of over een zelfstandige woning beschikte. De door hem in hoger beroep overgelegde verklaring van een familievriend is daarvoor niet voldoende. In deze – ongedateerde – verklaring staat dat appellant in het jaar 1975 in diens woning woonde en met hem in een fabriek werkzaam was. Hieruit volgt dus niet dat appellant destijds een zelfstandige woning had. Bovendien strookt de mededeling dat appellant toen in een fabriek werkte niet met wat verder in het dossier is vermeld en is verklaard. De andere in hoger beroep overgelegde verklaringen en de beschikbare informatie van werkgevers hebben geen betrekking op de periode waar het hier om gaat. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de periode van 27 oktober 1975 tot en met 23 mei 1976 nog geen familie in Nederland had en ook geen andere objectief controleerbare bindingen met personen of organisaties in Nederland had. De registratie van appellant in het schakelregister op 14 oktober 1973 is, ook in samenhang met de overige gegevens, onvoldoende om aan te nemen dat appellant in de periode in geding in Nederland woonde. Zoals de Svb heeft betoogd, is ook niet uitgesloten dat de geregistreerde datum geen aankomst-, maar een vertrekdatum is, omdat appellant zelf heeft verklaard dat hij van 1971 tot 1973 in Nederland was en vervolgens naar Marokko is teruggekeerd.




5.6.
Uit de beschikbare gegevens kan ook niet worden opgemaakt dat appellant voor 24 mei 1976 in Nederland in dienstbetrekking is gaan werken.



5.7.
De conclusie is dan ook dat appellant niet verzekerd is voor de AOW in de periode van 27 oktober 1975 tot en met 23 mei 1976.




Conclusie en gevolgen

6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het bestreden besluit blijft in stand. Dit betekent dat appellant geen recht heeft op een hoger AOW-pensioen.

7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé in tegenwoordigheid van A.M. van Oorschot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.






(getekend) L.M. Tobé




(getekend) A.M. van Oorschot





Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen verzekerde en ingezetene.




Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels



Algemene Ouderdomswet





Artikel 2

Ingezetene in de zin van deze wet is degene, die in Nederland woont.




Artikel 3, eerste lid

Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.




Artikel 6, eerste lid

Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en

a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.









Algemene Ouderdomswet.


Zie de uitspraak van de Raad van 26 februari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:283.


Zie de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466, en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285 en de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2233, onder 4.11 en de uitspraak van de Raad van 7 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:425 onder 4.4.1.


Gemeentelijke basisadministratie.


Zie de uitspraken van de Raad van 26 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3102.