Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Centrale Raad van Beroep

ECLI:NL:CRVB:2026:1186

2026-09-10 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht 25/1230 WMO15
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2026-09-10
Publicatiedatum
2026-09-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/1230 WMO15
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het beroep van appellante terecht niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Ook aan de gestelde schade kan geen procesbelang worden ontleend.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.714 tekens)
25/1230 WMO15



Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer












Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 mei 2025, 23/3202 (aangevallen uitspraak)







Partijen:




[appellante] te [woonplaats] (appellante)



het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)








Datum uitspraak: 10 september 2026

SAMENVATTING


In deze zaak oordeelt de Raad dat de rechtbank het beroep van appellante terecht nietontvankelijk heeft verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang.





PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben gereageerd op vragen van de Raad.



De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.



De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 juli 2026. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.T.P.J. Damen.





OVERWEGINGEN




Inleiding


1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.


1.1.
Appellante, geboren in 1986, is bekend met ernstige psychiatrische problematiek, waaronder een autismespectrumstoornis. Naar aanleiding van een aanvraag van appellante heeft het college haar met een besluit van 11 oktober 2022, op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening verstrekt. Deze maatwerkvoorziening bestaat uit beschermd wonen inclusief begeleiding en dagbesteding met aanvullende begeleiding voor zeven uur per week, in natura, over de periode van 6 oktober 2022 tot en met 5 april 2023.



1.2.
Appellante heeft tegen het besluit van 11 oktober 2022 bezwaar gemaakt. Appellante wil een soortgelijke maatwerkvoorziening die zij eerder van de gemeente Utrecht ontving, te weten ambulante individuele begeleiding voor vijftien uur per week – waarbij de begeleider 24 uur per dag te bereiken is – in de vorm van een persoonsgebonden budget en voor een periode van vijf jaar.



1.3.
Met een besluit van 26 april 2023 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat ten onrechte een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen is toegekend, omdat ambulante begeleiding voldoende is. Omdat appellante niet slechter mag worden van het indienen van bezwaar, blijft de bij besluit van 11 oktober 2022 verstrekte maatwerkvoorziening in stand. Dit heeft verder geen gevolgen, omdat de periode waarvoor die maatwerkvoorziening was toegekend inmiddels is verlopen. Nijmegen is als centrumgemeente alleen verantwoordelijk voor beschermd wonen. Voor ambulante begeleiding is niet het college, maar het college van burgemeester en wethouders van Berg en Dal verantwoordelijk.



Uitspraak van de rechtbank



2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het een maatwerkvoorziening in natura betrof en de periode waarover die is toegekend al is verstreken. De rechtbank heeft niet aannemelijk geacht dat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. In het bestreden besluit heeft het college namelijk geconcludeerd dat appellante niet is aangewezen op een vorm van beschermd wonen maar op begeleiding. Voor beschermd wonen is het college bevoegd, maar voor een maatwerkvoorziening bestaande uit begeleiding moet appellante zich wenden tot het college van de gemeente Berg en Dal, waar zij woont. Appellante heeft geen gebruik gemaakt van de door het college toegekende maatwerkvoorziening en heeft noch bij de gemeente Nijmegen, noch bij de gemeente Berg en Dal een nieuwe aanvraag gedaan. In de door appellante gestelde schade heeft de rechtbank evenmin grond gevonden voor het aannemen van belang voor een inhoudelijke beoordeling.



Het standpunt van appellante



3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.




Het oordeel van de Raad


4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante heeft aangevoerd of de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



4.1.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat voor een inhoudelijke beoordeling van het beroep van appellante geen plaats is. Terecht heeft de rechtbank in de rechtsoverwegingen 3 tot en met 3.2 aansluiting gezocht bij vaste rechtspraak van de Raad over het aannemen van procesbelang. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het geschil gaat over een maatwerkvoorziening in natura over een periode die al is verstreken en dat niet is gebleken dat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit nog van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Volgens appellante is haar situatie na het bestreden besluit verslechterd. In hoger beroep is gebleken dat het college bij besluit van 20 februari 2026 een nieuwe aanvraag van appellante voor beschermd wonen heeft afgewezen. Appellante heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend. Verder is gebleken dat appellante na haar melding van 10 februari 2025 bij de gemeente Berg en Dal en het daarop volgende onderzoek, in aanmerking kon komen voor een maatwerkvoorziening begeleiding met een omvang van 180 minuten per week gedurende een jaar. Dit is uiteindelijk niet geëffectueerd, omdat appellante het niet eens was met de omvang en duur van die maatwerkvoorziening.



4.2.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij schade heeft geleden door het uitblijven van passende begeleiding. De beoordeling van een verzoek om schadevergoeding kan procesbelang opleveren, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden als gevolg van de besluitvorming. Appellante heeft bij de rechtbank een overzicht overgelegd van zorgkosten over de jaren 2021 tot en met 2024, de daarbij behorende facturen, alsmede diverse facturen uit 2020. Hoewel de Raad niet eraan twijfelt dat appellante deze kosten heeft gemaakt, acht de Raad het op voorhand onaannemelijk dat schade is geleden als gevolg van de besluitvorming. Tot juni 2022 woonde appellante nog in [plaats] , zodat op voorhand onaannemelijk is dat de kosten die tot die tijd zijn gemaakt het gevolg zijn van de besluitvorming door het college. De Raad acht ook op voorhand onaannemelijk dat de gestelde schade vanaf juni 2022 als gevolg van de besluitvorming is geleden, gelet op de aard van de kosten, zoals deelname aan een jongerenweekeind van de patiëntenvereniging hersenletsel, diverse behandelingen door de Hormoonpoli en de Vrouwenkliniek en een oogonderzoek. Appellante heeft geen facturen overgelegd waaruit volgt dat zij zelf ambulante individuele begeleiding heeft ingekocht in de periode in geding. De Raad oordeelt evenals de rechtbank dan ook dat ook aan de gestelde schade geen procesbelang kan worden ontleend.



4.3.
Uit wat is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat de rechtbank het beroep terecht nietontvankelijk heeft verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Daardoor komt de Raad niet toe aan de beroepsgrond van appellante dat de duur van de verstrekte maatwerkvoorziening vijf jaar had moeten zijn. Dit kan namelijk pas beoordeeld worden indien sprake is van procesbelang en de zaak inhoudelijk wordt beoordeeld.





Conclusie en gevolgen


4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de Raad niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.


5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.






BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door B. Serno in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.






(getekend) B. Serno




(getekend) M.J.D. van Haren



Bijlage



Wet maatschappelijke ondersteuning 2015





Artikel 1.1

beschermd wonen: wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;




Artikel 2.3.5

4. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.