Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1190

2026-09-03 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 24/1616 AWBZ
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-03
Publicatiedatum
2026-09-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
24/1616 AWBZ
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Het beroep van appellant is niet-ontvankelijk. De Raad heeft al eerder beslist op een beroep tegen hetzelfde besluit. Het systeem van de Awb staat eraan in de weg dat tweemaal – inhoudelijk – op een beroep tegen hetzelfde besluit wordt beslist. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, omdat vaststaat dat het besluit niet onrechtmatig is.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.469 tekens)
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het beroep van







Partijen:




[appellant] te [woonplaats] (appellant)



Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)








Datum uitspraak: 3 september 2026


SAMENVATTING


In deze zaak oordeelt de Raad dat het beroep van appellant niet-ontvankelijk is. De Raad heeft al eerder beslist op een beroep tegen hetzelfde besluit. Het systeem van de Algemene wet bestuursrecht staat eraan in de weg dat tweemaal – inhoudelijk – op een beroep tegen hetzelfde besluit wordt beslist. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, omdat vaststaat dat het besluit niet onrechtmatig is.





PROCESVERLOOP


Appellant heeft op 31 oktober 2023 beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend bij de rechtbank Noord-Holland. Op 10 april 2024 heeft mr. C.M.E. Schreinemacher, advocaat, zich als gemachtigde gesteld. Op 25 juni 2024 heeft de rechtbank het beroepschrift doorgezonden naar de Raad. Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 april 2026. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Olaniyi.



Op 15 mei 2026 heeft appellant een wrakingsverzoek ingediend. Bij beslissing van 27 juli 2026 heeft de wrakingskamer van de Raad het verzoek om wraking afgewezen.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Met een uitspraak van 14 juni 2017, heeft de Raad beslist op een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 september 2016. Hierbij heeft de Raad die uitspraak vernietigd, het beroep van appellant gegrond verklaard, het besluit van 19 augustus 2015 vernietigd voor zover daarbij niet is beslist op het bezwaar tegen het besluit van 25 februari 2015 en het zorgkantoor opgedragen om met inachtneming van de uitspraak van de Raad alsnog op dat bezwaar te beslissen. Daarbij is bepaald dat tegen de te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld. Deze uitspraak heeft betrekking op de vaststelling van het persoonsgebonden budget (pgb) voor het jaar 2012 en terugvordering van een bedrag voor dat jaar.


1.2.
Met een uitspraak van 27 november 2019 heeft de Raad beslist op een hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 april 2019. Hierbij heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Deze uitspraak heeft betrekking op verschillende besluiten van 17 juli 2017, waaronder een besluit waarmee voor het jaar 2012 een gewijzigd pgb is verleend voor een bedrag van € 27.693,79.


1.3.

Ter uitvoering van de onder 1.1 genoemde uitspraak van de Raad heeft het zorgkantoor op 12 januari 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen over de vaststelling van het pgb voor het jaar 2012 en over terugvordering. Het pgb is hierbij lager vastgesteld op € 16.314,94. Met een uitspraak van eveneens 27 november 2019 heeft de Raad het beroep van appellant tegen het besluit van 12 januari 2018 ongegrond verklaard.

Het standpunt van appellant




2. Appellant heeft gesteld dat hij beroep instelt tegen een besluit van 12 januari 2018. Appellant veronderstelt dat op 12 januari 2018 een tweede besluit is genomen waarin het pgb voor het jaar 2012 is vastgesteld op € 27.693,79. Dit besluit heeft hij naar eigen zeggen niet ontvangen. Appellant stelt nog recht te hebben op een bedrag van in totaal € 55.181,23 en heeft de Raad verzocht om het zorgkantoor te veroordelen in de door hem geleden materiele en immateriële schade.




Het oordeel van de Raad


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.
De Raad stelt voorop dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de verlening van het pgb en de vaststelling van het pgb. In het geval van appellant is met het besluit van 17 juli 2017 voor het jaar 2012 uiteindelijk een pgb verleend van € 27.693,79. Anders dan appellant veronderstelt, is er geen besluit genomen waarbij het pgb voor het jaar 2012 ook is vastgesteld op laatstgenoemd bedrag. Uit het besluit van 12 januari 2018 blijkt dat het pgb voor het jaar 2012 lager is vastgesteld op € 16.314,94.


3.2.
Op het beroep van appellant tegen het besluit van 12 januari 2018 heeft de Raad al beslist met de onder 1.3 genoemde uitspraak. Daarmee is het besluit van 12 januari 2018 in rechte onaantastbaar geworden. Het systeem van de Algemene wet bestuursrecht staat eraan in de weg dat tweemaal – inhoudelijk – op een beroep tegen hetzelfde besluit wordt beslist. De Raad zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.


3.3.
Omdat het besluit van 12 januari 2018 in rechte onaantastbaar is geworden staat ook vast dat dit besluit niet onrechtmatig is. Het verzoek om schadevergoeding moet reeds om die reden worden afgewezen.




Conclusie en gevolgen


3.4.

Het beroep is niet-ontvankelijk. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
4. Appellant krijgt geen vergoeding voor zijn proceskosten.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep




verklaart het beroep niet-ontvankelijk;


wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.





Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026.






(getekend) K.H. Sanders




(getekend) F.M. Gerritsen

ECLI:NL:CRVB:2026:976.


ECLI:NL:CRVB:2017:2199.


ECLI:NL:CRVB:2019:3842.


ECLI:NL:CRVB:2019:3841.


Vergelijk de uitspraak van 2 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3791.