Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1209
Inhoudsindicatie
Intrekking na opschorting van bijstand. Gevraagde gegevens niet overgelegd. Intrekking. Terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. Crypto-accounts. Vaststellen recht. Geen dringende redenen. Afwijzing aanvraag. Nader besluit. Niet in geschil is dat appellanten diverse accounts hadden bij cryptoplatformen en dat zij dat niet aan het college hebben gemeld. Appellanten hebben niet onderbouwd dat appellant ten tijde van het openen van de crypto-accounts en in de periode daarna dermate ziek was, dat hij niet in staat mocht worden geacht gegevens over die accounts te verzamelen en de wachtwoorden van die accounts te verstrekken. Doordat appellanten onvoldoende informatie hebben verstrekt, is het voor het college onduidelijk gebleven of en hoeveel valuta op de crypto-accounts stonden bij aanvang en gedurende de periode in geding en van welke geldstromen sprake is geweest en kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Citeert (12)
- ECLI:NL:CRVB:2025:1420 Centrale Raad van Beroep 16-09-2025
- ECLI:NL:CRVB:2024:2192 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2193 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2194 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2195 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2192 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2193 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2194 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:2195 Centrale Raad van Beroep 10-12-2024
- ECLI:NL:RVS:2023:772 Raad van State 01-03-2023
- ECLI:NL:CRVB:2025:700 Centrale Raad van Beroep 15-05-2025
- ECLI:NL:CRVB:2025:700 Centrale Raad van Beroep 15-05-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (31.188 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 12 juli 2023, 22/3007, 22/4786 (aangevallen uitspraak 1) en van 27 februari 2024, 23/3866 (aangevallen uitspraak 2) en op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom van 5 september 2023
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (college)
Datum uitspraak: 18 augustus 2026
SAMENVATTING
In deze zaken gaat het om een intrekking van bijstand na een eerdere opschorting, een intrekking en terugvordering in verband met het niet nakomen van de inlichtingenverplichting en de afwijzing van een aanvraag. Het college heeft aan de besluiten ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van het bezit van crypto-accounts. Omdat appellanten daarover geen duidelijkheid hebben verschaft, is het recht op bijstand niet vast te stellen. Daarom heeft het college ook de nieuwe aanvraag afgewezen. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank een deel van de besluitvorming vernietigd en opdracht gegeven om een nieuw besluit te nemen. Daarom is ten slotte ook aan de orde of het college met het nadere besluit op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan aangevallen uitspraak 1. Appellanten hebben aangevoerd dat zij alle gegevens waarover zij kunnen beschikken, hebben verstrekt. Bovendien is sprake van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Appellanten krijgen geen gelijk.
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. M.J.H. Roebroek hoger beroep ingesteld in de zaken 23/2432 PW en 23/2456 PW. Namens appellanten heeft mr. F. Ergec, advocaat, hoger beroep ingesteld in zaak 24/890 PW en bij de rechtbank beroep ingesteld in de zaken 24/467 PW en 24/468 PW tegen het nader besluit en nadere stukken overgelegd. Mr. Roebroek heeft zich teruggetrokken als gemachtigde en mr. Ergec heeft zich in de zaken 23/2432 PW en 23/2456 PW als opvolgend gemachtigde gesteld. De rechtbank heeft het beroep tegen het nader besluit doorgezonden aan de Raad. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 7 juli 2026. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Ergec. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.H.J. Aarts-Kerstens.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellanten ontvingen vanaf 22 juli 2017 bijstand naar de norm voor gehuwden ingevolge de Participatiewet (PW). Op 3 augustus 2021 heeft de maatschappelijk werker van appellanten gemeld dat appellante in 2021 in verband met de zorg voor appellant inkomen heeft ontvangen uit een persoonsgebonden budget (pgb). Naar aanleiding van deze melding heeft een inkomensconsulent van de gemeente een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek heeft de inkomensconsulent aan appellanten gegevens over hun financiële situatie vanaf 1 mei 2021 opgevraagd. De door appellanten ingeleverde gegevens waren voor de inkomensconsulent aanleiding om gegevens over een langere periode, namelijk vanaf 1 april 2017 tot en met 30 april 2021 bij appellanten op te vragen. Appellanten zijn in de gelegenheid gesteld om voor 24 augustus 2021 de gevraagde stukken over te leggen. Appellanten hebben nogmaals de eerder verstrekte gegevens over de periode vanaf 1 mei 2021 aan het college verstrekt. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapport van 19 oktober 2021.
1.2.
Met een besluit van 30 september 2021 heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 24 augustus 2021 opgeschort en hen in de gelegenheid gesteld om voor 14 oktober 2021 alsnog de gevraagde gegevens over hun financiële situatie, waaronder gegevens over crypto-accounts en kasstortingen, over de periode van 1 april 2027 tot heden te verstrekken. Tegen dat besluit hebben appellanten geen bezwaar gemaakt.
1.3.
Met een besluit van 14 oktober 2021 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellanten ingetrokken met ingang van 24 augustus 2021. Met een besluit van eveneens 14 oktober 2021 (besluit 2) heeft het college de bijstand over de periode van 1 april 2017 tot en met 23 augustus 2021 ingetrokken op de grond dat het recht op bijstand niet is vast te stellen omdat appellanten de gevraagde gegevens niet hebben verstrekt. Met een besluit van 21 oktober 2021 (besluit 3) heeft het college besluit 2 ingetrokken en de bijstand ingetrokken over de periode van 22 juli 2017 tot en met 23 augustus 2021.
1.4.
Met een besluit van 2 mei 2022 (bestreden besluit 1) is het college bij besluiten 1 en 3 van 21 oktober 2021 gebleven.
1.5.
Met een besluit van 11 mei 2022 (besluit 4), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 1 september 2022 (bestreden besluit 2) heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 22 juli 2017 tot en met 24 augustus 2021 tot een bedrag van € 80.070,51 (bruto) van appellanten teruggevorderd.
1.6.
Op 7 juli 2022 hebben appellanten opnieuw bijstand aangevraagd met als gewenste ingangsdatum 1 juni 2022. Het college heeft appellanten in de gelegenheid gesteld het geconstateerde verzuim te herstellen door nadere informatie te verstrekken. Met een besluit van 23 november 2022 (besluit 5), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 29 juni 2023 (bestreden besluit 3) heeft het college die aanvraag afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Uitspraken van de rechtbank
2. De rechtbank heeft met aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard voor zover deze zien op de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 22 juli 2017 tot 19 januari 2019. De rechtbank heeft die besluiten in zoverre vernietigd en de ISD (lees: het college) opgedragen over de periode van 22 juli 2017 tot 19 januari 2019 (lees: 19 januari 2019 tot en met 23 augustus 2021) nieuwe beslissingen op de bezwaren te nemen.
2.1.
De rechtbank heeft met aangevallen uitspraak 2, onder aanpassing van de motivering in verband met de wijziging van de grondslag van het bestreden besluit naar schending van de medewerkingsverplichting, het beroep tegen bestreden besluit 3 met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.
Nader besluit
2.2.
Nadat appellanten tegen aangevallen uitspraak 1 hoger beroep hadden ingesteld, heeft het college ter uitvoering van aangevallen uitspraak 1 op 5 september 2023 een nader besluit (nader besluit) genomen over de hoogte van de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 22 juli 2017 tot en met 24 augustus 2021. Het college heeft de hoogte van de terugvordering over de periode van 19 januari 2019 tot en met 24 augustus 2021 vastgesteld op € 51.267,50.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraken van de rechtbank en met het nadere besluit niet eens, voor zover zij in het ongelijk zijn gesteld. Wat zij daartegen hebben aangevoerd, wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. Aangezien met het nadere besluit niet geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellanten dient dit besluit op grond van artikel 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de Awb in de beoordeling te worden betrokken.
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de intrekking na opschorting, de intrekking en terugvordering van bijstand en de afwijzing van de aanvraag (deels) in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. Ook beoordeelt de Raad het beroep van appellanten tegen het nadere besluit. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen en het beroep niet slagen. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep en het beroep van belang zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Aangevallen uitspraak 1
De intrekking na opschorting met ingang van 24 augustus 2021
4.2.
Het gaat in hoger beroep alleen over de (uitoefening van de) bevoegdheid van het college om de bijstand van appellanten na opschorting van het recht op bijstand met ingang van 24 augustus 2021 in te trekken. Appellanten hebben tegen de opschorting van het recht op bijstand namelijk geen bezwaar gemaakt.
4.2.1.
De bijstandverlenende instantie is alleen bevoegd het recht op bijstand in te trekken met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW als de betrokkene het bij het opschortingsbesluit vastgestelde verzuim niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft hersteld. Beoordeeld moet worden of dat het geval is. Als dat niet is hersteld, moet vervolgens worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan bijvoorbeeld ontbreken als de gevraagde gegevens niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of als de betrokkene redelijkerwijs niet binnen de gestelde hersteltermijn over de gevraagde gegevens heeft kunnen beschikken. In dit geval moet dus allereerst worden bezien of appellanten binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens hebben verstrekt.
4.2.2.
Appellanten hebben aangevoerd dat de gegevens die betrekking hebben op het verleden niet van belang zijn voor het recht op bijstand. Deze beroepsgrond slaagt niet. Wat er zij van de overige gevraagde gegevens, de gegevens over de crypto-accounts en de kasstortingen die door het college aan appellanten zijn gevraagd, zijn hoe dan ook van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand. Deze gegevens zien immers op het actuele recht op bijstand en hebben betrekking op de financiële situatie van appellanten. Appellanten hebben deze gegevens niet binnen de gegeven hersteltermijn verstrekt. De beroepsgrond dat appellanten geen verwijt kan worden gemaakt van het niet tijdig verstrekken van deze gegevens vanwege de ziekte van appellant, slaagt niet. Ten tijde van het opvragen van de gegevens was de gezondheidstoestand van appellant niet zodanig slecht dat hij tot niets in staat was. Bovendien heeft appellant aanvankelijk geweigerd gegevens over de crypto-accounts te verstrekken. Daarnaast had hij wachtwoorden van de crypto-accounts kunnen opvragen, wat hij later ook heeft gedaan, en had hij de cryptoplatformen kunnen aanschrijven. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de gevraagde gegevens in het geheel niet bestaan en dat aan hen dus geen verwijt kan worden gemaakt.
4.2.3.
Uit 4.2.1 en 4.2.2 volgt dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW. Het college was daarom bevoegd de bijstand met ingang van 24 augustus 2021 in te trekken.
Intrekking over de periode van 19 januari 2019 tot en met 23 augustus 2021
4.3.
De rechtbank heeft met aangevallen uitspraak 1 – naar de Raad begrijpt – bedoeld om besluit 2 te herroepen voor zover dat betrekking heeft op de periode van 22 juli 2017 tot 19 januari 2019 en het college op te dragen om een nieuw besluit te nemen over de periode van 19 januari 2019 tot en met 23 augustus 2021, voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft. De Raad begrijpt het nadere besluit zo dat het college heeft bedoeld uitsluitend een besluit te nemen over de hoogte van de terugvordering over de periode van 19 januari 2019 tot en met 23 augustus 2021.
4.3.1.
Het college heeft aan de intrekking over de periode van 19 januari 2019 tot en met 23 augustus 2021 ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van het aanhouden van crypto-accounts en dat door die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet over de gegevens konden beschikken.
4.3.2.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college. Dit betekent dat het college de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat in dit geval aan de voorwaarden voor intrekking van bijstand is voldaan, in beginsel op het college rust.
Schending inlichtingenverplichting
4.4.
Niet in geschil is dat appellanten in de periode van 19 januari 2019 tot en met 23 augustus 2021 diverse accounts hadden bij cryptoplatformen en dat zij dat niet aan het college hebben gemeld. Cryptovaluta vertegenwoordigen een waarde in het economisch verkeer. Het had appellanten dan ook redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij het bezit van accounts waarmee cryptovaluta worden aangehouden gedurende de bijstandsperiode bij het college hadden moeten melden. Deze situatie is immers vergelijkbaar met een bankrekening waarop een tegoed wordt aangehouden.
4.4.1.
Appellanten hebben aangevoerd dat hen geen verwijt kan worden gemaakt van het schenden van de inlichtingenverplichting vanwege de ernstige en ongeneeslijke ziekte waaraan appellant lijdt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld is de in artikel 17, eerste lid, van de PW neergelegde verplichting namelijk een objectief geformuleerde verplichting waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. De rechtbank kan dan ook gevolgd worden in het oordeel dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden.
Vaststellen recht op bijstand
4.5.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
4.5.1.
Appellanten hebben aangevoerd dat zij alle gegevens die van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand, hebben verstrekt. Gelet op de ziekte van appellant was hij niet in staat om nadere informatie over de crypto-accounts te verschaffen. De bewijsnood kan hem dan ook niet worden verweten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarbij is het volgende van belang. Appellanten hebben niet onderbouwd dat appellant ten tijde van het openen van de crypto-accounts en in de periode daarna dermate ziek was, dat hij niet in staat mocht worden geacht gegevens over die accounts te verzamelen en de wachtwoorden van die accounts te verstrekken. Gebleken is dat appellant in ieder geval wel in staat is geweest om de crypto-accounts te openen. Ook uit het feit dat appellant later in de procedure alsnog wachtwoorden heeft opgevraagd, blijkt dat hij daar toe in staat was. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat doordat appellanten onvoldoende informatie hebben verstrekt, het voor het college onduidelijk is gebleven of en hoeveel valuta op de crypto-accounts stonden bij aanvang en gedurende de periode in geding en van welke geldstromen sprake is geweest.
4.5.2.
Omdat de financiële situatie van appellanten onduidelijk is gebleven, was het voor het college niet mogelijk om het recht op bijstand vast te stellen. Dit betekent dat het college, nu de schending van de inlichtingenverplichting vaststaat, op grond van artikel 54, derde lid, van de PW verplicht was om het recht op bijstand van appellanten in te trekken.
Terugvordering/dringende redenen
4.6.
Appellanten hebben aangevoerd dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien. Appellant lijdt aan de progressieve ziekte MSA-C. De ernst van zijn ziekte is als gevolg van de terugvordering toegenomen. Bovendien lijdt appellant onder het besef dat hij zijn gezin moet achterlaten met grote schulden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van betekenis.
4.6.1.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
4.6.2.
Zoals de Raad in zijn uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken, zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt als uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
4.6.3.
Wat appellanten hebben aangevoerd, heeft het college bij afweging van de betrokken belangen niet hoeven aanmerken als dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien geeft niet blijk van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Daartoe is van betekenis dat appellanten niet met objectieve medische stukken aannemelijk hebben gemaakt dat de ernst van de ziekte van appellant is toegenomen als gevolg van de terugvordering. Voorts heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat appellanten onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de financiële gevolgen van de terugvordering voor hen onaanvaardbaar zijn. Daarbij is van belang dat de financiële gevolgen zich pas voordoen als daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader genieten appellanten als schuldenaren bescherming van de beslagvrije voet. Daarnaast kan het college op grond van artikel 58, zevende lid, van de PW besluiten om van terugvordering of verdere terugvordering af te zien indien aan de daarin genoemde voorwaarden is voldaan.
Strijd met evenredigheidsbeginsel
4.6.4.
Appellanten hebben voorts aangevoerd dat het besluit tot terugvordering in strijd is met het evenredigheidsbeginsel vanwege de medische situatie en psychische problemen van appellant. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak kunnen deze omstandigheden en het daarbij gedaan beroep op het evenredigheidsbeginsel bij de uitoefening van deze gebonden bevoegdheden alleen in het kader van de dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW beoordeeld worden. Uit 4.6.3 volgt dat dit beroep in dit geval appellanten niet baat.
4.6.5.
Appellanten hebben ter zitting het beroep op het evenredigheidsbeginsel in het kader van artikel 59 van de PW laten vallen, zodat deze grond geen bespreking meer behoeft.
Hoogte van de terugvordering (nader besluit)
4.7.
Appellanten hebben tegen de vaststelling van de hoogte van de terugvordering geen zelfstandige gronden aangevoerd. De hoogte van de terugvordering behoeft daarom geen bespreking.
Afwijzing van de aanvraag (aangevallen uitspraak 2)
4.8.
Het college heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat appellanten niet hebben betwist dat in de periode voorafgaand aan de aanvraag transacties vanaf hun bankrekening naar crypto-accounts hebben plaatsgevonden. Het college heeft door het ontbreken van transactieoverzichten niet kunnen vaststellen of appellanten in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren. Dat appellant een levensbedreigende ziekte heeft, wordt niet betwist. Dit neemt niet weg dat van een ieder die een beroep op publieke middelen doet mag worden verlangd inzicht te geven in zijn financiële situatie. Indien appellanten daartoe allebei niet zelf in staat zijn, zouden zij een derde kunnen inschakelen.
4.8.1.
Appellanten hebben aangevoerd dat zij alles wat mogelijk is hebben overgelegd en dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellanten hebben bij hun aanvraag wel enige gegevens overgelegd, maar een transactieoverzicht dat inzicht biedt in de verschillende geldstromen op de crypto-accounts ontbreekt nog steeds. Appellanten hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat het onmogelijk is om een dergelijk overzicht te verstrekken.
4.8.2.
Voorts hebben appellanten een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt niet. De bepaling waarop het besluit rust, artikel 11 van de PW, en de toepassing daarvan, kan niet worden getoetst aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Dit volgt uit het eerste lid van dat artikel. Dat artikellid bepaalt dat een bestuursorgaan de rechtstreeks bij een besluit betrokken belangen niet afweegt voor zover uit een wettelijk voorschrift daarvoor een beperking voortvloeit. Een wettelijke bepaling die het bestuursorgaan dwingt in een bepaalde situatie een besluit met een bepaalde inhoud te nemen, is zo’n beperking. De hier toegepaste bepaling is vastgelegd in een wet in formele zin en is dwingend geformuleerd. Als iemand niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, bestaat recht op bijstand. Is daarvan geen sprake, of kan niet worden vastgesteld dat sprake is van bijstandbehoevende omstandigheden, omdat betrokkene niet de benodigde inlichtingen heeft verschaft of de nodige medewerking heeft verleend, dan bestaat geen recht op bijstand. Het staat het college dan niet vrij om belangen af te wegen en bijstand te verstrekken als een betrokkene niet verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden of dit niet kan worden vastgesteld, net zoals het college niet bevoegd is de bijstand te weigeren als dit wel het geval is.
4.8.3.
Als sprake is van bijzondere omstandigheden waarmee de wetgever in zijn afweging geen rekening heeft gehouden bij het vaststellen van een dergelijke gebonden bevoegdheid in een wet in formele zin, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe strikte toepassing van die wettelijke bepaling leidt. Daarvan is hier geen sprake. De wetgever is er juist vanuit gegaan dat de aanvrager openheid van zaken geeft bij het doen van een aanvraag, zoals blijkt uit de in artikel 17 van de PW opgenomen inlichtingen- en medewerkingsverplichting, en dat alleen als uit die verstrekte openheid volgt dat betrokkene geen middelen heeft om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, hij recht op bijstand heeft. Er is dus geen sprake van een onbedoeld onevenredig gevolg.
4.8.4.
Gelet op het voorgaande was het college verplicht om de aanvraag van appellanten af te wijzen, nu het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Conclusie en gevolgen
4.9.
Het hoger beroep slaagt dus niet. Aangevallen uitspraak 1 wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Aangevallen uitspraak 2 wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking na opschorting, de intrekking en terugvordering en de afwijzing van de aanvraag in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgen appellanten geen vergoeding voor de proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten;
bevestigt aangevallen uitspraak 2.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.C.G. Okhuizen en C.F.E. van Olden-Smit als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) J. Bonnema
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 6:19, eerste lid
Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
Artikel 6:24
Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6:12 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld.
Participatiewet
Artikel 11
1. Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege. (…)
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. (…).
Artikel 31, eerste lid
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 54
1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
Artikel 58, eerste lid
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid (…).
Artikel 58, achtste lid
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Vergelijk de uitspraak van 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1420.
ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194, ECLI:NL:CRVB:2024:2195.
Zie de uitspraken van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2192, ECLI:NL:CRVB:2024:2193, ECLI:NL:CRVB:2024:2194, ECLI:NL:CRVB:2024:2195.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 onder 9.5 en 9.6 en de uitspraak van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700 onder 4.9 en 4.10.3 en volgende.
Zie de uitspraak van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700 onder 4.9 en 4.10.3 en volgende.