Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2026:1195
2026-08-25
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
23/2763 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering van bijstand. Lening. Geen inkomen. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene het bedrag van € 500,- contant had geleend van X. Alleen in geschil is of de lening als inkomen in mindering moet worden gebracht op de bijstand van betrokkene. Dat mocht het dagelijks bestuur niet, want in dit geval is het als lening ontvangen bedrag geen inkomen. Daarbij staat voorop dat het een eenmalig verkregen geleend bedrag betreft, dat niet voortkwam uit een bron die periodiek of bij herhaling middelen voor de voorziening in het levensonderhoud opleverde. Daarnaast is de eenmalige lening hier ook naar zijn aard niet gelijk te stellen met periodieke inkomsten.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2020:2999 Centrale Raad van Beroep 10-11-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2999 Centrale Raad van Beroep 10-11-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.741 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/2763 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2023, 23/2709 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het dagelijks bestuur van de Stroomopwaarts MVS, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (dagelijks bestuur)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 25 augustus 2026
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om herziening en terugvordering van bijstand. Betrokkene heeft een lening ontvangen van € 500,- en die binnen een maand weer terugbetaald. Het dagelijks bestuur heeft de lening beschouwd als inkomen, de bijstand van betrokkene om die reden herzien en het bedrag van € 500,- van haar teruggevorderd. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene gegrond verklaard met als reden dat een eenmalig geldbedrag dat als lening is ontvangen en waarvan vaststaat dat dit is terugbetaald naar zijn aard niet overeenkomt met de in de Participatiewet (PW) genoemde inkomensbronnen en daarom niet als inkomen is aan te merken. Het dagelijks bestuur is het daar niet mee eens en is in hoger beroep gekomen. Het dagelijks bestuur ziet in de huidige wettelijke bepalingen van de PW en de rechtspraak van de Raad geen ruimte om de lening buiten beschouwing te laten. Het dagelijks bestuur krijgt daarin geen gelijk. De uitspraak van de rechtbank blijft dus in stand.
PROCESVERLOOP
Het dagelijks bestuur heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 december 2025. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. I. Car, advocaat. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Raslan.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene ontvangt sinds 24 februari 2021 bijstand op grond van de PW naar de norm van een alleenstaande.
1.2.
Naar aanleiding van een signaal dat betrokkene een voertuig op haar naam geregistreerd heeft staan, heeft een medewerker handhaving van het dagelijks bestuur een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. Uit de op verzoek overgelegde bankafschriften blijkt dat betrokkene op 31 maart 2022 een bedrag van € 500,- contant heeft gestort op haar bankrekening. Betrokkene heeft daarover verklaard dat zij dat bedrag geleend heeft van een vriend (X) om rekeningen te betalen, één in verband met een medische aankoop bij Wehkamp en één voor haar autoverzekering. Zij heeft daarbij opgemerkt dat zij de lening op 27 april 2022 ook al heeft terugbetaald met het geld van de op 21 april 2022 ontvangen energietoeslag van € 800,-. De resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 18 augustus 2022.
1.3.
Met een besluit van 19 augustus 2022 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van betrokkene herzien over de periode 1 tot en met 31 maart 2022 en een bedrag van € 500,- van haar teruggevorderd. Betrokkene heeft daartegen bezwaar gemaakt en daarbij onder andere een verklaring overgelegd van X over de lening. Het dagelijks bestuur heeft het besluit gehandhaafd met een besluit van 7 maart 2023 (bestreden besluit). Daaraan ligt ten grondslag dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij in maart 2022 € 500,- heeft geleend. Dit bedrag had als inkomen in mindering moeten worden gebracht op de bijstand van betrokkene, wat door de schending van de inlichtingenverplichting niet is gebeurd. Het dagelijks bestuur heeft daarbij opgemerkt dat geldleningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip. Dat de lening binnen een maand is terugbetaald maakt dat niet anders. Het dagelijks bestuur was daarom verplicht om de bijstand van betrokkene te herzien en de te veel betaalde bijstand ter hoogte van € 500,- van haar terug te vorderen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Zij heeft het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 19 augustus 2022 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit. Ook heeft zij bepaald dat het dagelijks bestuur het betaalde griffierecht van € 50,- en de kosten van verleende rechtsbijstand in bezwaar en beroep aan betrokkene moet vergoeden, in totaal € 2.868,-. De rechtbank heeft daartoe, voor zover hier van belang, als volgt overwogen.“5.1. Ter zitting heeft verweerder verklaard het bestreden besluit onwenselijk te vinden, maar geen andere mogelijke uitkomst te zien vanwege de geldende tekst van de Pw en de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) daarover.
5.2.
Tussen partijen staat vast dat het op de rekening van eiseres gestorte geld afkomstig is van een lening en dat zij die lening op 27 april 2022 geheel heeft afgelost. Verder heeft verweerder ter zitting verklaard dat als eiseres het gestorte geld niet zou hebben terugbetaald en dat dus in feite een gift zou zijn geweest, er voor verweerder vanwege het door hem gevoerde beleid over giften geen reden zou zijn geweest om tot herziening en terugvordering over te gaan. Giften tot € 1.200,- per kalenderjaar worden door verweerder in dat beleid uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord gevonden en daarom niet aangemerkt als middel. Dat betekent dus dat eiseres slechter af zou zijn door een lening waarvan vaststaat dat zij die heeft terugbetaald, dan door een gift. De rechtbank vindt dat een onbestaanbare uitkomst. De achterliggende gedachte van de Pw en de rechtspraak die daarover bestaat, is immers dat bij ontvangen bedragen tijdens een periode dat bijstand wordt ontvangen tot herziening en terugvordering moet worden overgegaan omdat de bijstand het karakter van een vangnet heeft. Als een bijstandontvanger uit andere bronnen geld ontvangt waarmee hij in zijn levensonderhoud kan voorzien, is voor dat bedrag geen bijstandverlening nodig en moet worden herzien en teruggevorderd. Als verweerder niet tot herziening en terugvordering overgaat als het door eiseres ontvangen bedrag een gift zou zijn geweest, valt niet in te zien waarom er gelet op het vangnetkarakter van de bijstand wel aanleiding bestaat om tot herziening en terugvordering over te gaan als hetzelfde bedrag is geleend en terugbetaald. Bij een gift is immers sprake van extra geld bovenop de bijstandsuitkering dat door verweerder tot € 1.200,- per kalenderjaar zonder meer ongemoeid wordt gelaten, dus ook als dat bedrag voor het levensonderhoud wordt gebruikt. Een terugbetaalde lening heeft per saldo niet tot extra geld geleid. De rechtbank is mede in dat licht van oordeel dat een eenmalig geldbedrag dat als lening is ontvangen en waarvan vaststaat dat dit is terugbetaald, naar zijn aard niet overeenkomt met de in artikel 32, eerste lid, van de Pw genoemde inkomensbronnen en daarom niet als inkomen in de zin van die bepaling geldt. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de CRvB van 10 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2999. Weliswaar is in dit geval geen sprake van een commerciële kredietovereenkomst met een commerciële kredietgever, maar wel staat vast dat de eenmalige storting een lening is die helemaal is terugbetaald.”
Het standpunt van het dagelijks bestuur
3. Het dagelijks bestuur is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat het dagelijks bestuur daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over herziening en terugvordering van € 500,- in verband met de ontvangst van een lening heeft vernietigd aan de hand van wat het dagelijks bestuur heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene het bedrag van € 500,-, dat zij op 31 maart 2022 op haar rekening heeft gestort, contant had geleend van X en dat zij van dat geld rekeningen voor medische kosten en een autoverzekering heeft betaald. Ook is niet in geschil dat zij op 21 april 2022 € 800,- aan energietoeslag heeft ontvangen en dat zij op 27 april 2022 € 500,- contant heeft opgenomen en daar de lening van X contant mee heeft terugbetaald. Evenmin is in geschil dat het geleende bedrag als middel in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW aangemerkt dient te worden. Tussen partijen is alleen in geschil of de lening als inkomen in mindering moet worden gebracht op de bijstand van betrokkene.
4.2.
Tussen partijen is dus in geschil of de bijstand van betrokkene moest worden herzien wegens de ontvangst van een bedrag van € 500,- in de vorm van een lening. Herziening van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich mee dat het dagelijks bestuur aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht, betrokkene in de periode van 1 tot en met 31 maart 2022 de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de ontvangst van een (geleend) bedrag van € 500,- en dat zij als gevolg daarvan tot een te hoog bedrag bijstand heeft ontvangen.
4.3.
Het dagelijks bestuur heeft aangevoerd dat uit de PW en de rechtspraak onmiskenbaar volgt dat het als lening ontvangen bedrag in aanmerking moet worden genomen als inkomen. Dat betekent ook dat het dagelijks bestuur niet anders kon dan besluiten de bijstand van betrokkene te herzien met € 500,- over de maand maart 2022 en dat bedrag van haar terug te vorderen. Het dagelijks bestuur vindt het invoelbaar dat het in aanmerking nemen van een als lening ontvangen bedrag als inkomen, terwijl datzelfde bedrag als gift wel zou worden vrijgelaten, onrechtvaardig overkomt. Maar dat geldt voor alle andere inkomsten die als middel in aanmerking worden genomen. De keuze om iets wel of niet tot de middelen te rekenen is in beginsel een keuze van de wetgever. Het dagelijks bestuur heeft ten aanzien van het tot de middelen rekenen van als geldleningen ontvangen bedragen geen discretionaire bevoegdheid. Een als geldlening ontvangen bedrag dat kan worden aangewend voor levensonderhoud is een middel. Uit niets blijkt dat betrokkene het geleende bedrag niet heeft kunnen aanwenden voor levensonderhoud. Het dagelijks bestuur moet het als lening ontvangen bedrag daarom aanmerken als inkomen, wat wordt bevestigd door rechtspraak van de Raad. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van betekenis.
4.3.1.
Het begrip ‘middelen’ is in verband met het aanvullend karakter van de bijstand ruim gedefinieerd. Tot de middelen worden in beginsel alle inkomens- en vermogensbestanddelen gerekend die kunnen worden gebruikt voor de noodzakelijke kosten van het levensonderhoud. Dit volgt uit artikel 31, eerste lid, van de PW.
4.3.2.
Het standpunt van het dagelijks bestuur dat het door betrokkene als lening ontvangen bedrag moet worden beschouwd als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW is niet juist. Het is wel vaste rechtspraak dat als leningen ontvangen bedragen niet zijn uitgesloten van het middelenbegrip, maar vervolgens moet, als het als lening ontvangen bedrag wordt aangemerkt als middel, bepaald worden of dit middel inkomen of vermogen is. Dit volgt uit artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW. Daarin is – kort gezegd – bepaald dat een middel vermogen is als het geen inkomen is. In dit geval is het als lening ontvangen bedrag geen inkomen. Daartoe geldt het volgende.
4.3.3.
De bedoeling van de wetgever met artikel 32, eerste lid, van de PW is dat middelen die over het algemeen periodiek worden ontvangen, zoals inkomsten uit arbeid en uitkeringen, en die kunnen worden ingezet voor de voorziening in het levensonderhoud, als inkomen worden aangemerkt. Dit is af te leiden uit de geschiedenis van de totstandkoming van het gelijkluidende artikel 32, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand, die aan de PW voorafging. De wetgever heeft niet beoogd een uitputtende opsomming te geven van de in beginsel als inkomen in aanmerking te nemen middelen, maar om een aantal inkomensbronnen als voorbeeld te vermelden. Daaraan is in die bepaling toegevoegd dat ook de middelen die naar hun aard overeenkomen met de gegeven voorbeelden, inkomen vormen. Dit is eveneens uit die geschiedenis af te leiden. Ook eenmalig ontvangen bedragen die naar hun aard overeenkomen met periodieke inkomsten die voor de voorziening in het levensonderhoud ingezet kunnen worden, moeten volgens de wetgever als inkomen in aanmerking worden genomen. Inkomsten worden vervolgens alleen als inkomen in aanmerking genomen voorzover deze betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. Dit volgt uit artikel 32, eerste lid, onder b, van de PW.
4.3.4.
Voorop staat dat het hier ging om een eenmalig verkregen geleend bedrag, dat niet voortkwam uit een bron die periodiek of bij herhaling middelen voor de voorziening in het levensonderhoud opleverde. Dat betekent dat de aard van het bedrag van belang is voor de vraag of het al dan niet als inkomen moet worden aangemerkt. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen komt in dit geval het als lening ontvangen bedrag van € 500,- naar zijn aard niet overeen met de in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW genoemde inkomensbronnen. Vaststaat namelijk dat het hier ging om een geldlening met een concrete terugbetalingsverplichting op korte termijn binnen de periode waarover beroep op bijstand werd gedaan. Duidelijk is van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag de lening was aangegaan en dat de lening daadwerkelijk moest worden terugbetaald. Bovendien is het geleende bedrag daadwerkelijk op korte termijn, namelijk binnen een maand, terugbetaald. De situatie is in deze opzichten vergelijkbaar met een eerdere uitspraak van de Raad, waarin is bepaald dat een eenmalige bijschrijving ter uitvoering van een commerciële kredietovereenkomst met een commerciële kredietgever voor een lening van € 500,- niet tot het inkomen kan worden gerekend. Ook in dit geval is het eenmalig als lening ontvangen bedrag naar zijn aard niet gelijk te stellen met periodieke inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid van de PW.
4.4.
Dit betekent dat het bestreden besluit niet berust op een juiste motivering. Vervolgens moet beoordeeld worden of dit motiveringsgebrek van het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden gepasseerd. De rechtbank heeft dit niet beoordeeld. De Raad komt tot het oordeel dat het motiveringsgebrek niet gepasseerd kan worden omdat aannemelijk is dat betrokkene hierdoor is benadeeld. Dit wordt hierna uitgelegd.
4.5.
Als een ontvangen bedrag kan worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke kosten van het levensonderhoud en niet is te beschouwen als inkomen in de zin van artikel 32 of 33 van de PW, moet het worden aangemerkt als vermogen, zoals onder 4.3.2 overwogen. Dat volgt uit artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW. De ontvangst van het bedrag van € 500,- als lening waarover het hier gaat, moet dus worden bezien in het licht van artikel 34, eerste lid, van de PW. In dat verband kan zich de vraag voordoen of en, zo ja, op welke wijze het als lening verkregen bedrag in dit geval met toepassing van artikel 34, vierde lid, van de PW moet leiden tot een nieuwe vermogensvaststelling. Dit ligt echter in deze zaak niet voor, omdat het bestreden besluit daar niet op ziet. Dit is bovendien ook niet van belang voor (de omvang van) het recht op bijstand van betrokkene in de te beoordelen periode. Ook indien het als lening ontvangen bedrag van € 500,- wel en de daardoor gelijktijdig ontstane schuld van € 500,- niet bij die nieuwe vermogensvaststelling zou zijn betrokken, zou de grens van het voor betrokkene vrij te laten vermogen namelijk niet zijn overschreden door een toename van het vermogen met € 500,-.
4.6.
Dit betekent dat geen grond bestaat voor herziening van de bijstand van betrokkene in verband met ontvangen inkomen, en ook niet in verband met ontvangen vermogen. De op betrokkene rustende inlichtingenverplichting bracht mee dat zij het als lening ontvangen bedrag onmiddellijk en uit eigen beweging moest melden bij het dagelijks bestuur. Haar moest namelijk redelijkerwijs duidelijk zijn dat dat mogelijk van invloed was op haar recht op de bijstand. Zij heeft dit niet gedaan. Maar omdat de schending van de inlichtingenverplichting niet tot een te hoog bedrag aan bijstand heeft geleid, was voor herziening van de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, van de PW geen grond.
Conclusie en gevolgen
4.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, het besluit van 19 augustus 2022 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit, maar niet geheel op de juiste gronden. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, met enige verbetering van gronden.
5. Omdat het hoger beroep van het dagelijks bestuur niet slaagt, zal het dagelijks bestuur de kosten van verleende rechtsbijstand van betrokkene in hoger beroep moeten vergoeden. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt). De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak al een vergoeding van kosten voor verleende rechtsbijstand in bezwaar en beroep toegekend en ook bepaald dat aan betrokkene het in beroep betaalde griffierecht wordt terugbetaald. Ook zal van het dagelijks bestuur met toepassing van artikel 8:109, tweede lid, van de Awb een griffierecht van € 548,- worden geheven.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.868,-;
bepaalt dat van het dagelijks bestuur een griffierecht van € 548,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en D.H. Harbers en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) L. van Beelen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 31, eerste lid
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 32, eerste lid
Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voorzover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
Artikel 34, eerste lid
Onder vermogen wordt verstaan:
a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;
b. middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33.
Zie Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, blz. 58-59.
Zie de uitspraak van de Raad van 10 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2999.
Zie artikel 17, eerste lid, van de PW.
Meervoudige kamer
23/2763 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2023, 23/2709 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het dagelijks bestuur van de Stroomopwaarts MVS, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (dagelijks bestuur)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 25 augustus 2026
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om herziening en terugvordering van bijstand. Betrokkene heeft een lening ontvangen van € 500,- en die binnen een maand weer terugbetaald. Het dagelijks bestuur heeft de lening beschouwd als inkomen, de bijstand van betrokkene om die reden herzien en het bedrag van € 500,- van haar teruggevorderd. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene gegrond verklaard met als reden dat een eenmalig geldbedrag dat als lening is ontvangen en waarvan vaststaat dat dit is terugbetaald naar zijn aard niet overeenkomt met de in de Participatiewet (PW) genoemde inkomensbronnen en daarom niet als inkomen is aan te merken. Het dagelijks bestuur is het daar niet mee eens en is in hoger beroep gekomen. Het dagelijks bestuur ziet in de huidige wettelijke bepalingen van de PW en de rechtspraak van de Raad geen ruimte om de lening buiten beschouwing te laten. Het dagelijks bestuur krijgt daarin geen gelijk. De uitspraak van de rechtbank blijft dus in stand.
PROCESVERLOOP
Het dagelijks bestuur heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 december 2025. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. I. Car, advocaat. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Raslan.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene ontvangt sinds 24 februari 2021 bijstand op grond van de PW naar de norm van een alleenstaande.
1.2.
Naar aanleiding van een signaal dat betrokkene een voertuig op haar naam geregistreerd heeft staan, heeft een medewerker handhaving van het dagelijks bestuur een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. Uit de op verzoek overgelegde bankafschriften blijkt dat betrokkene op 31 maart 2022 een bedrag van € 500,- contant heeft gestort op haar bankrekening. Betrokkene heeft daarover verklaard dat zij dat bedrag geleend heeft van een vriend (X) om rekeningen te betalen, één in verband met een medische aankoop bij Wehkamp en één voor haar autoverzekering. Zij heeft daarbij opgemerkt dat zij de lening op 27 april 2022 ook al heeft terugbetaald met het geld van de op 21 april 2022 ontvangen energietoeslag van € 800,-. De resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 18 augustus 2022.
1.3.
Met een besluit van 19 augustus 2022 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van betrokkene herzien over de periode 1 tot en met 31 maart 2022 en een bedrag van € 500,- van haar teruggevorderd. Betrokkene heeft daartegen bezwaar gemaakt en daarbij onder andere een verklaring overgelegd van X over de lening. Het dagelijks bestuur heeft het besluit gehandhaafd met een besluit van 7 maart 2023 (bestreden besluit). Daaraan ligt ten grondslag dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij in maart 2022 € 500,- heeft geleend. Dit bedrag had als inkomen in mindering moeten worden gebracht op de bijstand van betrokkene, wat door de schending van de inlichtingenverplichting niet is gebeurd. Het dagelijks bestuur heeft daarbij opgemerkt dat geldleningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip. Dat de lening binnen een maand is terugbetaald maakt dat niet anders. Het dagelijks bestuur was daarom verplicht om de bijstand van betrokkene te herzien en de te veel betaalde bijstand ter hoogte van € 500,- van haar terug te vorderen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Zij heeft het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 19 augustus 2022 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit. Ook heeft zij bepaald dat het dagelijks bestuur het betaalde griffierecht van € 50,- en de kosten van verleende rechtsbijstand in bezwaar en beroep aan betrokkene moet vergoeden, in totaal € 2.868,-. De rechtbank heeft daartoe, voor zover hier van belang, als volgt overwogen.“5.1. Ter zitting heeft verweerder verklaard het bestreden besluit onwenselijk te vinden, maar geen andere mogelijke uitkomst te zien vanwege de geldende tekst van de Pw en de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) daarover.
5.2.
Tussen partijen staat vast dat het op de rekening van eiseres gestorte geld afkomstig is van een lening en dat zij die lening op 27 april 2022 geheel heeft afgelost. Verder heeft verweerder ter zitting verklaard dat als eiseres het gestorte geld niet zou hebben terugbetaald en dat dus in feite een gift zou zijn geweest, er voor verweerder vanwege het door hem gevoerde beleid over giften geen reden zou zijn geweest om tot herziening en terugvordering over te gaan. Giften tot € 1.200,- per kalenderjaar worden door verweerder in dat beleid uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord gevonden en daarom niet aangemerkt als middel. Dat betekent dus dat eiseres slechter af zou zijn door een lening waarvan vaststaat dat zij die heeft terugbetaald, dan door een gift. De rechtbank vindt dat een onbestaanbare uitkomst. De achterliggende gedachte van de Pw en de rechtspraak die daarover bestaat, is immers dat bij ontvangen bedragen tijdens een periode dat bijstand wordt ontvangen tot herziening en terugvordering moet worden overgegaan omdat de bijstand het karakter van een vangnet heeft. Als een bijstandontvanger uit andere bronnen geld ontvangt waarmee hij in zijn levensonderhoud kan voorzien, is voor dat bedrag geen bijstandverlening nodig en moet worden herzien en teruggevorderd. Als verweerder niet tot herziening en terugvordering overgaat als het door eiseres ontvangen bedrag een gift zou zijn geweest, valt niet in te zien waarom er gelet op het vangnetkarakter van de bijstand wel aanleiding bestaat om tot herziening en terugvordering over te gaan als hetzelfde bedrag is geleend en terugbetaald. Bij een gift is immers sprake van extra geld bovenop de bijstandsuitkering dat door verweerder tot € 1.200,- per kalenderjaar zonder meer ongemoeid wordt gelaten, dus ook als dat bedrag voor het levensonderhoud wordt gebruikt. Een terugbetaalde lening heeft per saldo niet tot extra geld geleid. De rechtbank is mede in dat licht van oordeel dat een eenmalig geldbedrag dat als lening is ontvangen en waarvan vaststaat dat dit is terugbetaald, naar zijn aard niet overeenkomt met de in artikel 32, eerste lid, van de Pw genoemde inkomensbronnen en daarom niet als inkomen in de zin van die bepaling geldt. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de CRvB van 10 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2999. Weliswaar is in dit geval geen sprake van een commerciële kredietovereenkomst met een commerciële kredietgever, maar wel staat vast dat de eenmalige storting een lening is die helemaal is terugbetaald.”
Het standpunt van het dagelijks bestuur
3. Het dagelijks bestuur is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat het dagelijks bestuur daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over herziening en terugvordering van € 500,- in verband met de ontvangst van een lening heeft vernietigd aan de hand van wat het dagelijks bestuur heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene het bedrag van € 500,-, dat zij op 31 maart 2022 op haar rekening heeft gestort, contant had geleend van X en dat zij van dat geld rekeningen voor medische kosten en een autoverzekering heeft betaald. Ook is niet in geschil dat zij op 21 april 2022 € 800,- aan energietoeslag heeft ontvangen en dat zij op 27 april 2022 € 500,- contant heeft opgenomen en daar de lening van X contant mee heeft terugbetaald. Evenmin is in geschil dat het geleende bedrag als middel in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW aangemerkt dient te worden. Tussen partijen is alleen in geschil of de lening als inkomen in mindering moet worden gebracht op de bijstand van betrokkene.
4.2.
Tussen partijen is dus in geschil of de bijstand van betrokkene moest worden herzien wegens de ontvangst van een bedrag van € 500,- in de vorm van een lening. Herziening van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich mee dat het dagelijks bestuur aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht, betrokkene in de periode van 1 tot en met 31 maart 2022 de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de ontvangst van een (geleend) bedrag van € 500,- en dat zij als gevolg daarvan tot een te hoog bedrag bijstand heeft ontvangen.
4.3.
Het dagelijks bestuur heeft aangevoerd dat uit de PW en de rechtspraak onmiskenbaar volgt dat het als lening ontvangen bedrag in aanmerking moet worden genomen als inkomen. Dat betekent ook dat het dagelijks bestuur niet anders kon dan besluiten de bijstand van betrokkene te herzien met € 500,- over de maand maart 2022 en dat bedrag van haar terug te vorderen. Het dagelijks bestuur vindt het invoelbaar dat het in aanmerking nemen van een als lening ontvangen bedrag als inkomen, terwijl datzelfde bedrag als gift wel zou worden vrijgelaten, onrechtvaardig overkomt. Maar dat geldt voor alle andere inkomsten die als middel in aanmerking worden genomen. De keuze om iets wel of niet tot de middelen te rekenen is in beginsel een keuze van de wetgever. Het dagelijks bestuur heeft ten aanzien van het tot de middelen rekenen van als geldleningen ontvangen bedragen geen discretionaire bevoegdheid. Een als geldlening ontvangen bedrag dat kan worden aangewend voor levensonderhoud is een middel. Uit niets blijkt dat betrokkene het geleende bedrag niet heeft kunnen aanwenden voor levensonderhoud. Het dagelijks bestuur moet het als lening ontvangen bedrag daarom aanmerken als inkomen, wat wordt bevestigd door rechtspraak van de Raad. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van betekenis.
4.3.1.
Het begrip ‘middelen’ is in verband met het aanvullend karakter van de bijstand ruim gedefinieerd. Tot de middelen worden in beginsel alle inkomens- en vermogensbestanddelen gerekend die kunnen worden gebruikt voor de noodzakelijke kosten van het levensonderhoud. Dit volgt uit artikel 31, eerste lid, van de PW.
4.3.2.
Het standpunt van het dagelijks bestuur dat het door betrokkene als lening ontvangen bedrag moet worden beschouwd als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW is niet juist. Het is wel vaste rechtspraak dat als leningen ontvangen bedragen niet zijn uitgesloten van het middelenbegrip, maar vervolgens moet, als het als lening ontvangen bedrag wordt aangemerkt als middel, bepaald worden of dit middel inkomen of vermogen is. Dit volgt uit artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW. Daarin is – kort gezegd – bepaald dat een middel vermogen is als het geen inkomen is. In dit geval is het als lening ontvangen bedrag geen inkomen. Daartoe geldt het volgende.
4.3.3.
De bedoeling van de wetgever met artikel 32, eerste lid, van de PW is dat middelen die over het algemeen periodiek worden ontvangen, zoals inkomsten uit arbeid en uitkeringen, en die kunnen worden ingezet voor de voorziening in het levensonderhoud, als inkomen worden aangemerkt. Dit is af te leiden uit de geschiedenis van de totstandkoming van het gelijkluidende artikel 32, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand, die aan de PW voorafging. De wetgever heeft niet beoogd een uitputtende opsomming te geven van de in beginsel als inkomen in aanmerking te nemen middelen, maar om een aantal inkomensbronnen als voorbeeld te vermelden. Daaraan is in die bepaling toegevoegd dat ook de middelen die naar hun aard overeenkomen met de gegeven voorbeelden, inkomen vormen. Dit is eveneens uit die geschiedenis af te leiden. Ook eenmalig ontvangen bedragen die naar hun aard overeenkomen met periodieke inkomsten die voor de voorziening in het levensonderhoud ingezet kunnen worden, moeten volgens de wetgever als inkomen in aanmerking worden genomen. Inkomsten worden vervolgens alleen als inkomen in aanmerking genomen voorzover deze betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. Dit volgt uit artikel 32, eerste lid, onder b, van de PW.
4.3.4.
Voorop staat dat het hier ging om een eenmalig verkregen geleend bedrag, dat niet voortkwam uit een bron die periodiek of bij herhaling middelen voor de voorziening in het levensonderhoud opleverde. Dat betekent dat de aard van het bedrag van belang is voor de vraag of het al dan niet als inkomen moet worden aangemerkt. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen komt in dit geval het als lening ontvangen bedrag van € 500,- naar zijn aard niet overeen met de in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW genoemde inkomensbronnen. Vaststaat namelijk dat het hier ging om een geldlening met een concrete terugbetalingsverplichting op korte termijn binnen de periode waarover beroep op bijstand werd gedaan. Duidelijk is van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag de lening was aangegaan en dat de lening daadwerkelijk moest worden terugbetaald. Bovendien is het geleende bedrag daadwerkelijk op korte termijn, namelijk binnen een maand, terugbetaald. De situatie is in deze opzichten vergelijkbaar met een eerdere uitspraak van de Raad, waarin is bepaald dat een eenmalige bijschrijving ter uitvoering van een commerciële kredietovereenkomst met een commerciële kredietgever voor een lening van € 500,- niet tot het inkomen kan worden gerekend. Ook in dit geval is het eenmalig als lening ontvangen bedrag naar zijn aard niet gelijk te stellen met periodieke inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid van de PW.
4.4.
Dit betekent dat het bestreden besluit niet berust op een juiste motivering. Vervolgens moet beoordeeld worden of dit motiveringsgebrek van het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden gepasseerd. De rechtbank heeft dit niet beoordeeld. De Raad komt tot het oordeel dat het motiveringsgebrek niet gepasseerd kan worden omdat aannemelijk is dat betrokkene hierdoor is benadeeld. Dit wordt hierna uitgelegd.
4.5.
Als een ontvangen bedrag kan worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke kosten van het levensonderhoud en niet is te beschouwen als inkomen in de zin van artikel 32 of 33 van de PW, moet het worden aangemerkt als vermogen, zoals onder 4.3.2 overwogen. Dat volgt uit artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW. De ontvangst van het bedrag van € 500,- als lening waarover het hier gaat, moet dus worden bezien in het licht van artikel 34, eerste lid, van de PW. In dat verband kan zich de vraag voordoen of en, zo ja, op welke wijze het als lening verkregen bedrag in dit geval met toepassing van artikel 34, vierde lid, van de PW moet leiden tot een nieuwe vermogensvaststelling. Dit ligt echter in deze zaak niet voor, omdat het bestreden besluit daar niet op ziet. Dit is bovendien ook niet van belang voor (de omvang van) het recht op bijstand van betrokkene in de te beoordelen periode. Ook indien het als lening ontvangen bedrag van € 500,- wel en de daardoor gelijktijdig ontstane schuld van € 500,- niet bij die nieuwe vermogensvaststelling zou zijn betrokken, zou de grens van het voor betrokkene vrij te laten vermogen namelijk niet zijn overschreden door een toename van het vermogen met € 500,-.
4.6.
Dit betekent dat geen grond bestaat voor herziening van de bijstand van betrokkene in verband met ontvangen inkomen, en ook niet in verband met ontvangen vermogen. De op betrokkene rustende inlichtingenverplichting bracht mee dat zij het als lening ontvangen bedrag onmiddellijk en uit eigen beweging moest melden bij het dagelijks bestuur. Haar moest namelijk redelijkerwijs duidelijk zijn dat dat mogelijk van invloed was op haar recht op de bijstand. Zij heeft dit niet gedaan. Maar omdat de schending van de inlichtingenverplichting niet tot een te hoog bedrag aan bijstand heeft geleid, was voor herziening van de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, van de PW geen grond.
Conclusie en gevolgen
4.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, het besluit van 19 augustus 2022 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit, maar niet geheel op de juiste gronden. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, met enige verbetering van gronden.
5. Omdat het hoger beroep van het dagelijks bestuur niet slaagt, zal het dagelijks bestuur de kosten van verleende rechtsbijstand van betrokkene in hoger beroep moeten vergoeden. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt). De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak al een vergoeding van kosten voor verleende rechtsbijstand in bezwaar en beroep toegekend en ook bepaald dat aan betrokkene het in beroep betaalde griffierecht wordt terugbetaald. Ook zal van het dagelijks bestuur met toepassing van artikel 8:109, tweede lid, van de Awb een griffierecht van € 548,- worden geheven.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.868,-;
bepaalt dat van het dagelijks bestuur een griffierecht van € 548,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en D.H. Harbers en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) L. van Beelen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 31, eerste lid
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 32, eerste lid
Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voorzover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
Artikel 34, eerste lid
Onder vermogen wordt verstaan:
a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;
b. middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33.
Zie Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, blz. 58-59.
Zie de uitspraak van de Raad van 10 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2999.
Zie artikel 17, eerste lid, van de PW.