Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1215
Inhoudsindicatie
Het gaat in deze zaken over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 25 oktober 2021 en per 5 oktober 2022 heeft beëindigd. Daarnaast gaat het over de vraag of het Uwv appellant terecht per 11 november 2021 geen ZW-uitkering heeft toegekend. Volgens appellant was hij op 25 oktober 2021, op 11 november 2021 en op 5 oktober 2022 door zijn medische beperkingen niet in staat om de geselecteerde functies te verrichten zodat hij per deze data (doorlopend) recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering per 25 oktober 2021 en per 5 oktober 2022 terecht heeft beëindigd en appellant per 11 november 2021 terecht geen ZW-uitkering heeft toegekend.
Citeert (4)
- ECLI:NL:CRVB:2023:1739 Centrale Raad van Beroep 13-09-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:1889 Centrale Raad van Beroep 28-09-2023
- ECLI:NL:CRVB:2015:4920 Centrale Raad van Beroep 30-12-2015
- ECLI:NL:CRVB:2022:2658 Centrale Raad van Beroep 23-12-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (32.196 tekens)
Enkelvoudige kamer
23/365 ZW, 24/421 ZW, 25/396 ZW
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van
13 januari 2023, 22/2025 (aangevallen uitspraak 1) en van 21 januari 2025, 23/1828 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op het beroep tegen het besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 8 januari 2024 (bestreden besluit 2)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 9 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaken over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 25 oktober 2021 en per 5 oktober 2022 heeft beëindigd. Daarnaast gaat het over de vraag of het Uwv appellant terecht per 11 november 2021 geen ZW-uitkering heeft toegekend. Volgens appellant was hij op 25 oktober 2021, op 11 november 2021 en op 5 oktober 2022 door zijn medische beperkingen niet in staat om de geselecteerde functies te verrichten zodat hij per deze data (doorlopend) recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering per 25 oktober 2021 en per 5 oktober 2022 terecht heeft beëindigd en appellant per 11 november 2021 terecht geen ZW-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.S. Vlieger, advocaat, hoger beroep ingesteld in de zaak met zaaknummer 23/365 ZW. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Mr. S. Aarsman, advocaat, heeft zich gesteld als opvolgend gemachtigde. Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Namens appellant heeft mr. Aarsman beroep en hoger beroep ingesteld in de zaken met zaaknummers 24/421 ZW en 25/396 ZW. Het Uwv heeft verweerschriften ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 augustus 2026. Voor appellant is mr. Aarsman verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van de (hoger) beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als schoonmaker voor gemiddeld 39,33 uur per week bij [naam B.V.] Op 15 juni 2020 heeft hij zich ziekgemeld met longklachten. Na de beëindiging van het dienstverband heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 september 2021. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens vijf functies geselecteerd en de mate van arbeidsgeschiktheid van appellant vastgesteld op 87,92%. Het Uwv heeft bij besluit van 24 september 2021 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 25 oktober 2021 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.2.
Bij besluit van 1 maart 2022 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de conclusie van de verzekeringsarts onderschreven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een functie laten vervallen vanwege een gestelde opleidingseis en heeft de mate van arbeidsgeschiktheid van appellant vastgesteld op 80,58%.
1.3.
Appellant heeft vervolgens een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Op 11 november 2021 heeft appellant zich bij het Uwv ziekgemeld met longklachten. In dit verband heeft een verzekeringsarts op 6 december 2021 een telefonisch spreekuur met appellant gehouden. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om de ziekmelding te accepteren omdat het gaat om dezelfde medische toestand als ten tijde van de EZWb. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 6 december 2021 geweigerd appellant een ZW-uitkering toe te kennen per 11 november 2021.
1.4.
Bij besluit van 3 januari 2022 heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig is ingediend.
1.5.
Met een uitspraak van 5 juli 2022 (22/651) heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 3 januari 2022 ongegrond verklaard.
1.6.
Met een uitspraak van 13 september 2023 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 5 juli 2022 vernietigd, het besluit van 3 januari 2022 vernietigd en het Uwv opgedragen alsnog inhoudelijk te beslissen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 december 2021. De Raad heeft geoordeeld dat het bezwaar van appellant wel tijdig is ingediend. Tegen dit nieuwe besluit kan slechts beroep worden ingesteld bij de Raad.
1.7.
Op 7 februari 2022 heeft appellant zich opnieuw bij het Uwv ziekgemeld met psychische klachten, longklachten en buikpijn. Het Uwv heeft aan appellant een ZWuitkering toegekend. Appellant heeft op 20 september 2022 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft, uitgaande van toegenomen klachten en beperkingen, appellant (weer) geschikt geacht voor de eerder geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 26 september 2022 de ZW-uitkering van appellant per 5 oktober 2022 beëindigd.
1.8.
Bij besluit van 17 februari 2023 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Aangevallen uitspraak 1
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit 1 in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanvullend psychisch onderzoek heeft verricht geeft geen aanleiding om het medisch onderzoek als niet zorgvuldig te beschouwen. Dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geen aanleiding heeft gezien om nader overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep te voeren maakt het onderzoek evenmin onzorgvuldig. Het is aan de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep om dit te bepalen.
2.2.
Er is voorts geen sprake van strijd met het beginsel van equality of arms. Appellant heeft de gelegenheid gehad om met medische gegevens twijfel te zaaien over het standpunt van de verzekeringsartsen. Er is geen reden om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat.
2.3.
Verder bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsartsen en ook niet aan de aangenomen belastbaarheid. De rechtbank kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen dat er geen aanleiding is om aanvullende beperkingen op te nemen in verband met psychische klachten, dat alleen beperkingen voor zwaar lichamelijk werk aan de orde zijn en dat staan tijdens het werk energetisch niet zwaar belastend is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd dat de bijwerking die appellant ondervindt van zijn medicatie niet leidt tot beperkingen voor (beroepsmatig) vervoer. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende onderbouwd dat met de aangenomen beperkingen in de FML al tegemoetgekomen is aan de energetische beperkingen van appellant en dat een aanvullende urenbeperking niet aan de orde is. Omdat er geen twijfel is aan de juistheid van de medische beoordeling, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
2.4.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemaakt dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant en toegelicht dat de voorkomende signaleringen geen overschrijdingen van de aangenomen belastbaarheid betreffen. Wat betreft de taalachterstand van appellant heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv gevolgd dat appellant sinds geruime tijd in Nederland verblijft en dat gebleken is dat hij over een bepaald leervermogen beschikt. Appellant wordt daarom geacht zo nodig de benodigde kennis van de Nederlandse taal binnen zes maanden te kunnen verwerven.
Bestreden besluit 2
3. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad heeft het Uwv bij besluit van 8 januari 2024 (bestreden besluit 2) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 december 2021 ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Aangevallen uitspraak 2
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit 3 in stand gelaten.
4.1.
De grond van appellant, dat de beëindiging van de ZW-uitkering niet op een onderzoeksverslag berust omdat het rapport van de primaire verzekeringsarts gedateerd is ná dit besluit, slaagt niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant in bezwaar namelijk herbeoordeeld en daarop is het bestreden besluit gebaseerd. Deze heroverweging ligt in deze procedure ter beoordeling voor.
4.2.
De rechtbank heeft voorts het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig geacht. Appellant heeft aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie had moeten opvragen bij de behandelend sector, maar heeft niet toegelicht welke medische informatie de verzekeringsarts bezwaar en beroep had moeten opvragen. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport afdoende gemotiveerd dat er voldoende medische informatie in het dossier aanwezig is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts voldoende gemotiveerd waarom hij van een fysiek spreekuur heeft afgezien.
4.3.
De rechtbank heeft het standpunt van appellant, dat hij meer beperkingen heeft dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen, niet gevolgd. Uit de door appellant overgelegde medische stukken blijkt niet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep meer beperkingen had moeten aannemen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep leiden de rugklachten van appellant alleen tot het vermijden van zware fysieke belasting. Hiervan is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de geselecteerde functies al sprake. Over de COPD heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat de door appellant ingediende brief van de longarts uit 2020 al bekend was. Iemand met COPD (GOLD 1) heeft alleen last van kortademigheid bij inspannende activiteiten zoals hardlopen, fietsen tegen de wind in of lichamelijk zwaar werk. De geduide functies zijn echter niet fysiek zwaar. In de door appellant ingebrachte brief van 3 januari 2022 van de cardioloog wordt als oorzaak voor de kortademigheid bij appellant een slechte conditie gegeven. Ook met een slechte conditie is appellant in staat om de geduide functies uit te voeren. De rechtbank heeft de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd. Over de psychische klachten heeft de rechtbank overwogen dat de door appellant gestelde depressie ten tijde van de datum in geding in geen enkel medisch stuk is terug te vinden. De verslavingsproblematiek is erkend door de verzekeringsartsen en zij hebben hier beperkingen voor aangenomen. Daarmee wordt de vraag of verslaving als ziekte heeft te gelden ook minder relevant. Uit de medische stukken blijkt ten slotte niet dat een urenbeperking door kortademigheid geïndiceerd is. Voor de (telefonische) behandeling bij Jellinek en eventuele recuperatietijd is evenmin gebleken dat een urenbeperking moet worden aangenomen.
4.4.
Anders dan appellant heeft gesteld hoeft bij de beoordeling of recht op een ZWuitkering bestaat op grond van artikel 19 van de ZW geen (nieuwe) FML te worden opgesteld.
4.5.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de medische beperkingen van appellant ten opzichte van de EZWb op een of meer punten van de FML zijn toegenomen. Dit is een nieuwe specifieke (preventieve) voorwaarde voor het persoonlijk functioneren, namelijk niet werken in horecagelegenheden waar alcohol wordt geserveerd. Daarnaast is appellant beperkt geacht voor het beroepsmatig een voertuig besturen en is appellant aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico, namelijk zonder gevaarlijke machines, op hoogte, langs de kant van de openbare weg of op bouwplaatsen. De door appellant aangevoerde medische klachten zien niet op deze nieuwe beperkingen, maar op de al eerder aangenomen beperkingen. Hierover is echter al in een eerder stadium geoordeeld dat appellant daarmee in staat is de geselecteerde functies te verrichten. De rechtbank heeft appellant daarom niet gevolgd in zijn standpunt. De geselecteerde functies zijn onverminderd geschikt voor appellant.
Het standpunt van appellant
5. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken en beroep ingesteld tegen bestreden besluit 2. Hij heeft daartegen het volgende aangevoerd.
De beoordeling per 25 oktober 2021
5.1.
Weliswaar is appellant in bezwaar fysiek onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, maar het onderzoek is onvoldoende gedegen geweest en de arts heeft nagelaten om de behandelende sector te benaderen voor informatie. Appellant heeft veel meer beperkingen dan door de (verzekerings)artsen zijn vastgesteld.
5.2.
Ten onrechte zijn geen beperkingen opgenomen voor persoonlijk en sociaal functioneren in verband met de verslavingsproblematiek, depressieve klachten, cognitieve vaardigheden en inspanningsintolerantie van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat er geen psychische beperkingen zijn, in weerwil van ingebrachte stukken en de observaties van deze arts tijdens de hoorzitting. Het had op de weg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gelegen een gedegen psychisch onderzoek te verrichten. Appellant heeft een lang verleden met depressie-, angst- en verslavingsklachten, waardoor niet zonder meer gesteld kan worden dat die klachten niet aanwezig zijn omdat appellant hiervoor op de datum in geding geen medicatie slikte en niet onder behandeling stond. Appellant heeft begin 2023 een terugval gehad, is weer gaan drinken en heeft zich daarbij ernstig bezeerd. Deze situatie valt buiten de datum in geding, maar het wijst er volgens appellant wel op dat de verslavingsproblematiek helemaal niet onder controle is en dat hier wel degelijk beperkingen uit voortvloeien. Verder heeft appellant beperkingen als gevolg van COPD en het medicijn Champix.
5.3.
Ten onrechte is geen rekening gehouden met het behandeltraject bij Jellinek van appellant. Gedurende de gesprekken bij Jellinek is appellant niet belastbaar voor het verrichten van arbeid. Daarnaast had een urenbeperking moeten worden aangenomen in verband met inspanningsintolerantie.
De beoordeling per 11 november 2021
5.4.
Appellants fysieke en psychische gesteldheid is onderschat door het Uwv. Bij appellant is COPD (GOLD 1) vastgesteld, wat leidt tot een verminderde vitale capaciteit. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan appellant hierom geen zwaar lichamelijk werk verzetten. Ten onrechte heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarbij gesteld dat staan (tijdens werk) als niet energetisch zwaar belastend wordt gezien en dit dus ook niet hoeft te worden beperkt. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte geconstateerd dat appellant tijdens de hoorzitting 'niet depressief overkwam', terwijl de omstandigheden van appellant voldoende aanleiding geven om zijn psychische problemen nader te onderzoeken. Zo heeft appellant een terugval gehad in zijn verslavingsproblematiek en is appellant in januari 2022 door de huisarts doorverwezen naar een psychiater van Jellinek vanwege depressieve klachten. Dit is niet meegenomen in de beoordeling. Daarnaast hadden beperkingen moeten worden aangenomen in verband met het behandeltraject bij Jellinek. Ten slotte is de verzekeringsarts bezwaar en beroep enkel ingegaan op de bijwerkingen van het door appellant gebruikte medicijn Champix, terwijl appellant daarnaast ook andere medicatie gebruikt. Dit is ook niet meegenomen in de beoordeling.
De beoordeling per 5 oktober 2022
5.5.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft nagelaten appellant zelf te zien, terwijl dit noodzakelijk was gezien de gewijzigde medische situatie, te weten verergerde psychische klachten. Het is voor appellant onbegrijpelijk dat zonder enige actuele beoordeling of fysiek onderzoek in de bezwaarprocedure een correcte weging van zijn medische situatie kon plaatsvinden.
5.6.
De in de FML van 2 september 2021 opgenomen belastbaarheid sluit niet aan bij de feitelijke situatie van appellant, waarin sprake is van depressieve klachten, paniekaanvallen, PTSS-gerelateerde klachten waaronder herbelevingen, insomnia, COPD en een ernstige verslaving aan verschillende verdovende middelen, zoals alcohol en cocaïne.
Nadere informatie en verzoek om onafhankelijke deskundige
5.7.
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar rapporten van een verzekeringsarts/medisch adviseur en arbeidsdeskundige van Argonaut van 16 en 23 maart 2026, een verwijzingsbrief naar de neuroloog van zijn huisarts van 19 juni 2026, een brief van een ambulant behandelaar en psychiater van 1 februari 2024 en een brief van GGZ Saleem van 28 mei 2025. Appellant heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat deze recente informatie over zijn lichamelijke en psychische klachten ook ziet op de data in geding en dat een urenbeperking van twee keer twee uur per week moet worden aangenomen.
5.8.
Appellant heeft de Raad verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen, waarbij hij (tevens) een beroep heeft gedaan op het beginsel van equality of arms en op het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Het standpunt van het Uwv
6. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraken te bevestigen en het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond te verklaren. Het Uwv heeft daarbij verwezen naar een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 juni 2023. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een deelfunctie vervangen vanwege een gesteld niveau op Nederlandse taalvaardigheid en heeft de mate van arbeidsgeschiktheid van appellant ongewijzigd vastgesteld op 80,58% per 25 oktober 2021. Voorts heeft het Uwv verwezen naar een nader rapport van 28 juli 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Het oordeel van de Raad
7. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de beëindigingen van de ZW-uitkeringen per 25 oktober 2021 en per 5 oktober 2022 in stand heeft gelaten en of het Uwv de weigering van ZW-uitkering per 11 november 2021 terecht heeft gehandhaafd. Dit doet de Raad aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen en het beroep niet slagen.
7.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatstverdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
7.2.
Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
7.2.1.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een EZWb heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022. Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een hersteldverklaring of weigering van een ZW-uitkering niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies. Bij de toepassing van artikel 19 van de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de EZWb geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én;
2. op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de EZWb vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de EZWb geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%
7.2.2.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de (verzekerings)arts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de EZWb op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de EZWb geselecteerde functies.
7.3.
De gronden die appellant in zijn hoger beroepen en beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de bestreden besluiten. De overwegingen die aan de oordelen van de rechtbank en aan de conclusie van het Uwv ten grondslag liggen, worden geheel onderschreven. Hier wordt het volgende aan toegevoegd.
De beoordeling per 25 oktober 2021
7.4.
Wat betreft de gestelde psychische klachten is de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgens zijn rapporten niet enkel afgegaan op de indruk die appellant gaf op de hoorzitting. Uit de medische informatie van onder meer de huisarts en de gegevens verkregen bij de hoorzitting blijkt dat appellant geen verdergaande behandeling had dan een tot twee keer per week een onderhoudsgesprek met een verpleegkundige van Jellinek voor zijn verslaving en dat hij geen medicatie gebruikte voor depressieve klachten. Dat ten tijde in geding sprake was van depressieve klachten of verminderde cognitieve vaardigheden is dan ook niet gebleken.
7.5.
Wat betreft de COPD is kenbaar meegewogen dat het gaat om de lichtste variant (GOLD 1) die inspanningsintolerantie geeft bij inspanning. Hiervoor zijn beperkingen opgenomen in de FML van 2 september 2021. De informatie van de longarts uit 2020 heeft niet anders uitgewezen. Gelet hierop hebben de (verzekerings)artsen ook terecht geen aanleiding gezien om aanvullend op de al aangenomen beperkingen een urenbeperking aan te nemen vanwege inspanningsintolerantie.
7.6.
Ook de door appellant genomen (doses) medicatie was bekend en is meegewogen in de beoordeling. Wat betreft het medicijn Champix, dat appellant tot eind oktober 2021 heeft gebruikt, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 28 februari 2022 navolgbaar gemotiveerd dat met Champix mag worden gereden en dat in de functies geen sprake is van chauffeurswerk. Ook de overige medicatie heeft niet geleid tot verdergaande beperkingen. Appellant heeft niet toegelicht of deze medicatie bijwerkingen geeft en welke dat dan zijn.
7.7.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 13 september 2022, onder verwijzing naar de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid, toereikend gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om een urenbeperking aan te nemen. Van appellant wordt verwacht dat hij zijn onderhoudsgesprekken bij Jellinek zo veel mogelijk buiten de meest gebruikelijke arbeidsuren ondergaat en dat hij zich maximaal flexibel opstelt bij de planning van het tijdstip van een behandeling. De door appellant gestelde urenbeperking van twee keer twee uur per week is door de arbeidsdeskundige van Argonaut in diens rapport van 24 maart 2026 geadviseerd als start voor een urenopbouw in het kader van re-integratie en vindt geen medische grondslag in het rapport van de verzekeringsarts/medisch adviseur van Argonaut van 13 maart 2026 dan wel het opgestelde belastbaarheidsprofiel. Daarbij komt dat dit advies van ver na de datum in geding is.
De beoordeling per 11 november 2021
7.8.
Tussen partijen is niet in geschil en namens appellant is ter zitting van de Raad bevestigd dat de medische situatie van appellant op 25 oktober 2021 en 11 november 2021, waartussen 18 dagen liggen, niet van elkaar verschillen. De (verzekerings)artsen van het Uwv hebben in de rapporten van 1 september 2021, 6 december 2021, 18 december 2021, 28 februari 2022 en 13 september 2022 overtuigend en inzichtelijk onderbouwd uiteengezet hoe zij tot hun conclusie zijn gekomen. Omdat de medische beperkingen van appellant op 11 november 2021 ten opzichte van de WIA-beoordeling niet zijn toegenomen, is daarmee gegeven dat de bij deze eerdere WIA-beoordeling geselecteerde functies in medisch opzicht ook per 11 november 2021 voor appellant geschikt zijn.
De beoordeling per 5 oktober 2022
7.9.
Appellant kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich niet heeft mogen baseren op dossieronderzoek. Appellant is op 20 september 2022 op het spreekuur van de primaire verzekeringsarts geweest. Voorts zijn de verzekeringsartsen, anders dan appellant heeft gesteld, wel uitgegaan van toegenomen klachten en beperkingen bij appellant sinds de EZWb, met name vanwege de toegenomen verslavingsproblematiek van appellant. De bijkomende beperkingen staan beschreven in het rapport van de verzekeringsarts van 28 september 2022 en deze zijn onderschreven door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 15 februari 2023. Voor het aannemen van meer of andere beperkingen is terecht geen aanleiding gezien, zoals de rechtbank ook heeft geoordeeld.
Medisch-arbeidskundige beoordeling
7.10.
Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem niet geschikt zijn. Van belang daarbij is dat het gaat om zowel psychisch als fysiek lichte werkzaamheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er in zijn rapport van 18 december 2023 voorts op gewezen dat in de geselecteerde functies geen sprake is van beroepsmatig chauffeuren en appellant daarin niet in aanraking komt met alcohol of verdovende middelen.
Nadere informatie en verzoek om onafhankelijke deskundige
7.11.
Appellant heeft zijn standpunt in hoger beroep niet onderbouwd met nieuwe medische gegevens die toezien op de data in geding. Van de informatie van de GGZbehandelaars uit 2024 en 2025, het rapport van 9 februari 2026 van de verzekeringsarts/medisch adviseur van Argonaut en de verwijzing naar de neuroloog op 19 juni 2026 door de huisarts van appellant is niet duidelijk geworden hoe de daarin beschreven klachten (ook) zien op de data in geding.
7.12.
Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv is er geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige. Het verzoek van appellant hiertoe wordt daarom afgewezen. Appellant heeft voldoende gelegenheid gehad om wat de (verzekerings)artsen hebben aangevoerd ter onderbouwing van het bestreden besluit met medische stukken te weerleggen. Van deze gelegenheid heeft appellant ook in hoger beroep gebruik gemaakt.
Conclusie en gevolgen
7.13.
De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de beëindigingen van de ZW-uitkeringen per 25 oktober 2021 en per 5 oktober 2022 in stand blijven.
8. Het beroep tegen bestreden besluit 2 wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat de weigering om appellant met ingang van 11 november 2021 een ZW-uitkering toe te kennen in stand blijft.
8.1.
Omdat de hoger beroepen niet slagen en het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraken;
verklaart het beroep tegen het besluit van 8 januari 2024 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) M.G.J. van Eck
Zie de uitspraak van de Raad van 13 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1739.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1889.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.
Zie de uitspraak van de Raad van 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2658.