Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1188

2026-09-01 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 24/956 TOZO
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-01
Publicatiedatum
2026-09-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/956 TOZO
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gecorrigeerde verantwoordingsinformatie ten onrechte niet beoordeeld. Zelf voorzien. Uitgangspunt van de Tozo is volledige financiële compensatie. Van een situatie waarin het hoger vaststellen van de vergoeding voor het college invloed heeft op de vaststelling van vergoedingen aan andere gemeenten is geen sprake. De minister heeft desgevraagd niet deugdelijk gemotiveerd waarom het meenemen van de gecorrigeerde gegevens zou leiden tot een niet ordentelijke of tijdige vaststelling. De minister heeft weliswaar aangevoerd dat gemeenten niet tot in de lengte van dagen correcties moeten kunnen indienen, maar daarvan is hier geen sprake nu de gecorrigeerde gegevens zijn overgelegd voordat het besluit was genomen. Hierbij komt nog dat de minister de vaststelling van de vergoeding na de melding van het college heeft uitgesteld om te overwegen of er coulance zou worden toegepast voor het college en andere gemeenten die zich in een vergelijkbare situatie bevonden.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.936 tekens)
24/956 TOZO


Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 maart 2024, 23/3079 (aangevallen uitspraak)







Partijen:



het college van burgemeester en wethouders van Katwijk (college)



de minister van Werk en Participatie (minister)








Datum uitspraak: 1 september 2026

SAMENVATTING


Deze uitspraak gaat over de vergoeding die de minister voor 2020 heeft vastgesteld voor het college op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). De Raad oordeelt dat de minister bij de vaststelling van de vergoeding had moeten uitgaan van de gecorrigeerde verantwoordingsinformatie die het college had ingediend na de daarvoor in de Tozo gestelde termijn, maar vóór het vaststellen van de vergoeding. De algemene belangen die de minister heeft aangevoerd voor het handhaven van de gestelde termijn wegen gelet op de aard van de regeling en de specifieke situatie in dit geval niet op tegen het vaststellen van de vergoeding op het juiste bedrag, zodat het besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is genomen. De Raad vernietigt het vaststellingsbesluit en stelt zelf het bedrag vast.





PROCESVERLOOP


Namens het college heeft mr. F.P. van Galen, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 juni 2026. Namens het college zijn verschenen mr. Van Galen, mr. S.J. Maertzdorf, advocaat, en L.J. Schaap . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E. van der Kamp en J.T. de Bakker.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Het college heeft bij brief van 9 juli 2021 aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de verantwoording over de specifieke uitkeringen van 2020 gestuurd, de zogenaamde SiSa-verantwoordingsinformatie (verantwoordingsinformatie). De verantwoordingsinformatie ziet mede op de netto-bestedingen van het college aan uitkeringen op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) tot een bedrag van € 2.989.645,-. Begin 2022 is het college bij de voorbereiding van de verantwoordingsinformatie voor 2021 erachter gekomen dat de op 9 juli 2021 ingeleverde informatie over het jaar 2020 wat betreft de Tozo niet juist is. Na dit telefonisch aan de minister te hebben gemeld, heeft het college medio juni 2022 gecorrigeerde verantwoordingsinformatie ingediend. Het daarin vermelde bedrag van de daadwerkelijke netto-bestedingen is daarin € 279.876,- hoger dan het eerder opgegeven bedrag, te weten € 3.269.521,-.


1.2.
Met een besluit van 4 juli 2022 (het besluit), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 16 maart 2023 (bestreden besluit), heeft de minister de vergoeding met betrekking tot de Tozo voor het college over het jaar 2020 vastgesteld op € 3.468.564,-, rekening houdend met het genoemde bedrag aan netto-bestedingen van € 2.989.645,-. De minister heeft geen rekening gehouden met de gecorrigeerde verantwoordingsinformatie omdat deze informatie na afloop van de in artikel 21, vijfde lid, van de Tozo genoemde termijn is ingediend.



Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van het college


3. Het college is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.



Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de vaststelling van de vergoeding voor de Tozo voor 2020 in stand heeft gelaten aan de hand van wat het college in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.


4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de gecorrigeerde verantwoordingsinformatie na 30 september 2021 is ingediend en daarmee na de in artikel 21, vijfde lid, van de Tozo genoemde termijn. Daarnaast is niet in geschil dat de op 9 juli 2021 aangeleverde verantwoordingsinformatie wat betreft de Tozo niet geheel juist is en de gecorrigeerde verantwoordingsinformatie wel juist is. Verder is niet in geschil dat als zou worden uitgegaan van de gecorrigeerde informatie de vergoeding op € 3.748.440,- moet worden vastgesteld.


4.2.
Het college heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gecorrigeerde verantwoordingsinformatie. Deze grond slaagt. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

4.2.1.
Op grond van artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet (Fvw) moeten colleges voor de verantwoording over de uitvoering van de regeling van een specifieke uitkering uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar verantwoordingsinformatie indienen. In het geval van de Tozo houdt de minister op grond van artikel 21, vijfde lid, van de Tozo nog rekening met gegevens die vóór 30 september van het jaar volgend op het verantwoordingsjaar zijn ingediend en met gegevens die op verzoek van de minister op een latere datum zijn verstrekt.


4.2.2.
De Raad heeft eerder uitspraken gedaan over de vraag of een financiële verantwoording tijdig was, met name in het kader van een volledige heroverweging in bezwaar zoals bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In die uitspraken is geoordeeld dat geen rekening gehouden moet worden met in bezwaar ingediende gegevens. Deze zaak verschilt van die zaken. In deze zaak heeft het college niet in bezwaar, maar al vóór het besluit van 4 juli 2022 de gecorrigeerde verantwoordingsinformatie ingediend.


4.2.3.
De Tozo is een incidentele regeling die in het leven is geroepen in een crisissituatie, namelijk in verband met de coronapandemie. De gemeenten hebben hierbij de taak gekregen om de regeling uit te voeren. Zoals uit artikel 19 van de Tozo volgt, is daarbij het uitgangspunt dat de minister de kosten van de verstrekte uitkeringen volledig vergoedt en ook een vast bedrag toekent voor uitvoeringskosten per besluit dat is genomen op grond van de regeling. Gelet op de bijzondere aard van de regeling is daarbij met artikel 21, vijfde lid, van de Tozo voor het aanleveren van de gegevens voorzien in een langere termijn dan de in artikel 17a, eerste lid, van de Fvw genoemde termijn.


4.2.4.
In het voorliggende geval heeft het college nog voordat de minister het besluit van 4 juli 2022 heeft genomen de gecorrigeerde verantwoordingsinformatie ingediend. De minister was dus ten tijde van het vaststellen van de vergoeding op de hoogte van het feit dat bij gebruik van de oude gegevens een vergoeding zou worden vastgesteld die niet alle kosten van de door het college verstrekte uitkeringen zou dekken.


4.2.5.

De minister heeft voor het vasthouden aan de in artikel 21, vijfde lid, van de Tozo genoemde termijn verwezen naar het algemene belang van een ordentelijke, zorgvuldige en tijdige vaststelling van de vergoedingen.
Dit strookt met de toelichting die op dit artikellid door de Minister is gegeven. Daarin staat het volgende vermeld:



“(…) Om te waarborgen dat de vaststellingen ordelijk, zorgvuldig en binnen de wettelijke termijn plaatsvinden, is in het nieuwe vijfde lid de uiterste termijn van 30 september (van het jaar volgend op het verantwoordingsjaar) vastgelegd. Uit de bepaling volgt dat de minister (…) geen rekening houdt met wijzigingen van de gemeentelijke verantwoordingsinformatie waarvan hij eerst na voornoemde datum kennis kan nemen, ook indien die gegevens onderdeel vormen van een bezwaarprocedure. De datum van 30 september betekent dat de gemeente feitelijk twee en een halve maand de gelegenheid krijgt om haar plausibel verklaarde verantwoordingsinformatie te corrigeren of aan te vullen (…)”.



De vraag is echter of hieraan in dit geval onverkort moet worden vastgehouden. Daarvoor is het volgende van belang. De Raad stelt voorop dat het uitgangspunt van de Tozo is volledige financiële compensatie. Van een situatie waarin het hoger vaststellen van de vergoeding voor het college invloed heeft op de vaststelling van vergoedingen aan andere gemeenten is geen sprake. De minister heeft desgevraagd niet deugdelijk gemotiveerd waarom het meenemen van de gecorrigeerde gegevens zou leiden tot een niet ordentelijke of tijdige vaststelling. De minister heeft weliswaar aangevoerd dat gemeenten niet tot in de lengte van dagen correcties moeten kunnen indienen, maar daarvan is hier geen sprake nu de gecorrigeerde gegevens zijn overgelegd voordat het besluit was genomen. Hierbij komt nog dat de minister de vaststelling van de vergoeding na de melding van het college heeft uitgesteld om te overwegen of er coulance zou worden toegepast voor het college en andere gemeenten die zich in een vergelijkbare situatie bevonden. Het onverkort vasthouden aan de in artikel 21, vijfde lid, van de Tozo genoemde termijn was onder deze omstandigheden in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel.




4.3.
Aangezien de vaststelling van de vergoeding geen stand kan houden, omdat dit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, behoeven de overige gronden van het college geen bespreking meer.




Conclusie en gevolgen


4.4

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit worden vernietigd. Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst moet worden gegeven. Uit 4.2 volgt dat in dit geval het bepaalde in artikel 21 vijfde lid, van de Tozo wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb buiten toepassing moet blijven en dat de minister dus de nader aangevulde verantwoordingsinformatie bij de aanvraag moet betrekken. Aangezien niet in geschil is wat de hoogte van de vergoeding zou moeten zijn als rekening wordt gehouden met de gecorrigeerde gegevens, zal de Raad zoals ook ter zitting besproken, met het oog op een definitieve beslechting van het geschil zelf in de zaak voorzien. De Raad herroept daarom het besluit van 4 juli 2022 voor zover het betrekking heeft op de hoogte van de vergoeding met betrekking tot de Tozo voor 2020 en stelt die vergoeding vast op € 3.748.440,-. Dit betekent dat het college recht heeft op een vergoeding die € 279.876,- hoger is dan die eerder is vastgesteld.
5. Omdat het hoger beroep slaagt, krijgt het college een vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. De proceskosten worden begroot op € 3.736,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank, 1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting bij de Raad, met een waarde van € 934,- per punt).






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep




vernietigt de aangevallen uitspraak;


verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 maart 2023;


herroept het besluit van 4 juli 2022 voor zover het betrekking heeft op de hoogte van de vergoeding met betrekking tot de Tozo;


stelt de vergoeding met betrekking tot de Tozo vast op € 3.748.440,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;


veroordeelt de minister in de proceskosten van het college tot een bedrag van € 3.736,-;


bepaalt dat de minister aan het college het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 924,- vergoedt.





Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2026.






(getekend) O.L.H.W.I. Korte





(getekend) A.T. Dannenberg



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels



Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers

Artikel 19. Vergoeding

1. Onze Minister vergoedt ten laste van ’s Rijks kas aan het college:

a. 100% van de kosten van algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, voor zover de algemene bijstand niet bij wijze van voorschot op grond van artikel 52 van de wet is verleend; en
b. een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag per besluit op een aanvraag om algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.

2. Onder kosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt verstaan de lasten in een kalenderjaar verminderd met de baten in dat jaar in verband met de door het college verleende algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.


Artikel 21. Vaststelling van de vergoeding

1. Onze Minister stelt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 19 en 19a, vast binnen een jaar na ontvangst door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet.
[…]
5. Bij de toepassing van dit artikel wordt uitgegaan van de gegevens waarvan Onze Minister kennis heeft op 30 september van het jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die het college op verzoek van Onze Minister op een latere datum verstrekt mede in aanmerking worden genomen.
[…]



Financiële-verhoudingswet

Artikel 17a

1. Gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders zenden de informatie ten behoeve van de verantwoording over de uitvoering van de regeling van een specifieke uitkering uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de vorm van:

a. de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in artikel 202, eerste lid, van de Provinciewet, onderscheidenlijk artikel 198, eerste lid, van de Gemeentewet, en
b. de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 217, derde en vierde lid, van de Provinciewet, onderscheidenlijk artikel 213, derde en vierde lid, van de Gemeentewet.
[…]




Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.



Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 4 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:721 en van 2 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:394.


Stb. 2021, 137.