Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1197

2026-09-15 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 24/1402 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/1402 PW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Bijzondere bijstand voor stofferings- en inrichtingskosten. Geen bijzondere omstandigheden. Met de verwijzing naar haar bankafschriften heeft appellante niet aannemelijk dat zij de kosten door bijzondere omstandigheden niet uit de bijstandsnorm kon voldoen. Appellante heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan dat in haar geval niet mogelijk was. Appellante stelt dat de verhuizing voor haar niet voorzienbaar was, maar die stelling treft geen doel. Dat is alleen al het geval omdat appellante bij haar aanvraag heeft gemeld dat zij al sinds 2010 op zoek is naar een andere woning en in het verleden ook op meerdere woningen heeft gereageerd.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.616 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 mei 2024, 24/1897 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Stroomopwaarts MVS (Stroomopwaarts)








Datum uitspraak: 15 september 2026

SAMENVATTING


In deze uitspraak beoordeelt de Raad de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor stofferings- en inrichtingskosten. Stroomopwaarts heeft de aanvraag afgewezen op de grond dat de kosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Appellante heeft aangevoerd dat de kosten wel voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Zij krijgt daarin geen gelijk.





PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. T. Erdal, advocaat, hoger beroep ingesteld. Stroomopwaarts heeft een verweerschrift ingediend.



Mr. C. Bozbiyik, advocaat, heeft zich gesteld als opvolgend gemachtigde.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 september 2026. Voor appellante is mr. N. Talhaoui, kantoorgenoot van mr. Bozbiyik, verschenen. Stroomopwaarts heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Merzol.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Appellante ontving sinds 31 augustus 2015 bijstand op grond van de Participatiewet (PW), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.2.
Appellante heeft op 4 september 2023 een andere woning toegewezen gekregen. Zij heeft op 12 september 2023 bijzondere bijstand aangevraagd voor stofferings- en inrichtingskosten, samen een bedrag van € 3.349,-.


1.3.
Met een besluit van 19 september 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 9 januari 2024 (bestreden besluit), heeft Stroomopwaarts de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft Stroomopwaarts ten grondslag gelegd dat zich geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW voordoen. Appellante had voor de kosten vooraf kunnen reserveren vanuit de bijstandsuitkering, dan wel daarvoor achteraf een lening kunnen afsluiten.



Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellante


3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.



Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag terecht in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep van belang is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.


4.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW moet eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Tot slot moet de vraag worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie een zekere beoordelingsruimte.


4.2.
Niet in geschil is dat de kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich voordeden en ook niet in geschil is dat die kosten noodzakelijk waren. Het geschil ziet op de vraag of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.


4.3.
Inrichtings- en stofferingskosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten die in beginsel uit de bijstand dienen te worden betaald. Uitgangspunt is dat een inkomen op bijstandsniveau voorziet in alle (periodiek en incidenteel) voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten, dat wil zeggen: de bestaanskosten die kunnen worden gerekend tot het op minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon. Alleen in bijzondere omstandigheden is aanvullend bijzondere bijstand nodig. Daarom kan op grond van artikel 35, eerste lid, van de PW alleen recht op bijzondere bijstand bestaan voor zover de betrokkene door bijzondere omstandigheden wordt geconfronteerd met kosten waarin de algemene bijstandsnorm niet voorziet of met kosten waarin de norm wel voorziet maar die hij door bijzondere omstandigheden niet uit de norm kan betalen. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten, is een aspect dat in laatstgenoemd kader moet worden beoordeeld.


4.4.
Appellante heeft aangevoerd dat zij niet kon reserveren voor de kosten. Uit haar bankafschriften blijkt dat zij aan het eind van de maand niets overhoudt, terwijl uit de bankafschriften niet blijkt van bijzondere uitgaven. Ook was de verhuizing niet voorzienbaar. Zij was in verband met haar kinderen en haar medische gesteldheid genoodzaakt te verhuizen. Deze grond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.

4.4.1.
Uitgangspunt van de wetgever is dat een deel van de bijstandsnorm kan worden gereserveerd om incidenteel voorkomende kosten te betalen. De hier aan de orde zijnde incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten worden daarom geacht uit de norm te kunnen worden betaald. Met de verwijzing naar haar bankafschriften heeft appellante niet aannemelijk dat zij de kosten door bijzondere omstandigheden niet uit de bijstandsnorm kon voldoen. Appellante heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan dat in haar geval niet mogelijk was. Appellante stelt dat de verhuizing voor haar niet voorzienbaar was, maar die stelling treft geen doel. Dat is alleen al het geval omdat appellante bij haar aanvraag heeft gemeld dat zij al sinds 2010 op zoek is naar een andere woning en in het verleden ook op meerdere woningen heeft gereageerd.



4.5.
Uit 4.4.1 volgt dat appellante voor de hier aan de orde zijnde incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten heeft kunnen reserveren en de aanvraag in zoverre terecht is afgewezen. Of appellante voor die kosten een lening had kunnen afsluiten, behoeft dan geen bespreking.




Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2026.






(getekend) P.W. van Straalen





(getekend) L. van Beelen



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke regel




Participatiewet




Artikel 35, eerste lid
De alleenstaande of het gezin heeft recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.



Zie de uitspraak van 21 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2263.