Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1194

2026-09-08 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 23/2935 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-08
Publicatiedatum
2026-09-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
23/2935 PW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag eenmalige energietoeslag 2022. Woonplaats. Schadevergoeding redelijke termijn. Appellant heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2022 zijn feitelijke verblijfplaats in de gemeente X heeft gehad. De stukken die appellant heeft overgelegd zijn daartoe onvoldoende, ook in onderlinge samenhang bezien. De getuigenverklaringen zijn te algemeen van aard en uit de bankafschriften blijken maar weinig pinbetalingen in de verblijfplaats.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.587 tekens)
23/2935 PW


Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 september 2023, 22/2567 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke sociale dienst Brunssum Landgraaf (dagelijks bestuur)



De Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)







Datum uitspraak: 8 september 2026

SAMENVATTING


Deze zaak ziet op de afwijzing van een aanvraag om de eenmalige energietoeslag voor 2022. Tussen partijen is in geschil of appellant, die sinds 2014 in een camper woont, in 2022 zijn werkelijke verblijf had in de gemeente [X] . Appellant meent dat dit het geval is. Hij krijgt daarin geen gelijk. Wel krijgt hij een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.





PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. B.J.P. Toonen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.



Partijen hebben nadere stukken ingediend.



Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding hiervan heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 juni 2026. Appellant heeft door middel van videobellen deelgenomen aan de zitting, bijgestaan door mr. Toonen, die op de zitting is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M.J. Michiels-Stevelmans.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.



1.1.
Appellant heeft op 31 mei 2022 bij het dagelijks bestuur een aanvraag ingediend voor de eenmalige energietoeslag voor 2022 op grond van de Participatiewet (PW). Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij dak- of thuisloos is en alleen een briefadres in de gemeente [X] heeft. Appellant woont sinds 2014 in een camper.



1.2.
Met een besluit van 31 mei 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 21 oktober 2022 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag van appellant afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat het recht op de eenmalige energietoeslag voor 2022 niet is vast te stellen, omdat appellant staat ingeschreven op een briefadres en hij geen controleerbare gegevens heeft verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats.




Uitspraak van de rechtbank




2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.




Het standpunt van appellant


3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.




Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit tot afwijzing van de eenmalige energietoeslag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Daarnaast beoordeelt de Raad het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt, maar dat het verzoek om schadevergoeding wel moet worden toegewezen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De regels die voor de beoordeling van het hoger beroep en het verzoek om schadevergoeding belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.




Beoordelingskader




4.1.
Artikel 35, vierde lid, van de PW maakt het mogelijk om categoriaal bijzondere bijstand toe te kennen aan een alleenstaande of gezin in de vorm van een eenmalige energietoeslag. In de memorie van toelichting bij de wijziging van de PW in verband met het verstrekken van een eenmalige energietoeslag is vermeld dat de eenmalige energietoeslag in het leven is geroepen om snelle ondersteuning te bieden aan huishoudens die in de problemen dreigen te raken als gevolg van de gestegen energiekosten.



4.2.
Iemand die de eenmalige energietoeslag aanvraagt, moet aannemelijk maken dat hij daarvoor in aanmerking komt. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij aan de voorwaarden voor de eenmalige energietoeslag voldoet, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.



Had appellant zijn werkelijke verblijf in de gemeente [X] ?





4.3.
Tussen partijen is allereerst in geschil of appellant in 2022 zijn feitelijke verblijfplaats had in de gemeente [X] . Appellant stelt zich op het standpunt dat hij in 2022, op enkele periodes in het buitenland na, zijn feitelijke verblijfplaats in de gemeente [X] heeft gehad. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat hij sinds 2014 in een camper woont, dat hij geboren en getogen is in [verblijfplaats] en dat daar zijn dochter en kleindochter wonen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant in beroep en hoger beroep stukken overgelegd, waaronder getuigenverklaringen, bankafschriften, een contactenoverzicht van de huisarts, een afsprakenlijst van de dierenarts en een overzicht van de momenten waarop appellant bij de apotheek medicatie heeft opgehaald. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van betekenis.


4.3.1.
In artikel 40, eerste lid, van de PW is bepaald dat het recht op bijstand bestaat jegens het college waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Voor het antwoord op de vraag waar de woonplaats van een betrokkene is in de zin van artikel 40, eerste lid, van de PW, is alleen bepalend waar de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft of – als hij die niet heeft – waar hij werkelijk verblijft. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Om te beoordelen waar een betrokkene zijn woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in de basisregistratie personen. Dit is vaste rechtspraak.



4.3.2.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2022 zijn feitelijke verblijfplaats in (de gemeente) [X] heeft gehad. De stukken die appellant heeft overgelegd zijn daartoe onvoldoende, ook in onderlinge samenhang bezien.



4.3.3.
Naar aanleiding van de getuigenverklaringen die appellant in beroep heeft overgelegd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat die verklaringen te algemeen van aard zijn. Zo wordt op de vraag “Wat kan u verklaren over het hoofdverblijf/verblijfadres van [appellant] in de periode vanaf 1 januari 2022 tot heden (december 2022)” verklaard: “ik spreek hem vaker tijdens ontmoeting in het park” en “ik bezoek hem vaak” en “[verblijfplaats]” en “ik zie de heer [naam] 80% daar staan, omdat ik een praatje met hem maak” en “geen vaste woon + verblijf adres staat wel 80% op de parkeerplaats van [naam park]”. Hoewel de vraag ziet op het jaar 2022, kan op grond van de verklaringen niet worden vastgesteld dat appellant het merendeel van dat jaar feitelijk in (de gemeente) [X] verbleef. Uit de verklaringen wordt niet duidelijk wat wordt bedoeld met “vaker” en “vaak” en ook niet om hoeveel waarnemingen en hoe vaak in een bepaalde tijd het bij “80%” gaat. Deze verklaringen stroken bovendien niet met de verklaring van appellant tijdens de hoorzitting in bezwaar op 30 juni 2022 dat hij met zijn camper ongeveer zes maanden in de gemeente [X] staat en zes maanden ergens anders is. Appellant heeft bovendien tijdens de zitting bij de rechtbank anders verklaard, namelijk dat hij de meeste tijd in 2022 in de gemeente [X] heeft verbleven en af en toe op vakantie was, waarbij hij in de winter twee of drie maanden in Spanje is. In het hoger beroepschrift wordt vermeld dat appellant hoofdzakelijk heeft verbleven op een camperparkeerplaats in [verblijfplaats] en op de zitting bij de Raad heeft appellant verklaard dat hij drie maanden in het buitenland verblijft.


4.3.4.
In de bankafschriften vindt de Raad ook geen steun voor het betoog voor appellant, omdat daarin in 2022 maar weinig pinbetalingen in (de gemeente) [X] te zien zijn. Wel blijkt daaruit dat appellant in dat jaar, naast Spanje, ook in Duitsland en Frankrijk is geweest. Op de zitting heeft appellant in dat verband verklaard dat hij in Duitsland boodschappen doet (vanwege de lagere kosten) en dat hij één week in Frankrijk is geweest, maar uit de bankafschriften blijkt dat appellant in ieder geval in de maanden april, mei, augustus, oktober, november en december 2022 in Frankrijk is geweest.


4.3.5.
De overige stukken die appellant in hoger beroep heeft overgelegd, waaronder nieuwe getuigenverklaringen, kunnen appellant evenmin baten. Die verklaringen hebben dezelfde strekking en zijn ook te algemeen van aard om daaruit conclusies te kunnen trekken over de feitelijke verblijfplaats van appellant in 2022. Bovendien kan de verklaring van de supermarktmanager dat appellant wekelijks boodschappen komt doen in [verblijfplaats] niet juist zijn, alleen al vanwege de verklaringen van appellant dat hij drie tot zes maanden in het jaar in het buitenland verblijft. Andere stukken, waaruit blijkt van bijvoorbeeld bezoeken aan de huisarts, dierenarts en apotheek, bieden alleen een momentopname.



4.3.6.
Weliswaar rijst uit wat appellant heeft verklaard en de overgelegde stukken een beeld dat hij in 2022 regelmatig in (de gemeente) [X] was, maar dus – gelet op 4.3.2 tot en met 4.3.5 – niet dat hij daar ook zijn werkelijke verblijf en dus zijn woonplaats had, zoals bedoeld in 4.3.1.



Is er sprake van onzorgvuldig onderzoek door het dagelijks bestuur?






4.4.
Appellant heeft in hoger beroep verder de beroepsgrond herhaald dat het dagelijks bestuur onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar zijn situatie. In dit verband heeft appellant op de zitting nader toegelicht dat het dagelijks bestuur heeft nagelaten de door appellant aangeleverde stukken op hun juistheid te controleren. Ook had het dagelijks bestuur de buitengewoon opsporingsambtenaren kunnen benaderen die volgens appellant zouden kunnen verklaren over zijn aanwezigheid in 2022 op de camperplaats. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij zelf in dit kader geen contact heeft gezocht met de buitengewoon opsporingsambtenaren, maar dat hij het dagelijks bestuur heeft verzocht dit te doen. Een bepaalde buitengewoon opsporingsambtenaar waarvan appellant stelt dat deze hem kent, is inmiddels met pensioen waardoor appellant hem niet meer heeft kunnen benaderen. Gelet op de in 4.2 weergegeven bewijslast ligt het op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat hij in aanmerking komt voor de eenmalige energietoeslag. Gelet op 4.3.6 is appellant daar niet in geslaagd. Er bestond voor het dagelijks bestuur geen aanleiding om (nader) onderzoek te doen. Van een onzorgvuldig onderzoek door het dagelijks bestuur is dan ook geen sprake.



Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn




5. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.




5.1.
Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van appellant wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016.



5.2.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.



5.3.
Vanaf de ontvangst door het dagelijks bestuur op 7 juni 2022 van het bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak op 8 september 2026 zijn vier jaar en drie maanden verstreken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met drie maanden overschreden. Dat leidt tot een schadevergoeding van € 500,-, die voor rekening komt van de Staat.





Conclusie en gevolgen


6.1.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om de eenmalige energietoeslag voor 2022 in stand blijft.



6.2.
Het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Verzoeker krijgt een schadevergoeding van € 500,-.


7. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten. Ook krijgt hij het betaalde griffierecht niet terug. Appellant krijgt wel een vergoeding voor de kosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het verzoekschrift, met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 934,-), die voor rekening komt van de Staat. Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding op zitting bestaat geen aanleiding.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep





bevestigt de aangevallen uitspraak;


veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;


veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 467,-.





Deze uitspraak is gedaan door C. Karman, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.





(getekend) C. Karman





(getekend) A.T. Dannenberg



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke regels



Algemene wet bestuursrecht




Artikel 4:2, tweede lid
De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.




Participatiewet




Artikel 35, vierde lid
In afwijking van het eerste lid kan bijzondere bijstand ook aan een alleenstaande of een gezin worden verleend in de vorm van een eenmalige energietoeslag, zonder dat wordt nagegaan of die alleenstaande of dat gezin in dat jaar een sterk gestegen energierekening had:a. voor het jaar 2022, die kan worden verstrekt tot en met 30 juni 2023;
(…)



Artikel 40, eerste lid
Het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.




Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden




Artikel 6, eerste lid
Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.



Zie de uitspraak van 30 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3038.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432.


ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009 en ECLI:NL:HR:2016:252.