Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1210

2026-09-09 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 23/2700 WIA
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Proceskostenveroordeling
Zaaknummer
23/2700 WIA
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.470 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer



23/2700 WIA












Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 juli 2023, 23/786 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)








Datum uitspraak: 9 september 2026




PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. H.S. Huisman, advocaat, hoger beroep ingesteld.



Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2025. Appellante is verschenen via videobellen, bijgestaan door mr. Huisman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.



Na de zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft prof. dr. J.W.M. van der Meer als onafhankelijk deskundige benoemd. De deskundige heeft op 25 maart 2026 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze gegeven op het rapport.



Het Uwv heeft 2 juni 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen en appellante per 25 april 2020 een IVA-uitkering toegekend.



Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en om vergoeding van schade ten gevolge van het overschrijden van de redelijke termijn.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.



De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.





OVERWEGINGEN



Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.



Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.



Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.



Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. In de gewijzigde beslissing op bezwaar van 30 december 2022 zijn de kosten in bezwaar al vergoed. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934),- en € 2.802,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor een nadere reactie en 0,5 punt voor de zienswijze na verslag deskundigenonderzoek, met een waarde per punt van € 934,-). Het totaalbedrag van de te vergoeden proceskosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken bedraagt daarmee € 4.670,-.



Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.




Schadevergoeding




Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geldt het volgende.



De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.



Als de intrekking van het hoger beroep plaatsvindt na een tegemoetkomend besluit dan eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt.



In dit geval is het tegemoetkomend besluit op 2 juni 2026 bekendgemaakt. Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 30 november 2021 tot de bekendmaking van het tegemoetkomend besluit heeft de procedure afgerond vier jaar en zeven maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 7 maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1000,-.



Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaarschrift tot het bestreden besluit van 30 december 2022 afgerond dertien maanden geduurd. Dit betekent dat in de bestuurlijke fase de redelijke termijn met zeven maanden is overschreden. Voorts is sprake van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase nu deze meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De redelijke termijn is dus zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase geschonden. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 583,33 (7/12 deel van € 1000,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 416,67 (5/12 deel van € 1000,-).



Er bestaat tevens aanleiding om de Staat en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (0,5 punt met een waarde per punt van € 934,-) voor het indienen van het verzoek, door de Staat en het Uwv elk voor de helft te betalen, dus ieder € 233,50. Het totale bedrag aan voor vergoeding in aanmerking komende door het Uwv te betalen proceskosten bedraagt hiermee € 4.903,50.





BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep





veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 583,33;


veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 416,67;


veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.903,50;


veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 233,50;


veroordeelt het Uwv tot vergoeding van het door appellante betaalde griffierecht tot een bedrag van € 186,-.





Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.



(getekend) E.J.J.M. Weyers




(getekend) M.J.D. van Haren






Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.


Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.


Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.