Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1198
Inhoudsindicatie
Niet-ontvankelijk hoger beroep. Geen procesbelang. Afwijzing aanvraag. Bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. Appellante woont niet meer op het uitkeringsadres en zij heeft geen eigen woonruimte meer. Uit het dossier blijkt niet dat appellante daadwerkelijk de kosten van woninginrichting heeft gemaakt voor de woonstudio op het uitkeringsadres. De Raad heeft appellante per brief gevraagd naar haar procesbelang. Appellante heeft niet gereageerd. De Raad leidt hieruit af dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd niet zijn gemaakt, en ook niet meer kunnen worden gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat een oordeel over de afwijzing van de aanvraag voor de kosten van woninginrichting voor appellante geen feitelijke betekenis meer kan hebben.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264 Centrale Raad van Beroep 29-01-2008
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.396 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 december 2024, 24/2273 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Oss (college)
Datum uitspraak: 15 september 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om de vraag of appellante een procesbelang heeft bij de beoordeling van de aangevallen uitspraak over de afwijzing van de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet. De Raad is van oordeel dat dit niet het geval is. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft (de gemachtigde van) appellante met een brief van 13 mei 2026 (regiebrief), opnieuw verzonden op 11 juni 2026, laten weten hoe hij het geschil voorshands ziet en haar in de gelegenheid gesteld het procesbelang nader toe te lichten. De Raad heeft appellante ook laten weten dat hij, voor zover zij van de geboden gelegenheid haar procesbelang toe te lichten geen gebruik maakt, op grond van het dossier een zitting niet nodig vindt. Daarbij heeft de Raad appellante gewezen op het recht om te worden gehoord. De Raad heeft van (de gemachtigde van) appellante geen reactie op de regiebrief ontvangen.
De Raad heeft het college vervolgens met een brief van 8 juli 2026 gewezen op zijn recht om ter zitting te worden gehoord. Het college heeft niet binnen de hem gegeven termijn verklaard dat hij gebruik wil maken van dat recht. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is op 1 juli 2023 verhuisd naar een woonstudio op het adres X (uitkeringsadres). In verband hiermee heeft zij op 7 juli 2023 bij het college een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor onder meer de kosten van woninginrichting.
1.2.
Met een besluit van 2 augustus 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 15 april 2024 (bestreden besluit), heeft het college de onder 1.1 vermelde aanvraag afgewezen op de grond dat er in het geval van appellante geen bijzondere omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 35, eerste lid van de PW. Appellante heeft de huur van haar vorige woning vrijwillig opgezegd. De verhuizing was niet noodzakelijk.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij vindt dat de kosten van woninginrichting voortvloeien uit bijzondere omstandigheden omdat de verhuizing naar het uitkeringsadres om medische redenen noodzakelijk was.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De Raad ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of appellante een procesbelang heeft bij de beoordeling van het hoger beroep. De Raad is van oordeel dat dat niet het geval is en licht dit als volgt toe.
4.2.
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
4.3.
Appellante woont sinds 1 juli 2024 niet meer op het uitkeringsadres en zij heeft sindsdien geen eigen woonruimte meer. Uit het dossier blijkt niet dat appellante daadwerkelijk de kosten van woninginrichting heeft gemaakt voor de woonstudio op het uitkeringsadres. De Raad heeft appellante in de regiebrief gevraagd naar haar procesbelang, nu zij niet meer woonachtig is in de woning waarop de aanvraag betrekking heeft. Appellante heeft niet op de regiebrief gereageerd. De Raad leidt hieruit af dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd niet zijn gemaakt, en ook niet meer kunnen worden gemaakt omdat appellante niet meer woonachtig is op het uitkeringsadres. Dit heeft tot gevolg dat een oordeel over de afwijzing van de aanvraag voor de kosten van woninginrichting voor appellante geen feitelijke betekenis meer kan hebben.
Conclusie en gevolgen
4.4.
Appellante heeft geen procesbelang bij de beoordeling van de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat de Raad niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
5. Omdat het hoger beroep niet-ontvankelijk is, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2026.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) M. Zwart
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264.